Interactie atmosfeer – hydrosfeer: weer en klimaat

Planeet Aarde, portret van een dynamische planeet

1. Interactie atmosfeer – hydrosfeer

1.1 De zon als motor voor de energie in de atmosfeer
  • Reflectie + absorptie = ± 50%
  • Omzetting in warmte = ± 50%
  • Stralingsbalans
    • Warmtebalans
      • Instraling > uitstraling: 35° tot 90° N of S (warmteoverschot)
      • Instraling < uitstraling: 35°N tot 35°S (warmtetekort)
      • Herverdeling warmte door:
        • Luchtcirculatie (wind) (atmosfeer)
        • Zeestromen + waterkringloop (hydrosfeer)
1.1.1 Stralingsbalans en warmtebalans
1.1.2 Klimaatverandering
1.1.3 Factoren die de luchttemperatuur beïnvloeden
1.1.3.1 Culminatiehoogte als belangrijkste bepalende factor
  • Invallende hoek bij zelfde lichtbundel zorgt voor variatie in:
    • beschenen oppervlak
    • traject door atmosfeer (lichtintensiteit)
    • warmteomzetting verschilt, dus ook de temperatuur
  • Seizoenen worden bepaald door de hoek waaronder de zonnestralen invallen
  • Hoe kleiner de culminatiehoek, hoe lager de temperatuur
  • Hoe groter de culminatiehoek, hoe hoger de temperatuur
1.1.3.1 Andere veranderlijke oorzaken van temperatuurverschillen
  • Lissabon, Brussel, Reykjavik
    • culminatiehoogte en breedteligging
    • Hoe verder van de evenaar, hoe lager de zon aan de hemel (kleinere culminatiehoek)
    • Temperatuur daalt van evenaar richting de polen
  • culminatiehoogte en seizoenen + tijdstip op de dag
    • Culminatiehoogte ‘s zomers groter dan ‘s winters
    • Culminatiehoogte ‘s middags groter dan ‘s morgens
    • Temperatuur hoger in zomer en ‘s middags
    • !! vertraging in opwarming
1.1.3.2 Andere plaatsgebonden oorzaken van temperatuurverschillen
  • nog meer factoren spelen een rol
  • Isothermen volgen niet strikt de breedtegraden
  • Plaats, ligging, januari, juli, schommeling
    • Duinkerke (51°N 2°O): 4,1°C, 16,8°C, 12,7°C
    • Ukkel (51°N 4°O): 2,9°C, 18,3°C, 15,4°C
    • Keulen (51°N 7°O): 2,4°C, 18,4°C, 16°C
    • Kiew (50°N 30°O): -5,6°C, 19,3°C, 24,9°C
    • Charkow (50°N 36°O): -6,9°C, 20,3°C, 27,2°C
    • Oral (51°N 51°O): -13,4°C, 22,3°C, 35,7°C
    • ligging ten opzichte van zee/oceaan
      • Continentale gebieden
        • warme zomers
        • koude winters
        • licht snel omgezet in warmte
        • snelle uitstraling, weinig opslag
        • korte omzettijd
      • Maritieme gebieden
        • koele zomers
        • zachte winters
        • vertraagde afgifte, warmte langer vastgehouden
        • licht traag omgezet in warmte
        • lange omzettijd
  • zeestromen
  • hoogte
    • Hoe hoger, hoe kouder (0,6°C/100m-0,6°C/100m)
    • boomgrens
    • sneeuwgrens
  • hellingsgraad en oriëntatie van hellingen
    • Zuidgerichte helling:
      • Boom- en sneeuwgrens ligt hoger dan op noordgerichte helling
      • Andere gewasteelt (druiven)
  • bodem en vegetatie
    • T nat strand < T droog strand
    • T kalksteen < T asfalt
    • T bos < T open veld
    • Hangt af van albedo en vochtigheid
1.1.3.3 Andere veranderlijke oorzaken van temperatuurverschillen
  • bewolking
    • milderend effect van wolken
  • windrichting
    • westenwind
      • maritiem
    • noordenwind:
      • arctisch (zeer) koud
      • polair koud/koel
    • zuidenwind:
      • tropisch zacht (W) / warm (Z)
      • oostenwind
        • continentaal
        • W = zacht
        • Z = koel
        • W = koud
        • Z = warm
        • (W +Z) seizoensafhankelijk (W=winter, Z=zomer)
1.2 Warmtetransport in het oceaan-atmosfeersysteem: winden
1.2.1 Temperatuurverschillen veroorzaken luchtdrukverschillen
  • Zwaartekracht trekt dampkring aan
  • Luchtkolom oefent druk uit op aardoppervlak = luchtdruk
  • Hogere druk = maximum of anticycloon
  • Lagere druk = minimum of cyclonale storing of depressie
  • H L
  • isobaren = lijnen die plaatsen met zelfde luchtdruk verbinden
  • koud H neerwaartse beweging
  • warm L opwaartse beweging
  • wind
  • Temperatuurverschillen bepalen de verticale beweging van de lucht en dus de luchtdruk
  • luchtdrukverschillen veroorzaken de wind
  • circulatiecel
1.2.2 Windkracht en windrichting
  • Kleine drukverschilkracht
  • Grote drukverschilkracht
  • Hoe dichter de isobaren dicht bij elkaar, hoe groter de drukverschilkracht en hoe groter de windsnelheid
  • Zonder aardrotatie: wind waait recht van hoogste naar laagste druk (drukverschilkracht)
  • Met aardrotatie: ook Corioliskracht speelt mee: afbuiging naar rechts (NH) of links (ZH)
    • drukverschilkracht + Corioliskracht (NH naar rechts) = resulterende kracht: wind snijdt isobaren onder hoek
