Nederlands Generiek

Woordbenoemen komt teug op de toets aan het einde van de periode.

Alles 2F niveau en een 3F

Catogorien die je moet kennen

Je hebt 2 catogorien die iets doen in de taal; Betekenis woorden, dingen die iets betekenen bijv, Klok. Je hebt ook functiewoorden die je nodig hebt om de zin te laten werken bijv. Voor, Daarom

Werkwoorden;

Persoonsvorm, Belangrijkste woord in de zin verandert door tijd en vraag

Infinitief, het hele werkwoord, eindigt meestal op -en

Voltooid deelwoord, ALs er een hulpwoord voor staat is het een voltooid deelwoord bijv. zij, heeft, is, hebben

Onvoltooid deelwoord, Het is een werkwoord wat gebeurt terwijl er iets anders gebeurt. ALs het werkwoord niet een van de bovenstaande is is het een onvoltooid deelwoord.

Lidwoorden: De, het, een. kunnen veranderen door grote en meervoud

Zelfstandig naamwoorden: Alle woorden die een betekenis hebben gekregen. Namen van spullen, dieren, rivieren, plaatsen enz.

Bijvoegelijk nmw: het zegt iets over zelfstandig naamwoord. deze worden schrijf je vaak zo kort mogelijk

Bijwoord: Het zegt iets over het bijvoehelijke naamwoord.

Voorzetsels: bepaling van plek en tijd.

Voornaamwooden is alles iets te beschrijven als het geen zelfstandig naamwoord is

Aanw vnw: Alles wat je kan aanwijzen. Als het een de woord is is het dichtbij is is het deze, als het een het wood is wordt het verweg een die. Bij het woorden is het dichtbij dit en verweg dat.

persoonlijk voornaamwoord: Als je naar iemand wijst en het is een persoon wordt het niet deze maar Hij, zij, mijn, hun.

Bezittelijk voornaamwoord: Als iets van iemand is. Mijn, Jouw, Onze. het is alleen bezitelijk als het bezit er direct ernaa komt.

Telwoorden: Als het op een ranglijst kan is een rangtelwoord

Voegwoorden: Woorden die je tussen zinsdelen plakt om de zin aan elkaar te plakken

Vraagwoorden: Vraagt naar iets. Wie, wat, waneer, waarom, hoe.

Bijwoord: Als het niks van het bovenstaande is is het een bijwoord.