Nask
Natuurkunde en Scheikunde H1 P.1 t/m 4
H.1.1
In de natuur- en scheikunde bestuderen natuur- en scheikundigen dingen die je om je heen kunt zien of horen of ruiken, de natuurverschijnselen.
Ze onderzoeken dingen die ze nog niet snappen en de resulaten van hun onderzoek worden gebruikt om een verklaring te bedenken. Er zijn overal verschillende natuurverschijnselen om ons heen.
(Zeven onderwerpen waar NaSk zich mee bezighoudt: elektriciteit, beweging, warmte, stoffen, geluid, krachten en licht.)
De verschijnselen, ontdekkingen en verklaringen uit de natuur- en scheikunde leveren kennis op om nieuwe producten te ontwikkelen.
Natuurkunde, scheikunde, biologie en wiskunde vallen onder de Exacte vakken. Bij deze vakken moet je kunnen rekenen. De eerste drie vakken vallen onder de natuurwetenschap omdat ze kijken naar de natuur om je heen.
H.1.2
Bij NaSk leer je deze kennis (de theorie) en doe je zelf onderzoek. Het experiment dat je in de les doet, noem je het Practicum.
In het practicumlokaal op je werktafel horen de volgende dingen:
Een waterkraan: je hebt water nodig om dingen af te koelen of te spoelen.
Een gaskraan: als je iets moet op warmen gebruik je een gasbrander en die werkt samen met een gaskraan.
Een stopcontact: je hebt die nodig als een onderzoek iets met elektriciteit bevat.
De belangrijkste veiligheidsregel zijn:
Luiste goed naar de docent en de TOA (technisch onderwijsassistent.)
Hou je aan de opdracht
(Als je met vuur werkt)
Draag een labjas en een veiligheid bril.
Draag je lang haar in een staart
Voor de veiligheid zijn er uit voorzorg aanwezig:
Labjassen : om je kleding en je huid te beschermen tegen gevaarlijke stoffen gebruik je een katoenen labjas;
Veiligheidsbrillen: om je ogen te beschermen tegen gevaarlijke stoffen draag je altijd een bril;
Veiligheidspictogrammen: om gevaar te herkennen. Tijdens een practicum gebruik je soms stoffen zoals benzine, azijn of chloor. Als zo’n stof gevaarlijk is, dan staat op de verpakking van die stof een veiligheidspictogram. Een veiligheidspictogram is een plaatje waar je aan kunt zien waarom die stof gevaarlijk is.
Als iets misgaat hebben we ook:
Blusdeken: Om een kleine brand te blussen en als kleding van een persoon brand leg je er een blusdeken erop.
Brandblusser: om een brand te blussen.
Oogdouche: Om een gevaarlijk stof uit je oog te spoelen.
Nooddouche: Om je huid te spoelen als een gevaarlijk stop erop is gekomen.
Noodstop: Om snel elektriciteit, water en gas op de tafels uit te schakelen.
Met de gastoevoer van de brander regel je de grootte van de vlam. Een vlam van ongeveer 10 cm hoog is goed. Met de luchtring verander je de kleur en de temperatuur van de vlam. Als de luchtring dicht is, dan is de vlam geel. Dit is veilig, omdat je de vlam dan meteen goed ziet. Je noemt dit de pauzevlam, die je gebruikt als je even niets aan het verwarmen bent. Deze vlam is niet geschikt om iets mee te verwarmen, omdat deze vlam roet geeft op voorwerpen die je erboven houdt.
Als de luchtring een beetje open is, dan is de vlam lichtblauw. Met deze vlam kun je iets verwarmen. Die vlam is erg warm (veel warmer dan de gele vlam) en niet zo goed te zien. Als je de luchtring nog verder opendraait, dan maakt de vlam geluid. Het geluid lijkt op het ruisen van de wind. Je noemt dit een ruisende vlam. Die vlam is nog warmer en je gebruikt hem ook om iets sneller te verhitten.
H.1.3
Een grootheid is een eigenschap die je kunt meten. Als je bijvoorbeeld bloem in gram meet, meet je de grootheid massa. Massa is hoe zwaar iets is. Als je bijvoorbeeld water in milliliters meet, meet je de grootheid volume. Volume is de hoeveelheid ruimte een stof inneemt. Als je iets telt meet je de grootheid aantal. Andere voorbeelden zijn: temperatuur, tijdsduur, lengte of afstand. Elk grootheid heeft een symbool dat je als afkorting voor die grootheid gebruikt. (Liter= L)
Als je een grootheid wilt meten heb je meestal een meetinstrument nodig. Er zijn verschillende meetinstrumenten afhankelijk van de grootheid die je wilt meten. De maat waarmee je een grootheid meet,
heet de eenheden.
Hoe nauwkeurig je kunt meten, hangt af van het schaaldeel op je meetinstrument. Een schaaldeel is de waarde tussen de twee streepjes op de schaalverdeling. De kleinste afstand die je kunt meten met een liniaal is 1 mm. De maximale waarde die je met een meetinstrument kunt meten is het meetbereik van het meetinstrument.
H.1.4
Onderzoek cyclus: stappen voor een onderzoek.
Situatie verkennen: het bedenken en voorbereiden van een experiment begint met het waarnemen van een verschijnsel.
Onderzoeksvraag opstellen: de onderzoeksvraag is de vraag die aangeeft wat je wilt onderzoeken. Onder je onderzoeksvraag zet je een hypothese (theorie). Een hypothese is een antwoord op je onderzoeksvraag die nog niet bewezen is of het goed is. Na je experiment kan je antwoord geven aan je onderzoeksvraag en controleren als je hypothese klopte of niet.
Experiment bedenken: Je bedenkt een werkplan: welke grootheden je gaat meten en welke waarnemingen je doet. Je werkplan is een stappenplan van hoe je het experiment gaat uitvoeren en wat je daarvoor nodig hebt.
Experiment uitvoeren: Wanneer je, je experiment uitvoert noteer je de waarnemingen van de metingen. Foutjes horen daar ook bij.
Resultaten uitwerken: Je metingen noteer je in een tabel, daarna werk je die uit in een diagram en de vloeiende lijn daarin in een grafiek. (Lijndiagram)
Conclusie trekken: Op basis van je resultraten trek jeen conclusie. Een conclusie is antwoord op je onderzoeksvraag. Het is meestal vrij kort.
Onderzoek presenteren: Van je onderzoek kan je een verslag maken. Daarin moet er in ieder geval de volgende 7 dingen in staan. = Titel, naam/klas/datum,onderzoeksvraag,hypothese,werkwijze,resultaten,conclusie.