Notes on Irregular Dutch Verbs (Tems Primitifs)
TEMPS PRIMITIFS = ONREGELMATIGE WERKWOORDEN
- Theme: Irregular Dutch verbs (temporal “primitive tenses”) and their conjugation in base form (Infinitief), simple past (OVT), and past participle (VD). The transcript shows a large table with Infinitief, OVT, VD, and Vertaling (translation in French). Some entries include parenthetical notes about auxiliary verbs (zijn / hebben) or additional language equivalents.
- Key idea: Dutch irregular verbs change their stem vowel or form in the past tenses and often use auxiliary verbs "hebben" or "zijn" in perfect tenses. The list below reflects common examples with their standard irregular forms as presented in the transcript.
- Language mix in Vertaling: The Vertaling column contains French equivalents (e.g., "venir" for come, "faire" for do) alongside some Dutch-English hints. Where the transcript shows bilingual notes, these appear in the same row.
- Important grammar notes mentioned implicitly in the transcript:
- Certain verbs take "zijn" as auxiliary in the perfect (VD) when they denote movement or change of state (e.g., aankomen, komen, gaan, blijven, uitgaan, buitengaan, vertrekken, etc.).
- Past participles often start with the prefix ge- and end in -en in many cases (e.g., gegeten, gebakken, gedragen, gedaan, geschreven, gelopen, etc.).
- The simple past (OVT) is frequently irregular with stem changes (e.g., kwam/kwam(en), trok/trokken, bood/boden, schreef/schreven, etc.).
- Some verbs have compound or multiple past-tense forms that reflect singular/plural (e.g., kwam(en) aan; sprak(en) aan; liep(en) af).
- Practical use: If you know the base form, you can often infer the past tense and past participle by pattern recognition, but many of these forms require memorization (as the transcript emphasizes with examples across many common irregulars).
Page 1: Infinitief, OVT, VD, Vertaling (selected highlights from the transcript)
Infinitief: aanbieden
- OVT: bood aan, boden
- VD: aangeboden
- Vertaling (French): offrir (to offer)
Infinitief: aandoen
- OVT: deed aan, deden aan? (context suggests irregular past forms)
- VD: aangedaan
- Vertaling: faire subir/mettre? (context-specific; see note)
Infinitief: aankomen
- OVT: kwam(en) aan
- VD: aangekomen (zijn)
- Vertaling: arriver
Infinitief: aanspreken
- OVT: sprak(en) aan
- VD: aangesproken
- Vertaling: s’adresser à qqun
Infinitief: aangetrokken
- OVT: trok(ken) aan
- VD: aangetrokken
- Vertaling: attirer
Infinitief: afgehangen
- OVT: hing(en) af
- VD: afgehangen
- Vertaling: être suspendu/pendre (?)
Infinitief: afgelopen (zijn)
- OVT: liep(en) af
- VD: afgelopen (zijn)
- Vertaling: durer/terminer (context dependent)
Infinitief: afgesproken
- OVT: sprak(en) af
- VD: afgesproken
- Vertaling: convenir (rdv)
Infinitief: afgevraagd
- OVT: vroeg(en) af
- VD: afgevraagd
- Vertaling: se demander (zich) / demander
Infinitief: bakken
- OVT: bakte(n) / bakten
- VD: gebakken
- Vertaling: cuire / cuire au four
Infinitief: bedenken
- OVT: bedacht(en)
- VD: bedacht
- Vertaling: penser à nouveau / réfléchir
Infinitief: bedriegen
- OVT: bedroog, bedrogen
- VD: bedrogen
- Vertaling: tromper quelqu’un
Infinitief: beginnen
- OVT: begon(nen)
- VD: begonnen (zijn)
- Vertaling: commencer
Infinitief: begraven
- OVT: begraaf, begroeven
- VD: begraven (zijn/ hebben) (commentary: in transcript, notes indicate both zijn/ hebben possible depending on sense)
- Vertaling: enterrer
Infinitief: begrijpen
- OVT: begreep, begrepen
- VD: begrepen
- Vertaling: comprendre
Infinitief: beschrijven
- OVT: beschreef, beschreven
- VD: beschreven
- Vertaling: décrire
Infinitief: besluiten
- OVT: besloot, besloten
- VD: besloten
- Vertaling: décider
Infinitief: bespreken
- OVT: besprak(en)
- VD: besproken
- Vertaling: discuter / examiner
Infinitief: bestaan
- OVT: bestond(en)
- VD: bestaan
- Vertaling: exister
Infinitief: bewegen
- OVT: bewoog, bewogen
