Nederlands examen
Verhaalanalyse: Zin in lezen

Literaire genres:
Psychologische roman
gedachten en gevoelens van personage die een ontwikkeling doormaakt
traag verteltempo
vb: The summer i turned pretty
Thriller
nadruk ligt op actie en gevaar
hoog verteltempo en opdrijven van spanning
vb: It , 54 minuten
Sciencefiction
“wetenschappelijke fictie” denkbeeldige, toekomst, nieuwe wetenschappelijke uitvindingen
vb: Star Wars, Hunger Games
Fantasy
onbestaande elementen, denkbeeldige werelden, magie,
vb: Harry Potter
Historische roman
gebaseerd op historische feiten/personen , kan aangevuld worden met fictionele elementen
vb: De jongen met de gestreepte pyama, The crown
Oorlogsroman
oorlog vormt de setting
vb: Oorlogswinter
Verhaalanalyse: Bouwstenen van een verhaal
Protagonist = belangrijkste personage in het verhaal
antagonist = tegenspeler van de protagonist, hij plaatst de protagonist voor een probleem
nevenfiguur = iemand die de protagonist/antagonist helpt
figurant = geeft achtergrond en verhaal kleur
kalendertijd = de tijdsperiode waarin een verhaal afspeelt
anachronisme = fout in de tijd
vertelde tijd = tijd die daadwerkelijk in het verhaal verstrijkt
verteltijd = tijd die nodig is om te lezen
verteltempo = verhouding tussen de verteltijd en de vertelde tijd
tijdsprong = sprong in de tijd
retardering = de schrijver laat de vertelde tijd langer laten lijken dan de verteltijd
chronologisch = ordening van tijd v begin tot eind
flashback = grote terugwijzing in de tijd
flashforward = vooruitblikt naar een toekomstige gebeurtenis
terugwijzing = terugkijken naar iets wat niet zo lang geleden is
vooruitwijzing = een wijzing naar iets wat later gaat gebeuren
geografische ruimte = plaats van het verhaal wordt afgespeeld
sfeerscheppende ruimte = een ruimte die bijdraagt aan de stemming v/h verhaal
sociale ruimte = de maatschappelijke ruimte v/d personages
symbolische ruimte = gevoelens v/s personages
belevende ik-verteller = ‘ik-persoon’ gevoelens en gedachten in tegenwoordige tijd
vertellende ik-verteller = ‘ik-persoon’ een verhaal vertelt uit verleden tijd en terugkijkt op gebeurtenissen die al hebben plaatsgevonden
personele verteller = het verhaal vertelt zichzelf
auctoriële verteller = verteller die zich buiten het verhaal bevindt en die de personages goed kent
meervoudig vertelperspectief = in een verhaal komen meerdere vertelperspectieven voor en wisselen elkaar af
ab ovo = van het begin tot het einde iemands leven meemaken
in medias res = een verhaal dat midden in de actie begint zonder inleiding
open einde = laat de afloop van het verhaal onzeker aan de lezer
gesloten einde = belangrijke verhaallijnen worden geëindigd met een duidelijk einde
cliffhanger = dramatisch gebeurtenis aan het eind van een verhaal
kennisvoorsprong = de lezer weet meer dan de personages
kennisachterstand = de lezer heeft minder info dan de personages
motorisch moment = gebeurtenis dat het verhaal in gang zet en de hoofdpersonage in actie komt
thema = onderwerp
motief = terugkerend thema in het verhaal
Verhaalanalyse: Thema en motief
femme fatale = vrouw die iedereen verleidt en naar de ondergang leidt
motief = klein maar belangrijk element dat geregeld terugkeert
thema = kortst mogelijke omschrijven van waar het verhaal over gaat
bekende thema’s= opgroeien, groei naar volwassenheid, vriendschap , de dood, strijd tussen goed en kwaas
In jeugd en adolescentenromans is het vaak het probleem waarmee het hoofdpersonage worstelt of een maatschappelijk thema
Soms heeft het boek verschillende thema’s. Het thema van een verhaal benoemen is ook een persoonlijke interpretatie.
Taalvariatie


