5.III NIET-MENDELIAANSE OVERERVING
TRIPLET REPEATS
“merkers” komen vaak voor (niet in genen), maar meestal geen effect
enkele uitzonderingen — triplet repeat expansies;
Fragile X — CGG repeat

meer CGG-herhalingen (n>50) → grotere kans op methylatie van de CpG-eilanden in de promotor van het FMR1-gen
methylatie maakt het DNA compacter, vermindert de acetylering van histonen en leidt tot inactivatie van de promotor
→ geen transcriptie van het FMR1-gen mogelijk, wat de symptomen van Fragile X veroorzaakt
Steinert — CTG repeat

andere voorbeelden;

kenmerken die toepasbaar zijn op alle bovenstaande triplet expansies;
dynamische mutatie = mutatie verandert in de tijd door repeat expansie; tijdens mitose en/of meiose kunnen repeats expanderen
anticipatie = fenotype wordt steeds ernstiger en komt vroeger tot uiting bij opeenvolgende generaties
GESLACHTSGEBONDEN OVERERVING
mannelijke lethaliteit
dominant X-gebonden
vb. Rett syndroom
aandoening lethaal bij mannen, tenzij
man met XXY (Klinefelter), waarvan één random geïnactiveerd
hypomorf = MECP2 wordt gevormd, maar niet 100% functioneel
(skewed) X-inactivatie
= ziekte-manifestaties in vrouwelijke draagsters voor X-gebonden aandoeningen
genen in pseudoautosomale regio’s (PAR1 en PAR2) ontsnappen aan X-inactivatie
MOZAÏCISME
somatisch
= aanwezigheid van 2 verschillende cellijnen in een individu, afkomstig van eenzelfde zygoot
mutatie tijdens celdeling;
verschillen: punt mutaties, chromosoomafwijkingen, …
fenotype: afhankelijk van de weefseldistributie van de genetische afwijking
gonaden kunnen al dan niet getroffen zijn, en dus al dan niet mogelijk doorgegeven
gonadaal/germinaal
= mozaïcisme beperkt tot de gonaden (testes of ovaria)
hogere frequentie bij oudere vaders
vb. dominante aandoening
mutatie niet aantoonbaar bij vader, maar 2 kinderen: identiek defect
PSEUDODOMINANTIE
IMPRINTING
= slechts één kopie v/e gen is actief, gen v/d andere ouder is epigenetisch inactief gemaakt
komt voor bij 100 à 200 genen v/d 20.000 genen v/h menselijk genoom
is dus een normaal proces voor die groep genen, maar als je bovendien een deletie hebt van het andere “actieve” gen dan heb je geen werkende variant meer → aandoening
random
vb. X-inactivatie bij vrouwen
niet-random/geprogrammeerd
steeds hetzelfde allel (maternaal of paternaal) is actief of inactief, afhankelijk van het gen

mechanisme
onderdrukte allel is gemethyleerd in de imprint control region (ICR).
methylatie zorgt ervoor dat het betreffende gen niet wordt getranscribeerd
= mono-allelische expressie
gevaar; mutatie of deletie i/h actieve allel → geen back-up v/h andere allel → ziekte/aandoening!!
wordt doorgegeven via eicellen of zaadcellen
Prader-Willi vs Angelman syndroom
beide syndromen kunnen op 2 manieren ontstaan;
genomic imprinting + 15q11.2q13 deletion
genomic imprinting + UPD = uni parentale disomie
Prader-Willi; paternaal allel zou actief moeten zijn
deletie paternaal allel

door genomic imprinting wordt (bij dit gen) het maternaal allel steeds epigenetisch “uitgeschakeld”, wat een normaal proces is
alleen vond er nu ook op het paternaal allel een deletie plaats
bijgevolg is er dus geen actief gen meer aanwezig → aandoening
maternaal UPD

door genomic imprinting wordt (bij dit gen) het maternaal allel steeds epigenetisch “uitgeschakeld”, wat een normaal proces is
alleen hebben we nu ook te maken met UPD; in dit geval kwamen 2 allelen van de moeder en werd het allel v/d vader door “trisomic rescue” uitgestoten
bijgevolg is er dus geen actief gen meer aanwezig → aandoening
Angelman; maternaal allel zou actief moeten zijn
deletie maternaal allel

door genomic imprinting wordt (bij dit gen) het paternaal allel steeds epigenetisch “uitgeschakeld”, wat een normaal proces is
alleen vond er nu ook op het maternaal allel een deletie plaats
bijgevolg is er dus geen actief gen meer aanwezig → aandoening
paternaal UPD

door genomic imprinting wordt (bij dit gen) het paternaal allel steeds epigenetisch “uitgeschakeld”, wat een normaal proces is
alleen hebben we nu ook te maken met UPD; in dit geval kwamen 2 allelen van de vader en werd het allel v/d moeder door “trisomic rescue” uitgestoten
bijgevolg is er dus geen actief gen meer aanwezig → aandoening
imprinting + deletie
2 allelen, elke van een andere ouder;
ene allel geïmprint (= inactief)
andere allel ontbreekt (door deletie)
gevolg; geen functioneel gen → ziekte/aandoening
50% kans op doorgeven
opm; als het zich bevindt op een geslachtschromosoom, speelt ook het geslacht een rol
opm; moeder op zoon of vader op dochter kan leiden tot “wisseling van syndroom”, afhankelijk van welke ouder het gen doorgeeft en welk allel actief zou moeten zijn
imprinting + UPD = uni parentale disomie
2 allelen komen van dezelfde ouder;
zaadcel/eicel heeft 2 chromosomen (ipv 1); non-disjunctie meiose
bevruchte eicel heeft trisomie (3 allelen, waarvan een dubbele)
natuur probeert dit te herstellen door er willekeurig één v/d drie uit te stoten (trisomic rescue), kan toevallig het ene zijn waar er geen dubbel van aanwezig was én bij imprinting maakt de oorsprong uit!!
UPD ontstaat meestal tijdens bevruchting/vroege celdeling (postzygotisch)
het is enkel aanwezig in de lichaamscellen, niet i/d gonaden
niet erfelijk; ~0% kans op doorgeven v/d aandoening aan de volgende generatie
opm; de fout die leidde tot de trisomie kan eventueel wél een herhalingsrisico geven, afhankelijk van de oorzaak
MITOCHONDRIALE OVERERVING
verschilt sterk van nucleair DNA
(bijna) elke cel heeft mitochondriën;
# is sterk afhankelijk v/h energieverbruik, 100’en tot 100.000’en
elk mitochondrium bevat enkele kopiën v/h (circulair) mtDNA
afhankelijk van homo-/heteroplasmie zijn ze al dan niet allemaal identiek
hoofdzakelijk aangetaste organen: spieren, hart, hersenen …
kenmerken: diabetes en lactaat acidose
ziekte-ernst: mutatie type en aantal van mutante mtDNA per cel
enkel moeder kan doorgeven aan zonen én dochters, maar hoeft niet per se aan al haar kinderen door te geven; verklaring homo- vs heteroplasmie
homoplasmie = alle mtDNA zijn identiek, dus allemaal normaal of allemaal aangetast wat kan leiden tot ernstig aandoeningen
heteroplasmie = niet alle mtDNA zijn identiek, dus bepaalde zijn aangetast en anderen dan weer niet
overerfbaar!! (itt somatisch mozaïcisme)
disease threshold afhankelijk van;
variant
weefsel
individu

bottle neck
bij oögonia
random selectie