- VD: bewogen
- Vertaling: bouger / se mouvoir
Infinitief: bezoeken
- OVT: bezocht(en)
- VD: bezocht
- Vertaling: visiter
Infinitief: bidden
- OVT: bad, baden (context dependent)
- VD: gebeden
- Vertaling: prier
Infinitief: binden
- OVT: bond(en)
- VD: gebonden
- Vertaling: lier / lier
Infinitief: bijdragen
- OVT: droeg(en) bij
- VD: bijgedragen
- Vertaling: contribuer
Infinitief: bijten
- OVT: beet, beten
- VD: gebeten
- Vertaling: mordre
Infinitief: blazen
- OVT: blies, bliezen
- VD: geblazen
- Vertaling: souffler
Infinitief: blijken
- OVT: bleek, bleken
- VD: gebleken (zijn)
- Vertaling: s’avérer, apparaître
Infinitief: blijven
- OVT: bleef, bleven
- VD: gebleven (zijn)
- Vertaling: rester
Infinitief: breken
- OVT: brak(en)
- VD: gebroken
- Vertaling: casser
Infinitief: brengen
- OVT: bracht(en)
- VD: gebracht
- Vertaling: apporter
Infinitief: buigen
- OVT: boog, bogen
- VD: gebogen
- Vertaling: plier
Infinitief: buitengaan
- OVT: ging(en) buiten
- VD: buitengegaan
- Vertaling: sortir dehors
Infinitief: deelnemen
- OVT: nam(en) deel
- VD: deelgenomen
- Vertaling: participer
Infinitief: denken
- OVT: dacht(en)
- VD: gedacht
- Vertaling: penser
Infinitief: eten
- OVT: at(en)
- VD: gegeten
- Vertaling: manger
Infinitief: ervaren
- OVT: ervoer, ervoeren
- VD: ervaren / ervaren? (context) / ervoeren
- Vertaling: vivre, ressentir
Infinitief: fluiten
- OVT: floot, floten
- VD: gefloten
- Vertaling: siffler
Infinitief: gaan
- OVT: ging, gingen
- VD: gegaan
- Vertaling: aller
Infinitief: gelden
- OVT: gold(en)
- VD: gegolden
- Vertaling: valoir
Infinitief: genezen
- OVT: genas, genazen
- VD: genezen
- Vertaling: guérir
Infinitief: genieten
- OVT: genoot, genoten
- VD: genoten
- Vertaling: profiter
Infinitief: geven
- OVT: gaf, gaven
- VD: gegeven
- Vertaling: donner
Infinitief: gieten
- OVT: goot, goten
- VD: gegoten
- Vertaling: verser
Infinitief: hangen
- OVT: hing(en)
- VD: gehangen
- Vertaling: pendre
Infinitief: helpen
- OVT: hielp(en)
- VD: geholpen
- Vertaling: aider
Infinitief: helden/inschrijven
- Infinitief: inschrijven
- OVT: schreef in, ingeschreven
- VD: ingeschreven
- Vertaling: inscrire
Infinitief: houden
- OVT: hield(en)
- VD: gehouden
- Vertaling: aimer (van), tenir
Infinitief: kiezen
- OVT: koos, kozen
- VD: gekozen
- Vertaling: choisir
Infinitief: kijken
- OVT: keek, keken
- VD: gekeken
- Vertaling: regarder
Infinitief: klimmen
- OVT: klom(men)
- VD: geklommen
- Vertaling: grimper
Infinitief: klinken
- OVT: klonk(en)
- VD: geklonken
- Vertaling: sonner
Infinitief: knijpen
- OVT: kneep, knepen
- VD: geknepen
- Vertaling: pincer
Infinitief: komen
- OVT: kwam(en)
- VD: gekomen (zijn)
- Vertaling: venir
Infinitief: kopen
- OVT: kocht(en)
- VD: gekocht
- Vertaling: acheter
Infinitief: krijgen
- OVT: kreeg, kregen
- VD: gekregen
- Vertaling: recevoir
Infinitief: krimpen
- OVT: kromp, krompen
- VD: gekrompen
- Vertaling: rétrécir, se contracter
Infinitief: kruipen
- OVT: kroop, kropen
- VD: gekropen
- Vertaling: ramper
Infinitief: Kunnen
- OVT: kon(nen)
- VD: gekund
- Vertaling: pouvoir (capacité)
Infinitief: lachen
- OVT: lachte(n)
- VD: gelachen
- Vertaling: rire
Infinitief: laden
- OVT: laadde, laadden
- VD: geladen
- Vertaling: charger
Infinitief: laten
- OVT: liet(en)
- VD: gelaten
- Vertaling: laisser
Infinitief: lesgeven
- OVT: gaf les, gaven les
- VD: lesgegeven
- Vertaling: enseigner
Infinitief: lezen
- OVT: las, lazen
- VD: gelezen
- Vertaling: lire
Voor de volledigheid: pagina 2 vervolgt met meer voorbeelden van Infinitief, OVT, VD en Vertaling (franse equivalents) zoals dichtdoen, doen, doorbrengen, doorggeven, dragen, drinken, dwingen, eruitzien, eten, ervaren, fluiten, gaan, gelden, genezen, genieten, geven, gieten, hangen, helpen, inschrijven, kiezen, kijken, klimmen, klinken, knijpen, komen, kopen, krijgen, krimpen, kruipen, kunnen, lachen, laden, laten, lesgeven, lezen, enzovoort. Deze volgt dezelfde structuur als hierboven.