Een ‘xenofobe’ bijklank = xenofoob = vreemdelingenangst, angst voor alles wat vreemd is
Standaardnederlands, tussentaal en dialect
Synoniemen tussentaal:
Soapvlaams
Verkavelingsvlaams
14 kenmerken die vaak terugkomen in tussentaal:
‘t’ ontbreekt op het einde van een woord
‘h’ ontbreekt aan het begin van een woord
verkeerd lidwoord
hem als onderwerp i.p.v. hij
gij/ge i.p.v. jij/je
lidwoord vervoegen
bijvoeglijke naamwoorden vervoegen
voornaamwoorden vervoegen
verkleinwoordje eindigt op -ke i.p.v. -je
bevel eindigt op een -t
van of voor i.p.v. om
twee keer ‘gaan
slordige uitspraak
woorden uit het dialect
Standaardnederlands is de standaardvariant van het Nederlands, formele situaties, of spreken met onbekenden
Tussentaal is een omgangstaal die zowel kenmerken heeft van Standaardnederlands als dialect.
Dialect is een plaatselijke, lokale vorm van het Nederlands
Filmpje : Man over woord.
VRAGEN KENNEN!!!
Wat is het verschil tussen ABN en AN?
geen verschil , vroeger werd de standaardtaal ABN genoemd ( algemeen beschaafd nederlands ) en nu AN ( algemeen nederlands )
Waarom gebruiken Vlamingen tussentaal ?
De Vlaming kan zich goed uitdrukken in tussentaal
de taal is verstaanbaar voor alle Vlamingen
de eigen identiteit komt erin tot uiting
Hoe komt het dat de ABN-campagne faalde?
de bevolking werd zo vaak gecorrigeerd, waardoor taal- en spreekangst ontstond
Woorden zoals garage:
Franse woorden, men wilde een Nederlandse variant invoeren
Voorspellingen van professor De Caluwe
dialect zal verdwijnen
Standaardnederlands blijft bestaan
tussentaal blijft de omgangstaal, maar zal homogener worden
Je past je voortdurend aan je omgeving en de context aan, en gebruikt de meest gepaste taalvariant
Taaldiscriminatie
Talen , dialecten en accenten kunnen ervoor zorgen dat je vooroordelen of stereotypen hebt over een persoon of een groep mensen
Bij een vooroordeel heb je oordeel over iemand zonder dat je hem of haar kent
Een stereotype is een overdreven beeld van een groep mensen dat vaak niet overeenkomt met de werkelijkheid
Het gebruik van vooroordelen en stereotypen vertrekt vanuit onwetendheid en is dus niet altijd kwaad bedoeld. Wanneer je omwille van vooroordelen op basis van taalgebruik mensen verschillend behandelt, dan spreek je over taaldiscriminatie
Sociolecten
Een sociolect = een term die wordt gebruikt voor een taalvariant die typerend is voor een bepaalde sociale groep. Bij sociolecten onderscheid je groepstalen en vaktalen
Groepstaal = is eigen aan een bepaalde sociale groep ( vb, sekse, leeftijd ). Ze onderscheidt zich vooral op het vlak van : WOORDENSCHAT , zo heb je vb: jongerentaal, straattaal, mannentaal, vrouwentaal, studententaal
Vaktaal = De terminologie die eigen is aan een bepaald vak of beroep, de taal van landbouwers, geologen , … Elk vaktaal heeft specifieke vaktermen die buitenstaanders vaak moeilijk begrijpen.
Deze vaktaal wordt vaak ook vakjargon genoemd.
Insluiting en uitsluiting door taal
Taal kan ervoor zorgen dat je wel of niet tot een groep behoort = in- of uitsluiting door taal
vb: Je vrienden spreken West-Vlaams en jij niet, je kan niet de gesprekken meevolgen
Parodie
Bij een parodie gebruik je een spottende nabootsing van iets wat oorspronkelijk ernstig bedoeld was.
Framing
Framing = het bewust gebruiken van woorden die positieve of negatieve associaties oproepen.
Op die manier wordt iemands standpunt beïnvloed of zelfs gemanipuleerd.
Bij een voorbeeld van framing moet je kunnen antwoorden met oftewel:
om het probleem te minimaliseren of af te zwakken
de mening van anderen te beïnvloeden
om het probleem aan te dikken
om iets minder erg uit te drukken dan het eigenlijk is
Welke mogelijkheden biedt framing?
je kunt een boodschap in de gewenste context plaatsen
je vergroot je overtuigingskracht
Waarom verdragen ontvangers framing zo goed?
Framing help de complexe werkelijkheid terug te brengen tot de essentie
Op welke manieren kun je framen?
taal
cijfers
beelden
Taallab 1

wanneer te(n) of -de(n) in VERLEDEN TIJD?
laatste letter ex-kofschip? => -ten ( van de stam )
onregelmatige ww → zwom, liep
Taalstudie: voorzetsel en voorzetselvoorwerp

Schooltaalwoorden 1
Blaadje + quizlet of knowt idk


Taallab 2
Klinkerbotsing
samenstelling = een woord dat bestaat uit 2 delen/woorden die beide zelfstandig voorkomen
vb: keukentafel, politiewagen
afleiding = woord dat bestaat uit grondwoord en 1 of meer voor-achtervoegsels
vb: onschuldig
grondwoord = woord dat niet verder opgesplitst kan worden
vb: bed , tafel
Als je samenstellingen of afleidingen vormt, kan er klinkerbotsing optreden.
Bij een samenstelling met klinkerbotsing gebruik je een koppelteken
auto-ongeval, sla-emmer
Bij een afleiding of in een grondwoord met klinkerbotsing gebruik je een trema ¨¨
geërfd, poëzie
Een klinkerbotsing doet zich voor bij onderstaande combinaties!!!!! GOED KENNEN !!!!
a
a+a
a+e
a+i
a+u
e
e+e
e+i
e+u
e+ij
e+ui
i
i+e
i+i
i+j
o
o+e
o+i
o+o
o+u
u
u+i
u+u
Voornaamwoorden


+ BLAADJES EXTRA !!!!!!!!!!!



Schooltaalwoorden 2
zie blaadje

