Geschiedenis Toets Samenvatting
Toets vragen Geschiedenis
Christendom als Staatsgodsdienst
- Nadat het christendom een staatsgodsdienst werd, werden andere religies verboden.
Leenstelsel (Feodalisme) vs. Hofstelsel
- Leenstelsel (feodalisme): Een politiek systeem.
- Hofstelsel: Een sociaal-economisch systeem.
- Uitleggen waarom dit zo is en het onderscheid kunnen benoemen en uitleggen is belangrijk.
Veranderingen in de Landbouw rond 1000 N.C.
- Uitleggen welke veranderingen er waren in de landbouw rond 1000 N.C.
- Benoemen wat er nieuw en oud was.
Overgang van Landbouw naar Steden
- Het hele stappenplan van de overgang van landbouw naar steden kunnen uitleggen.
Renaissance
- In de renaissance gingen mensen zelf nadenken, geïnspireerd door oude geschriften van de Grieken en Romeinen.
Absolutisme en Droit Divin
- Het absolutisme goed kunnen uitleggen.
- Uitleggen wat het droit divin is (goddelijk recht).
KA 24 van de Syllabus
- KA 24 van de syllabus (democratische revoluties) goed doornemen.
- Vertellen wat er gebeurde en uitleggen.
Politieke en Maatschappelijke Stromingen
- Alle politieke en maatschappelijke stromingen uitleggen:
- Feminisme
- Socialisme
- Nationalisme
- Liberalisme
- Confessionalisme
- De betekenissen letterlijk kunnen opschrijven op de toets.
Modern Imperialisme
- Het modern imperialisme heel goed uit je hoofd leren en kunnen uitleggen.
Propaganda
- Propaganda gaat ook voorkomen; leer dit ook en wat er allemaal bij komt kijken.
Belangrijke Gebeurtenissen
- De appeasementpolitiek
- Het Molotov-Ribbentroppact
- D-Day
- Loslaten van de Brezjnevdoctrine en de gevolgen ervan (val van de Sovjet-Unie vooral)
- De Berlijnse Muur
- De Cubacrisis
Samenvatting Syllabus
TIJDVAK 1 – Tijd van jagers en boeren (tot 3000 v.Chr.)
- De geschiedenis begint bij de prehistorie, toen er nog geen schrift bestond.
- Mensen leefden toen als jagers-verzamelaars:
- In kleine groepen trokken ze rond op zoek naar voedsel.
- Ze waren volledig afhankelijk van de natuur.
- Ze bouwden geen huizen, maar woonden in tenten of hutten.
- Ze leefden van wat ze verzamelden of jaagden.
- Dit veranderde met de neolithische revolutie, het ontstaan van landbouw.
- Rond 10.000 v.Chr. gingen mensen in het Midden-Oosten over op akkerbouw en veeteelt.
- Dit zorgde voor:
- Vaste woonplaatsen
- Voedseloverschotten
- Uiteindelijk het ontstaan van dorpen.
- Die overgang leidde tot de eerste stedelijke gemeenschappen:
- Met duidelijke sociale verschillen
- Bestuurders
- Priesters
- Vooral ook het schrift: het begin van de geschiedenis.
TIJDVAK 2 – Tijd van Grieken en Romeinen (3000 v.Chr. – 500 n.Chr.)
- In de klassieke oudheid zie je twee belangrijke culturen opkomen: de Grieken en de Romeinen.
- De Griekse stadstaten, zoals Athene, ontwikkelden een unieke vorm van bestuur: de directe democratie.
- Alleen mannen met burgerrecht mochten meebeslissen.
- Tegelijkertijd ontstond het wetenschappelijk denken: mensen probeerden de wereld te verklaren zonder goden (bijvoorbeeld via filosofen als Socrates en Aristoteles).
- Rond 200 v.Chr. begon de macht van het Romeinse rijk te groeien.
- Het veroverde grote delen van Europa, Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
- Hierdoor verspreidde de klassieke Grieks-Romeinse cultuur zich.
- Deze cultuur zie je terug in kunst (zuilen, beelden), architectuur (thermen, aquaducten) en het Latijn.
- In de gebieden die Rome veroverde, ontstond romanisering: het overnemen van Romeinse gewoonten door andere volkeren, zoals de Kelten of Germanen.
- Een belangrijk aspect is het ontstaan van godsdiensten zoals het jodendom en vooral het christendom.
- Het christendom begon als een kleine joodse sekte, maar groeide uit tot een wereldgodsdienst.
- In 392 na Christus werd het christendom de staatsgodsdienst van het Romeinse rijk.
