Les 7: Kiessystemen en stemgedrag

Politicologie

Stefaan.walgrave@uantwerpen.be


Belang van verkiezingen

  • Essentie voor democratie: Verkiezingen zijn cruciaal voor een werkend democratisch systeem, maar niet voldoende op zichzelf.

    • Voorbeeld: In contexten zoals Irak en Afghanistan kunnen verkiezingen een nieuw regime of 'reset' in gang zetten.

Drie (vier) functies van verkiezingen
  1. Bepaling van machtsverhoudingen tussen partijen:

    • Beïnvloedt beleid met externe en interne gevolgen.

    • Voorbeeld van een interne gevolgen: een verliezende partijleider neemt vaak ontslag, tegenwoordig zelfs al bij slechte peilingen.

  2. Selectie van politiek personeel:

    • Inclusief kandidaten voor parlement, regering en binnen de partijen.

  3. Verwezenlijking van de ‘wil van het volk’:

    • Het is complex en meerduidig; bijvoorbeeld een coalitie kan de meerderheid behouden terwijl een andere partij wint en een andere verliest.

  4. Symbolische betekenis:

    • Verkiezingen worden soms gezien als een feest van de democratie.


Gevolg van het belang van verkiezingen

  • Dit belang leidt tot veel discussie over de manier waarop verkiezingen georganiseerd worden, zoals de kieskringopstelling in België, federale kieskring, en het kiescollege in de VS.

  • Verkiezingen kunnen op veel verschillende manieren worden georganiseerd, wat grote effecten heeft op de politieke systemen.

  • Voorbeelden van verschillen tussen landen:

    • België versus Groot-Brittannië en onderlinge verschillen.

    • Frankrijk nummers de ‘republieken’ van 1 tot 5 volgens wijzigingen in de grondwet, wat vaak leidt tot wijzigingen in het kiesstelsel.

Elementen van kiesstelsel
  1. Wie mag er stemmen?

  2. Plicht of recht?

  3. Hoe worden kandidaten geselecteerd?

  4. Verkiezingstechnieken: Hoe worden stemmen omgezet in zetels?

  5. Hoe worden verkozenen aangeduid?


(1) Wie mag er stemmen?

  • In een moderne democratie mag elke volwassen burger stemmen, echter de geschiedenis van stemrecht verschilt per land.

  • België:

    • Tot 1893 had men cijns- of capaciteitskiesrecht: stemrecht was enkel voor belastingbetalers of opgeleid personeel, waardoor er slechts 80.000 kiezers waren.

    • Tot 1918 was er algemeen meervoudig stemrecht, waar men een bijkomende stem kreeg op basis van diploma of opleiding, wat het aantal kiezers verhoogde tot 1.300.000.

    • Tot 1948 was er enkel enkelvoudig stemrecht voor mannen van 25 jaar of ouder.

    • Vanaf 1948 kregen ook vrouwen stemrecht, vanaf 21 jaar.

    • Vanaf 1981 werd de stemgerechtigde leeftijd verlaagd naar 18 jaar.

    • Vanaf 2004 ontstond het migrantenstemrecht, wat stemrecht verleent aan migranten die 5 jaar in België wonen.

    • Invoering van 16+ stemmen voor Europese verkiezingen vanaf 2024.


(2) Plicht, recht, registratie?

  • In België bestaat er een opkomstplicht (vroeger ook in Nederland).

    • In Nederland is deze plicht afgeschaft in 1971, wat leidde tot een daling van de opkomst.

  • Belgen hebben een opkomstpercentage van ongeveer 90%.

    • Voorbeeld: In juni 2024 was de opkomst 88,45%, maar er is een spectaculaire daling van 63,6% door de afschaffing van de opkomstplicht voor gemeenteraadsverkiezingen in 2024.

  • Argumenten voor en tegen registratie in sommige landen: er is geen automatische band tussen burgerschap en stemrecht, wat kan resulteren in een sterk dalende opkomst.


Voter Turnout per Land

  • Data toont turnout percentage van verschillende landen in Europa.

  • Voorbeeld van turnout percentages:

    • Malta: 92.1%

    • Luxembourg: 89.7%

    • Faroe Islands: 89.4%

    • België: 88.4% (bepaald recent percentage)

    • Aanzienlijke dalingen zijn vooral een onderwerp van zorg.


Opkomst daalt

  • Quasi overal is er een dalende trend in de opkomst bij verkiezingen, met fluctuaties.

  • Dit leidt tot vragen over de legitimiteit van verkiezingen: "Drukt het parlement nog de wil van het volk uit?"

    • Voorbeeld: de regering in Groot-Brittannië wordt gekozen door een kleine minderheid van de stemmen.

  • Oorzaken van de dalende opkomst:

    • Verminderde ideologische verschillen en daardoor kleinere inzet voor de kiezers.

    • Afhakers zijn voornamelijk jongeren die minder geneigd zijn om te stemmen.

    • Stemmen gebeurt uit burgerzin (morele plicht), deelname wordt niet als ‘rationeel’ gezien.

    • De soort kies- en partijstelsel (twee- vs. meerpartijstelsels): meer opkomst is vaak te zien in meerpartijstelsels.


Stemgedrag

  • Definitie: Stemgedrag is een belangrijke, zichtbare subdiscipline van politieke wetenschap.

  • Kiezers stemmen om verschillende redenen op partijen; het gaat niet alleen om inhoudelijke beleidsvoorkeuren.

  • Uitdagingen in het onderzoek:

    • Stemming is geheim en kan taboe zijn, waardoor accurate data moeilijk te verkrijgen zijn.

    • Vaak moeten kiezers achteraf bevraagd worden, wat leidt tot wenselijkheid, foutieve herinneringen of verkeerde inschattingen van eigen gedrag.

  • Complexiteit van stemgedrag: Het is een mix van oorzaken en motieven.

  • Methoden voor onderzoek incluyen: surveys en toevallige steekproeven achteraf of panelonderzoek vooraf.


Drie klassieke benaderingen van stemgedrag

  1. Collectieve belangen: Stemgedrag kan bepaald zijn door specifieke bevolkingsgroepen zoals religie, sociale klasse, en taal.

    • Dit sluit aan bij breuklijnen en kan als stabiel worden beschouwd, wat leidt tot groepssocialisatie en identificatie.

  2. Attitudes en waarden:

    • Ook stabiel. Bijvoorbeeld post-materialistische waarden kunnen invloed hebben op stemgedrag.

  3. Individuele belangen:

    • Kiezers maken een rationele afweging voor toekomstig beleid op basis van voor- en nadelen.

    • Voorwaarden voor deze benadering is dat kiezers voldoende informatie hebben.


Korte-termijn oorzaken van stemgedrag

  • Het belang van kandidaten en populariteit stijgt (mediagebruik).

  • Campagnes kunnen zich richten op zwevende kiezers.

  • De relevantie van issues kan variëren.

  • Toeval: onvoorziene gebeurtenissen kunnen het stemgedrag ook beïnvloeden.