    • wind vertrekt in wijzerzin van H en waait in tegenwijzerzin naar kern van L
1.2.3 Algemene luchtcirculatie op aarde
1.2.3.1 De eenvoudige kringloop
  • Theoretisch circulatiemodel = 1 circulatiecel/halfrond
  • Temperatuur, Luchtdruk, Drukgebied
    • koud, hoog, Polair maximum
    • warm, laag, Equatoriaal minimum
  • Polair maximum = thermische drukgebieden
  • drukgebieden bepaald door de heersende temperatuur
1.2.3.2 Het model met 3 kringlopen
  • equatoriale stijgende lucht koelt af en beweegt richting noord of zuid
  • bij 30° N/S zakt zwaardere lucht: subtropisch maximum
  • subpolair minimum = dynamische drukgebieden
  • drukgebieden bepaald door de beweging van luchtlagen
  • luchtcirculatie op basis van 3 circulatiecellen
  • koude poolwind botst met warme lucht van de KK bij 60° breedtegraad
  • bij 60° N/S stijgt botsende warme lucht
  • warme lucht stijgt
  • afkoelende lucht daalt
  • botsende lucht stijgt
  • Afbuiging winden:
    • N-halfrond: naar rechts
    • Z-halfrond: naar links
  • Hadley cel
  • Ferrel cel
  • Polaire cel
  • koude lucht daalt
  • NO-passaat
  • ZO-passaat
  • ZW-wind
  • NW-wind
  • NO-wind
  • ZO-wind
  • Intertropische Convergentiezone (ITC(Z))
  • Frontzone
1.2.4 Van model naar realiteit
1.2.4.1 Verbrokkelen van de drukgordels
  • geen drukgordels, maar drukkernen
  • verschillende opwarming continent - oceaan
1.2.4.2 Verschuiving van de drukgordels
  • januari
    • equatoriaal minimum en ITCZ liggen zuidelijker
    • Grotere invloed van drukkernen van subpolair minimum (IJslandminimum)
  • juli
    • equatoriaal minimum en ITCZ liggen noordelijker
    • veroorzaakt door verschuiving in de zenitale zonnestand (januari – SKK / juli – KKK)
    • Grotere invloed van drukkernen van subtropisch maximum (Azorenmaximum)
1.2.4.3 De straalstroom
  • Polaire straalstroom
  • Subtropische straalstroom
1.3 Warmtetransport in het oceaan-atmosfeersysteem: zeestromen
1.3.1 Thermohaliene circulatie
  • Herverdeling warmte door winden + waterkringloop
  • zeestromen
    • windgedreven
    • dichtheidsgedreven
  • door dichtheidsverschillen aangedreven globale zeestroming
  • thermo = temperatuur
  • halien = zoutgehalte
  • Massadichtheid zeewater is grootst bij koud en zout water.
  • diepwaterpomp
  • opwelling
    • Koud en erg zout zeewater
  • THC is erg belangrijk in de klimaatregulatie op aarde (herverdeling van warmte) en van groot belang voor het West-Europese klimaat.
1.3.2 Windgedreven zeestromingen
1.4 Temperatuurverschillen leiden tot neerslagverschillen
  • Neerslagrijke gebieden: Lagedrukgebieden
  • Drogere gebieden: Hogedrukgebieden
  • Atlas: relatie drukgebieden en neerslag?
1.4.1 Condensatie – wolkenvorming – neerslag
  • AV = hoeveelheid waterdamp in g/m3 lucht (T)
  • T max LV
  • RV (in %) = AV bij Tmaximale LV bij T×100\frac{AV \text{ bij } T}{\text{maximale } LV \text{ bij } T} \times 100
  • T waarbij RV = 100% = dauwpunt
  • wolken + neerslag
  • maximale hoeveelheid waterdamp bij T = condensatie (op condensatiekernen)
  • RV > 100%
  • RV = 100%
  • RV < 100% (T > dauwpunt)
  • Verdamping (T < dauwpunt)
  • bij constante T: RV daalt
  • stijgende lucht = L-drukgebied
  • dalende lucht = H-drukgebied
  • bij constante AV:
  • Wat voor neerslag valt er?
    • sneeuw
    • ijsregen
    • ijzel
    • natte sneeuw
    • regen
1.4.2 Verband tussen drukzones en neerslagverdeling
  • Neerslagrijke gebieden: Subpolair minimum, Equatoriaal minimum
  • Drogere gebieden: Polair maximum, Subtropisch maximum
  • Lagedrukgebieden: evenaar en 60° breedte
  • Hogedrukgebieden: rond 30° breedte en de polen
  • convectieregens:
    • intense opwarming en verdamping in evenaarsgebied ] warme vochtige lucht stijgt en koelt af ] condensatie en neerslag
    • Bij loodrechte zonnestand: zenitale regens
    • stijgende lucht koelt af, RV zal stijgen, wolkenvorming en neerslag
    • verschuift met de seizoenen
    • ITCZ verschuift mee en loopt niet recht
  • stijgingsregens:
    • lucht wordt verplicht te stijgen aan de loefzijde van gebergtes
    • natte loefzijde
    • regen- schaduw
  • frontale / cyclonale regens:
    • door botsing van warme en koude lucht waarbij warme lucht gedwongen wordt om te stijgen
  • Verschuiving ITCZ zorgt voor ontstaan van moesson-systeem
    • Periodieke winden die om het half jaar 180° van richting veranderen en daardoor een andere luchtsoort aanvoeren (droog of nat)
    • Vooral merkbaar in Zuid- en Zuidoost-Azië (maar ook in o.a. Indonesië, N-Australië
    • Zomer-moesson: Regen- seizoen
    • Winter-moesson: Droog seizoen