- Dit betekende dat andere godsdiensten verboden werden.
- De kerk kreeg steeds meer macht.
- Ondertussen was er ook contact (en conflict) tussen Romeinen en Germanen, zoals bij de slag bij het Teutoburgerwoud.
- Uiteindelijk werd het West-Romeinse rijk verzwakt en viel het in 476 n.Chr.
TIJDVAK 3 – Tijd van monniken en ridders (500 – 1000)
- Na de val van het West-Romeinse rijk ontstond een nieuwe orde in Europa.
- Het werd onveilig, handel stortte in, en mensen trokken zich terug op het platteland.
- In deze periode kwam het hofstelsel op: een sociaal-economisch systeem waarin boeren (horigen) op het land van een heer werkten in ruil voor bescherming.
- Het domein was zelfvoorzienend, want er was nauwelijks handel.
- Je had het vroonland (land van de heer) en het hoeveland (voor de boeren).
- Tegelijk ontstond het feodale stelsel of leenstelsel, een politiek systeem.
- De koning leende stukken land uit aan leenmannen (bijv. graven), die in ruil trouw zwoeren en militaire steun boden.
- Zo kon de koning zijn rijk besturen, ondanks het gebrek aan infrastructuur.
- Dit systeem leidde tot versnippering van macht: lokale heren werden steeds machtiger.
- Het christendom speelde een centrale rol.
- Monniken in kloosters kopieerden boeken, leerden mensen lezen en verspreidden het geloof.
- Missionarissen zoals Willibrord en Bonifatius probeerden heidense volken te bekeren.
- Ondertussen ontstond een tweede wereldgodsdienst: de islam.
- Vanaf 622 verspreidde de islam zich snel vanuit Arabië over Noord-Afrika en Spanje.
TIJDVAK 4 – Tijd van steden en staten (1000 – 1500)
- Rond het jaar 1000 begon Europa zich te herstellen.
- Door landbouwvernieuwingen zoals het drieslagstelsel, betere ploegen en ontginningen steeg de productie.
- Dit leidde tot een voedseloverschot, bevolkingsgroei en de herleving van steden.
- In die steden kwam handel op gang, er ontstonden gilden (beroepsgroepen) en ambachten.
- Het proces van verstedelijking verliep in stappen:
- Betere landbouw → voedseloverschot.
- Bevolkingsgroei → overschotten worden geruild.
- Ontstaan van markten → vaste plekken → steden.
- Steden worden rijker → kopen stadsrechten van de heer.
- Rijke burgers (patriciaat) krijgen meer invloed.
- De macht van koningen groeide ook:
- Via staatsvorming en centralisatie probeerden zij hun rijk te versterken.
- Tegelijk botste die macht met die van de kerk:
- Tijdens de investituurstrijd wilde de paus zelf bisschoppen benoemen, maar de keizer vond dat zijn taak.
- De paus won.
- De kruistochten (1096–1291) waren pogingen van christenen om het Heilige Land te veroveren op de moslims.
- Ze versterkten het gezag van de paus, maar vergrootten ook de contacten tussen Europa en het Midden-Oosten.
TIJDVAK 5 – Tijd van ontdekkers en hervormers (1500 – 1600)
- Door contact met de Arabische wereld en de herontdekking van oude teksten ontstond de renaissance: een periode waarin mensen zelf gingen nadenken, geïnspireerd door Griekse en Romeinse schrijvers.
- Kunst werd realistischer, wetenschap bloeide, en het humanisme ontstond.
- Tegelijk gingen Europeanen de wereld verkennen
- Ze ontdekten nieuwe zeewegen naar Azië, en Columbus stuitte op Amerika.
- Dit leidde tot de Europese expansie: koloniën, slavenhandel en het begin van de wereldhandel.
- Binnen de kerk kwam onvrede op.
- Maarten Luther en Johannes Calvijn begonnen de Reformatie: een breuk met de katholieke kerk.
- Veel mensen sloten zich aan bij het protestantisme.
- De katholieke kerk reageerde met de Contrareformatie.
- In de Nederlanden leidde dit tot de Opstand tegen Spanje.
- De gewesten verzetten zich tegen centralisatie en geloofsvervolging.
- In 1581 werd Filips II officieel afgezworen (Plakkaat van Verlatinghe), en in 1648 werd de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden erkend.
TIJDVAK 6 – Tijd van regenten en vorsten (1600 – 1700)
- Na de Opstand ontwikkelde Nederland zich als een republiek, met rijke regenten en bloeiende handel.
- In andere landen koos men voor het absolutisme.
