Democratie onder Druk: Politieke Systemen in de Jaren '20 en '30

Democratie onder druk tijdens het interbellum

  • In de jaren '20 en '30 van de 20ste eeuw stonden democratische staten onder grote druk door de opkomst van totalitaire staten.

  • Er wordt een fundamenteel onderscheid gemaakt tussen twee vormen van extremisme:   - Extreem-linkse staten: Gebaseerd op het communisme.   - Extreem-rechtse staten: Gebaseerd op het fascisme en het nazisme.

Kenmerken van democratische staten

  • Focus op het individu: De staat stelt de rechten, de behoeften en de volledige 'vrije' ontplooiing van het individu centraal.

  • Inspraak van de burger: Burgers hebben een actieve rol en invloed op het beleid.

  • Politieke democratie:   - Er is sprake van een strikte scheiding der machten (wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht).   - Er is politiek pluralisme, wat betekent dat verschillende politieke partijen en overtuigingen naast elkaar mogen bestaan.

  • Rechtsstaat:   - De rechtbanken opereren volledig onafhankelijk van de politieke macht.   - De politie heeft een preventieve rol en dient ter bescherming van alle burgers.

  • Massamedia, wetenschappen en cultuur: Deze sectoren hebben een brede informatieve rol en zijn niet onderworpen aan staatscensuur.

Kenmerken van extreem-linkse staten (Communisme)

  • Autoritair karakter: Dit heeft vooral betrekking op de uitoefening van gezagsinstanties.   - Anti-democratisch: Er is geen scheiding der machten. Er geldt een éénpartijstelsel waarbij de Communistische Partij alle macht in handen heeft.   - Verheerlijking van de leider (Personencultus): De leiders (bijvoorbeeld Vladimir Lenin en Jozef Stalin) worden als godheden vereerd. Dit uit zich in:     - Standbeelden en foto's op openbare plaatsen.     - Straatnamen en pleinnamen die naar hen vernoemd zijn.     - Plaatsnamen die gewijzigd werden ter ere van de leiders, zoals Leningrad en Stalingrad.

  • Totalitair karakter: Het denken en handelen van het individu wordt volledig bepaald en gecontroleerd door de staat.   - Eén publieke opinie (Marxistische ideologie): Elke vorm van kritische zin in de media, kunst en wetenschap werd vernietigd. Alles moest in functie staan van de communistische staat.   - Onderdrukking: Burgers met een kritische houding ten aanzien van de staat werden opgesloten in werkkampen, bekend als de Goelags. Hier moesten zij gedurende een groot aantal jaren dwangarbeid verrichten.   - Propaganda: Dit werd gebruikt voor de conditionering van de burger. Het doel was aan te tonen dat de communistische samenleving de superieure samenleving is, wat breed werd uitgemeten in de sport, kunst en wetenschap.

Kenmerken van extreem-rechtse staten: Het autoritaire aspect

  • Leidersprincipe: Ook hier staat de verheerlijking van de leider of een personencultus centraal.   - Duitsland: Adolf Hitler werd vereerd als "Der Führer". Er werd een specifieke groet ingevoerd: de Hitlergroet of "Heil Hitler".   - Italië: Benito Mussolini stond bekend als "Il Duce". Ook hier werd een eigen groet ingevoerd: de Romeinse of fascistische groet.

  • Anti-democratisch beleid:   - Vernietiging van het parlement: De wetgevende macht werd buitenspel gezet. In Duitsland vormde de brand in het Rijksdaggebouw (het parlement) een symbolisch en feitelijk breekpunt.   - Éénpartijstelsel:     - In Duitsland: De NSDAP (National Sozialistische Deutsche Arbeiterspartei, oftewel de nazi-partij).     - In Italië: De Fasco di combattimento (de fascisten).   - Geen oppositie: Andersdenkenden en critici van het beleid (zoals communisten in Duitsland) werden systematisch vervolgd en opgesloten in werkkampen.

Kenmerken van extreem-rechtse staten: Het totalitaire aspect

  • Het totalitairisme houdt in dat de staat volledig beslag legt op het leven van het individu, waarbij het individu ondergeschikt wordt gemaakt aan de staatsideologie.

  • De Jeugd: De staat richt zich intensief op de jeugd om hen te doordringen van de ideologie.   - Duitsland: Er gold een verplicht lidmaatschap (voor de leeftijd van 10 tot 18 jaar) van nazistische jeugdbewegingen:     - Hitlerjugend (HJ): Voor jongens.     - Bund Deutscher Mädel (BDM): Voor meisjes.     - In het onderwijs werd de nazi-ideologie verweven: aanleren van de Hitlergroet, verering van Hitler en antisemitisme. Er werden ook speciale elitescholen opgericht.   - Italië: Oprichting van fascistische jeugdbewegingen en integratie van de fascistische ideologie in het onderwijs.