2 Het West-Europese weer

2.1 Waarnemingen voor een weersverwachting
2.1.1 Waarnemingen uit de ruimte
  • Geostationaire satellieten
    • ± 36 000 km hoogte
    • snijpunt nulmeridiaan – evenaar (0°N 0°E)
  • Polaire satellieten
4.6 Waarnemingen voor een weersverwachting
4.6.1 Waarnemingen uit de ruimte
  • reflectie van zonnestralen/licht
  • detecteren T-verschillen
    • sterke reflectie (sneeuw – ijs – wolken)
    • weinig reflectie (oceaan – bos – land)
    • koudere opp (sneeuw – ijs – wolken)
    • warmere opp (land – water)
  • IR
    • W = Z =
  • VIS
    • zonnig?
    • bewolkt?
  • Vb. B, L, NL, D, DK, E, P …
  • Vb. IRL, GB, N, S, FIN, I, GR …
  • Alpen / Pyreneeën?
    • besneeuwde toppen = grote reflectie
4.6.2 Van satellietbeeld naar weerkaart
4.6.3 Waarnemingen op aarde
4.7 Verschillende weersituaties in West-Europa
4.7.1 Het weer bij de doortocht van een frontale depressie
  • warme lucht = lichter stijgt boven de koude lucht
  • storing of front
  • warme en koude lucht mengen niet makkelijk
  • koudere lucht kruipt onder warmere lucht = koufront
  • warmere lucht stijgt boven koudere lucht = warmtefront
  • koufront beweegt sneller en haalt warmtefront in = occlusiefront
  • warme sector
  • doortocht warmtefront
    • warme lucht stijgt boven koude lucht
    • warme vochtige lucht koelt af
    • RV stijgt boven 100%
    • condensatie - wolkenvorming
    • neerslag (regen of motregen)
    • rustig front
  • doortocht koufront
    • koude lucht kruipt onder warme lucht
    • warme vochtige lucht wordt snel omhoog geduwd en koelt af
    • RV stijgt, >100% - wolkenvorming
    • neerslag (hevig, onweer, hagel…)
    • onstuimig front
  • doortocht occlusiefront
    • koufront beweegt sneller dan warmtefront
    • warme sector wordt kleiner
    • koude lucht achter koufront ontmoet koelere lucht voor warmtefront
    • lucht warme sector wordt omhoog geduwd en koelt snel af
    • condensatie - wolkenvorming
    • Hevige en/of langdurige neerslag als front blijft hangen