- Lodewijk XIV van Frankrijk is het schoolvoorbeeld: hij had alle macht in handen en regeerde op basis van het droit divin (goddelijk recht).
- Hij geloofde dat God hem had aangewezen om te regeren.
- In de Republiek heerste een ander systeem:
- Macht lag bij de regenten en de Staten-Generaal.
- De economie bloeide dankzij de VOC en WIC: de Gouden Eeuw.
- Er ontstond een burgerlijke cultuur waarin schilderkunst en wetenschap groeiden.
TIJDVAK 7 – Tijd van pruiken en revoluties (1700 – 1800)
- In de 18e eeuw groeide het vertrouwen in de rede en de menselijke mogelijkheden: de Verlichting.
- Denkbeelden over vrijheid, gelijkheid en volkssoevereiniteit deden hun intrede.
- Verlichte denkers zoals Montesquieu en Rousseau pleitten voor scheiding der machten, volksinvloed en gelijke rechten.
- Deze ideeën leidden tot democratische revoluties.
- In Amerika (1776) ontstond een nieuwe republiek, in Frankrijk brak in 1789 de Franse Revolutie uit.
- Standen werden afgeschaft, de koning werd afgezet, en grondrechten ingevoerd.
- Dit is het onderwerp van KA 24: De democratische revoluties in westerse landen met als gevolg discussies over grondwetten, grondrechten en staatsburgerschap.
- In Nederland ontstond de Patriottenbeweging: burgers wilden ook meer inspraak, maar de revolutie werd pas na 1795 door Franse hulp werkelijkheid.
TIJDVAK 8 – Tijd van burgers en stoommachines (1800 – 1900)
- De industriële revolutie begon in Engeland en verspreidde zich over Europa.
- Machines vervingen handwerk, fabrieken kwamen op, en steden groeiden explosief.
- Dit leidde tot sociale ongelijkheid en de opkomst van politiek-maatschappelijke stromingen:
- Belangrijke stromingen:
- Liberalisme: vrijheid voor individu, kleine overheid, vrije markt.
- Socialisme: opkomen voor arbeiders, eerlijke verdeling van bezit.
- Confessionalisme: christelijke waarden in politiek.
- Feminisme: gelijkheid tussen man en vrouw.
- Nationalisme: trots op eigen volk, cultuur, staat.
- Tegelijkertijd groeide het modern imperialisme:
- Europese landen veroverden gebieden in Afrika en Azië om grondstoffen en macht.
- Ze rechtvaardigden dit met racisme en het idee van "beschaving brengen".
TIJDVAK 9 – Tijd van wereldoorlogen (1900 – 1950)
- De 20e eeuw begon met nationalisme, wapenwedlopen en bondgenootschappen.
- In 1914 brak WO I uit.
- Miljoenen stierven in loopgravenoorlog.
- In 1917 trok Rusland zich terug (communistische revolutie), en de VS stapte in.
- Duitsland verloor.
- In de jaren ’30 groeiden dictaturen.
- Fascisten (zoals Hitler) gebruikten propaganda: eenzijdige, manipulatieve informatie om de bevolking te overtuigen van hun ideeën.
- Er werd gebruikgemaakt van radio, film, kranten, slogans, jeugdorganisaties, censuur, en intimidatie.
- Belangrijke gebeurtenissen:
- Appeasementpolitiek: West-Europa wilde Hitler tevreden houden om oorlog te voorkomen (bijv. bij Sudetenland).
- Molotov-Ribbentroppact: Nazi-Duitsland en SU verdelen Oost-Europa en vallen Polen aan.
- D-Day (1944): Geallieerde landing in Normandië → bevrijding West-Europa.
- Holocaust: systematische vernietiging van 6 miljoen joden.
TIJDVAK 10 – Tijd van televisie en computer (1950 – heden)
- Na WO II werd Europa verdeeld: Koude Oorlog tussen VS (kapitalistisch) en SU (communistisch).
- Beide supermachten streden om invloed:
- Belangrijke gebeurtenissen:
- Cubacrisis (1962): VS ontdekte Russische raketten op Cuba → wereld bijna in nucleaire oorlog.
- Berlijnse Muur (1961–1989): scheiding tussen Oost- en West-Berlijn. Symbool van Koude Oorlog.
- Brezjnevdoctrine: SU grijpt in als Oostbloklanden afwijken van communisme.
- In 1989 liet Gorbatsjov deze doctrine los → val van Sovjet-Unie en einde Koude Oorlog.
- Tegelijk vonden grote sociale veranderingen plaats:
- Dekolonisatie, migratie, vrouwenemancipatie, informatiesamenleving, globalisering.