  • Propaganda: Media, sport en onderwijs werden ingezet om de staat te verheerlijken.   - Duitsland: De Olympische Spelen in Berlijn (1936) en de films van Leni Riefenstahl dienden als krachtige propagandamiddelen.   - Italië: Gebruik van onderwijsmaterialen zoals specifiek vormgegeven schoolschriften.

  • Censuur: Alles wat niet paste binnen de ideologie of als inferieur werd beschouwd, werd geëlimineerd.   - Entartete Kunst: In Duitsland werd expressionistische kunst uit musea verwijderd en jazzmuziek verboden (bestempeld als "inferieur negermuziek").   - Er vonden publieke boekenverbrandingen plaats en kunst- en muziekwerken uit de Joodse cultuur werden vernietigd.

Nationalisme en anti-internationalisme in extreem-rechtse staten

  • Nationalisme: Verheerlijking van de eigen staat door te verwijzen naar een groots historisch verleden van de natie (volk).   - Duitsland: Verwijzingen naar het Germaanse verleden en het Heilige Roomse Rijk (HRR). Gebruik van runentekens, gotische schrifttekens en de term "das Dritte Reich".   - Italië: Mussolini zag het Romeinse Rijk als het ideaal. Hij streefde naar de "Mare nostrum" droom, waarbij alle gebieden rond de Middellandse Zee onder Italiaans gezag moesten komen (bijv. bezetting van Abessinië en Albanië). De naam van de partij, Fascisti, is afgeleid van het Latijnse 'Fasci' (roedenbundels), een Romeins machtssymbool.

  • Anti-internationalisme: Men is tegen gelijkheid tussen volkeren. Deze ongelijkheid is geworteld in de rassenleer.   - Het principe is dat inferieure volkeren (zoals "das Slavenvolk", bijv. Polen en Russen) de superieure volkeren ("das Herrenvolk", bijv. de Duitsers) moeten dienen.

Racisme en de nazi-rassenleer

  • Rassenleer: Men gelooft in de fundamentele ongelijkheid tussen volkeren op basis van ras. Er wordt een strikt onderscheid gemaakt tussen de Übermensch (superieur) en de Untermensch (inferieur).

  • Hiërarchie van de rassen:   - Arische/Germaanse ras: Het blanke, superieure ras (bij voorkeur blond en blauwe ogen). Hiertoe behoren Duitsers (das Herrenvolk), Scandinaviërs, Nederlanders en Vlamingen.   - Volkeren van Romeinse afkomst: Fransen, Spanjaarden, Italianen en Portugezen kregen soms een speciale status.   - Slavische volkeren: Bestempeld als inferieur (das Slavenvolk), bestemd om het Herrenvolk te dienen (bijv. Polen en Russen).   - Andere rassen: Zwarte Afrikaanse en Aziatische bevolkingsgroepen werden als inferieur beschouwd.   - Parasieten: Joden en Zigeuners (Sinti en Roma) werden gezien als een directe bedreiging voor de Duitse samenleving.   - Overige groepen: Holebi's, gehandicapten en Getuigen van Jehova werden eveneens gezien als een bedreiging voor de raszuiverheid.

Antisemitisme en de Jodenvervolging in Duitsland

  • Definities:   - Antisemitisme (vanaf de 18de eeuw): Haat tegen Joden gebaseerd op hun identiteit en volksaard.   - Antijudaïsme (voornamelijk middeleeuws): Haat tegen Joden omwille van hun geloof (beschuldiging van de moord op Jezus).

  • Fasen van de vervolging:   - Nürnbergwetten (1935): Wetten gericht op het voorkomen van vermenging tussen het Duitse en Joodse volk. Gevolgen: verbod op gemengde huwelijken, verlies van burgerrechten (stemrecht), verbod op openbare functies en toegangsverbod tot openbare plaatsen (zwembaden, bibliotheken).   - Boycot en uitsluiting: Duitsers werden opgeroepen niet bij Joden te kopen ("Deutsche! Wehrt Euch! Kauft nicht bei Juden!").   - Kristallnacht (1938): Georganiseerde brandstichting, vernieling en plundering van Joodse huizen, winkels en synagoges.   - Gele Davidster (1941): Verplichte identificatie voor Joden vanaf 6 jaar in het hele Duitse rijk.   - Getto's: Isolatie van de Joodse bevolking in afgesloten wijken.   - Endlösung / Holocaust / Shoah (1942): Het besluit tot de systematische uitroeiing van Joden en zigeuners in concentratiekampen.

  • Euthanasie: Er werd ook een programma uitgevoerd voor euthanasie op gehandicapte Duitse burgers.

Solidaristisch-corporatistisch systeem

  • Solidaristisch: Dit principe houdt in dat men in de eerste plaats solidair moet zijn met de eigen volksgenoten, ongeacht de sociale status (of men nu industrieel of arbeider is).

  • Corporatistisch: De inrichting van de samenleving via corporaties. Dit zijn raden waarin zowel arbeiders als werkgevers vertegenwoordigd zijn om samen te werken.

  • Anti-syndicalisme: Dit systeem is fel gekant tegen onafhankelijke vakbonden.