Page 2: Infinitief, OVT, VD, Vertaling (vervolg en patroonherkenning)
Infinitief: dichtdoen
- OVT: deed dicht, deden
- VD: dichtgedaan
- Vertaling: fermer (porte)
Infinitief: doen
- OVT: deed, deden
- VD: gedaan
- Vertaling: faire
Infinitief: doorgaan / doorbrengen / doorgeven (selectie uit transcript)
- Doorgeven
- OVT: gaf door, gaven door
- VD: doorgegeven / gedaan
- Vertaling: transmettre
- Doorbrengen
- OVT: bracht(en) door
- VD: doorgebracht
- Vertaling: passer (séjourner)
Infinitief: dragen
- OVT: droeg(en)
- VD: gedragen
- Vertaling: porter
Infinitief: drinken
- OVT: dronk(en)
- VD: gedronken
- Vertaling: boire
Infinitief: dwingen
- OVT: dwong(en)
- VD: gedwongen
- Vertaling: forcer
Infinitief: eruitzien
- OVT: zag(en) eruit
- VD: eruitgezien
- Vertaling: avoir l'aspect, paraître
Infinitief: eten
- OVT: at(en)
- VD: gegeten
- Vertaling: manger
Infinitief: ervaren
- OVT: ervoer / ervoeren
- VD: ervaren / ervoeren
- Vertaling: vivre, ressentir
Infinitief: fluiten
- OVT: floot, floten
- VD: gefloten
- Vertaling: siffler
Infinitief: gaan
- OVT: ging, gingen
- VD: gegaan
- Vertaling: aller
Infinitief: gelden
- OVT: gold(en)
- VD: gegolden
- Vertaling: valoir
Infinitief: genezen
- OVT: genas, genazen
- VD: genezen
- Vertaling: guérir
Infinitief: genieten
- OVT: genoot, genoten
- VD: genoten
- Vertaling: profiter
Infinitief: geven
- OVT: gaf, gaven
- VD: gegeven
- Vertaling: donner
Infinitief: gieten
- OVT: goot, goten
- VD: gegoten
- Vertaling: verser
Infinitief: hangen
- OVT: hing(en)
- VD: gehangen
- Vertaling: hangen / pendre
Infinitief: helpen
- OVT: hielp(en)
- VD: geholpen
- Vertaling: aider
Infinitief: inschrijven
- OVT: schreef in
- VD: ingeschreven
- Vertaling: inscrire
Infinitief: houden
- OVT: hield(en)
- VD: gehouden
- Vertaling: aimer (van), tenir
Infinitief: kiezen
- OVT: koos, kozen
- VD: gekozen
- Vertaling: choisir
Infinitief: kijken
- OVT: keek, keken
- VD: gekeken
- Vertaling: regarder
Infinitief: klimmen
- OVT: klom(men)
- VD: geklommen
- Vertaling: grimper
Infinitief: klinken
- OVT: klonk(en)
- VD: geklonken
- Vertaling: sonner
Infinitief: knijpen
- OVT: kneep, knepen
- VD: geknepen
- Vertaling: pincer
Infinitief: komen
- OVT: kwam(en)
- VD: gekomen (zijn)
- Vertaling: venir
Infinitief: kopen
- OVT: kocht(en)
- VD: gekocht
- Vertaling: acheter
Infinitief: krijgen
- OVT: kreeg, kregen
- VD: gekregen
- Vertaling: recevoir
Infinitief: krimpen
- OVT: kromp, krompen
- VD: gekrompen
- Vertaling: rétrécir, se contracter
Infinitief: kruipen
- OVT: kroop, kropen
- VD: gekropen
- Vertaling: ramper
Infinitief: kunnen
- OVT: kon(den)
- VD: gekund
- Vertaling: pouvoir (capacité)
Infinitief: lachen
- OVT: lachte(n)
- VD: gelachen
- Vertaling: rire
Infinitief: laden
- OVT: laadde, laadden
- VD: geladen
- Vertaling: charger
Infinitief: laten
- OVT: liet(en)
- VD: gelaten
- Vertaling: laisser
Infinitief: lesgeven
- OVT: gaf les, gaven les
- VD: lesgegeven
- Vertaling: enseigner
Infinitief: lezen
- OVT: las, lazen
- VD: gelezen
- Vertaling: lire
Aantekening: Een aantal vertalingen in de Vertaling-kolom zijn Frans (bijv. "venir", "aller", "transmettre", "inscrire", etc.). Dit wijst op een meertalige gebruikscontext in het transcript.
Aandachtspunten bij studeren:
- Maak aparte flashcards per werkwoord met Infinitief | OVT (sing./pl.) | VD | Vertaling (Frans) | Uitleg van auxiliair (Hebben/Zijn) indien van toepassing.
- Let op veranderingen in stam bij OVT: veel vormen tonen onregelmatigheden zoals komt/kwam, ging/gaan, bood/boden, etc.
- Gemeenschappelijke irregulariteiten die vaak voorkomen in Nederlandse cursussen: stamveranderingen, ge- prefix bij VD, andere onregelmatige past tenses.
- Gebruik van zijn vs hebben als hulpwerkwoord in voltooid deelwoord – check of het werkwoord in beweging of verandering van toestand betreft (bijv. aankomen, komen, gaan, blijven, buitengaan, buitenkomen, etc.).
Formuleer oefenopgaven: schrijf 5-10 zinnen in de verleden tijd met elk van de geleerde irregular verbs om de meertalige vertaling en de juiste hulpwerkwoorden te oefenen.
Samenvatting van de structuur van de transcript: een uitgebreide tabel met Infinitief, OVT, VD en Vertaling (Frans) voor talrijke onregelmatige werkwoorden; sommige rijen bevatten extra notities in de oorspronkelijke taal (Frans/Engels) naast de Nederlandse vorm.
Appendix: Directe weergave van de verbijst lijst uit transcript (neem dit als referentie)
Infinitief: aanbieden; OVT: bood aan, boden; VD: aangeboden; Vertaling: offrir (to offer)
Infinitief: aandoen; OVT: deed aan, deden aan?; VD: aangedaan; Vertaling: s’adresser à / faire subir (context afhankelijk)
Infinitief: aankomen; OVT: kwam(en) aan; VD: aangekomen (zijn); Vertaling: arriver
Infinitief: aanspreken; OVT: sprak(en) aan; VD: aangesproken; Vertaling: s’adresser à qqun
Infinitief: aantrekken; OVT: trok(ken) aan; VD: aangetrokken; Vertaling: attirer
Infinitief: afspreken; OVT: sprak(en) af; VD: afgesproken; Vertaling: convenir (rdv)
Infinitief: afvragen (zich); OVT: vroeg(en) af; VD: afgevraagd; Vertaling: se demander
Infinitief: bakken; OVT: bakte(n); VD: gebakken; Vertaling: cuire
Infinitief: bedenken; OVT: bedacht(en); VD: bedacht; Vertaling: penser à / réfléchir
Infinitief: bedriegen; OVT: bedroog, bedrogen; VD: bedrogen; Vertaling: tromper quelqu’un
Infinitief: beginnen; OVT: begon(nen); VD: begonnen (zijn); Vertaling: commencer
Infinitief: begraven; OVT: begraaf, begroeven; VD: begraven (zijn/ hebben); Vertaling: enterrer
Infinitief: begrijpen; OVT: begreep, begrepen; VD: begrepen; Vertaling: comprendre
Infinitief: beschrijven; OVT: beschreef, beschreven; VD: beschreven; Vertaling: décrire
Infinitief: besluiten; OVT: besluit, besloten; VD: besloten; Vertaling: décider
Infinitief: bespreken; OVT: besprak(en); VD: besproken; Vertaling: discuter / examiner
Infinitief: bestaan; OVT: bestond(en); VD: bestaan; Vertaling: exister
Infinitief: bewegen; OVT: bewoog, bewogen; VD: bewogen; Vertaling: bouger
Infinitief: bezoeken; OVT: bezocht(en); VD: bezocht; Vertaling: visiter
Infinitief: bidden; OVT: bad; VD: gebeden; Vertaling: prier
Infinitief: binden; OVT: bond(en); VD: gebonden; Vertaling: lier
Infinitief: bijdragen; OVT: droeg(en) bij; VD: bijgedragen; Vertaling: contribuer
Infinitief: bijten; OVT: beet, beten; VD: gebeten; Vertaling: mordre
Infinitief: blazen; OVT: blies, bliezen; VD: geblazen; Vertaling: souffler
Infinitief: blijken; OVT: bleek, bleken; VD: gebleken; Vertaling: s’avérer
Infinitief: blijven; OVT: bleef, bleven; VD: gebleven; Vertaling: rester
Infinitief: breken; OVT: brak(en); VD: gebroken; Vertaling: casser
Infinitief: brengen; OVT: bracht(en); VD: gebracht; Vertaling: apporter
Infinitief: buigen; OVT: boog, bogen; VD: gebogen; Vertaling: buigen
Infinitief: buitengaan; OVT: ging(en) buiten; VD: buitengegaan; Vertaling: sortir
Infinitief: deelnemen; OVT: nam(en) deel; VD: deelgenomen; Vertaling: participer
Infinitief: denken; OVT: dacht(en); VD: gedacht; Vertaling: penser
Infinitief: eten; OVT: at(en); VD: gegeten; Vertaling: manger
Infinitief: ervaren; OVT: ervoer; VD: ervaren; Vertaling: éprouver / vivre
Infinitief: fluiten; OVT: floot, floten; VD: gefloten; Vertaling: siffler
Infinitief: gaan; OVT: ging, gingen; VD: gegaan; Vertaling: aller
Infinitief: gelden; OVT: gold(en); VD: gegolden; Vertaling: valoir
Infinitief: genezen; OVT: genas, genazen; VD: genezen; Vertaling: guérir
Infinitief: genieten; OVT: genoot, genoten; VD: genoten; Vertaling: profiter
Infinitief: geven; OVT: gaf, gaven; VD:gegeven; Vertaling: donner
Infinitief: gieten; OVT: goot, goten; VD: gegoten; Vertaling: verser
Infinitief: hangen; OVT: hing(en); VD: gehangen; Vertaling: hangen / pendre
Infinitief: helpen; OVT: hielp(en); VD: geholpen; Vertaling: aider
Infinitief: inschrijven; OVT: schreef in; VD: ingeschreven; Vertaling: inscrire
Infinitief: houden; OVT: hield(en); VD: gehouden; Vertaling: houden / aimer
Infinitief: kiezen; OVT: koos, kozen; VD: gekozen; Vertaling: choisir
Infinitief: kijken; OVT: keek, keken; VD: gekeken; Vertaling: regarder
Infinitief: klimmen; OVT: klom(men); VD: geklommen; Vertaling: grimper
Infinitief: klinken; OVT: klonk(en); VD: geklonken; Vertaling: sonner
Infinitief: knijpen; OVT: kneep, knepen; VD: geknepen; Vertaling: pincer
Infinitief: komen; OVT: kwam(en); VD: gekomen (zijn); Vertaling: venir
Infinitief: kopen; OVT: kocht(en); VD: gekocht; Vertaling: acheter
Infinitief: krijgen; OVT: kreeg, kregen; VD: gekregen; Vertaling: recevoir
Infinitief: krimpen; OVT: kromp, krompen; VD: gekrompen; Vertaling: rétrécir
Infinitief: kruipen; OVT: kroop, kropen; VD: gekropen; Vertaling: ramper
Infinitief: kunnen; OVT: kon(nen); VD: gekund; Vertaling: pouvoir
Infinitief: lachen; OVT: lachte(n); VD: gelachen; Vertaling: rire
Infinitief: laden; OVT: laadde, laadden; VD: geladen; Vertaling: charger
Infinitief: laten; OVT: liet(en); VD: gelaten; Vertaling: laisser
Infinitief: lesgeven; OVT: gaf les, gaven les; VD: lesgegeven; Vertaling: enseigner
Infinitief: lezen; OVT: las, lazen; VD: gelezen; Vertaling: lire
Opmerking: Deze lijst bevat veel vormen uit de transcriptie. Gebruik dit als een directe bron, maar controleer elke rij met betrouwbare conjugatietabellen wanneer je examenvoorbereiding doet, omdat sommige rijen variaties kunnen hebben afhankelijk van context (bijv. gebruik van zijn vs hebben in voltooid deelwoord).