Het verhaal van een taal - een geschiedenis vh Nederlands

Het verhaal van een taal – een geschiedenis van het Nederlands

1. Een voorouder van het Nederlands: het Indo-Europees

  • Ligging: Kaspische Zee.

  • Eerste veranderingen: Klemtonen en medeklinkers anders uitspreken.

  • Geen Germaanse talen door opmars Romeinen (Romaanse talen).

  • Taalgrens tussen Vlaanderen en Wallonië: 6e – 7e eeuw.

2. Het Oudnederlands (800 – 1150)

  • Vanaf 9e eeuw: verzameling stads- en streekdialecten.

  • Algemeen Nederlands: naast Latijn (belang voor kerstening, verspreiding van het christendom).

    • Latijn = wetenschap, onderwijs, bestuursteksten.

    • Hoge ontwikkelingsniveau onder kleine elite; Normaal volk gebruikt Oudnederlands (geen eenheidstaal, een mengeling van Oudnederfrankisch dialect, Oudsaksische en Ingeweoonse invloeden).

  • Christendom leidt tot belang van geschreven woord:

    • Germaanse cultuur voordien enkel mondeling (schrift: runentekens).

    • Schrijven wordt belangrijk voor wapens en monumenten.

2.1 Overgeleverde teksten in het Oudnederlands

  • Vertellerscultuur: gewone man kon niet schrijven, alleen elite in Latijn.

  • Tot 11e eeuw weinig teksten; veel verloren door oorlog, brand, en overstroming.

  • Wél woorden overgeleverd vanaf 5e eeuw Oudnederlands:

    • Toponiemen (plaatsnamen).

    • Persoonsnamen.

    • Losse woorden.

    • Glossen (verklarende aantekeningen in Latijnse teksten).

  • Oudste Nederlandse literaire tekst: Probatio Pennae (liefdesversje).

  • Oudste Nederlandse zin: I Malbergse Glossen (uit Lex Salica, Latijnse wettekst uit 6e eeuw, opgetekend door Clovis, Merovingische koning).

    • Vertalingen van Latijn toegevoegd voor normaal man.

  • Overgang van Oud naar Middel: cesuur = verdoffing van heldere einduitgang.

3. Het Middelnederlands (1150 – 1500)

  • Latijn blijft belangrijk voor internationale contacten en kerk, maar opmars van het Nederlands.

3.1 De overgeleverde teksten van het Middelnederlands

  • Twee soorten teksten:a) Ambtelijke teksten, bijvoorbeeld belastingbrieven:

    • Lokaliseerbaar en dateerbaar.

    • Lokaal gebruikt = lokale dialecten, originele stukken = geen kopieën en overschrijffouten. b) Literaire teksten.

3.2 De volkstaal

  • Diets als verzamelnaam voor verschillende dialecten.

  • Groei van steden leidt tot concentratie van mensen die geen Latijn konden.

  • Staatsbestuur moest communiceren met mensen, dus gebruik van de volkstaal.

  • Latijn voor wetenschap en religie; Nederlands voor ambtenarij en literatuur.

  • 14e – 15e eeuw: meer eenheid door:a) Politieke eenheid, contact tussen gewesten neemt toe.b) Handelscontacten.c) Culturele contacten.d) Grotere mobiliteit.e) Verstedelijking.f) Boekdrukkunst (1450) zorgt voor groter publiek en eenheid in schrijfwijze.

  • Eind 15e eeuw: begin standaardisering -> ontstaan van Algemeen Nederlands (nog lang niet bereikt).

  • Overgang van Middel naar Nieuw: cesuur = tweeklank uitgesproken /ie/ naar /ei/.

4. Nieuwnederlands (1500 – Nu)

4.1 Het vroege Nieuwnederlands: een overgangsperiode (16e eeuw)

  • Tweede helft 16e eeuw: Spaanse overheersing in de Zuidelijke Nederlanden leidt tot algemene onvrede.

  • Steden en adel in verzet tegen Madrid onder leiding van Willem Van Oranje.

  • Scheiding Noord en Zuid:

    • Noorden -> onafhankelijk.

    • Zuiden -> blijft in Spaanse handen.

  • Verzet in het Zuiden groeit door nieuwe ideeën van de reformatie van Luther en Calvijn.

    • Spaanse vervolging en de beeldenstorm (1566) met vernielingen van katholieke heiligdommen.

    • 1568: Tachtigjarige oorlog begint, Antwerpen valt 1585 in handen van Spanje.

    • Migratiestroom, economische, politieke en culturele ontwikkelingen in Holland Vergeleken met Antwerpen.

    • Populatie van Holland groeit snel, leidt tot taalvermenging.

    • Opbloeiende economie en cultuur in het Noorden -> Gouden Eeuw.

    • Brugge (14e eeuw) was handelscentrum -> Vlaams; Antwerpen (15e – 16e eeuw) neemt het over -> Brabants.

4.2 De 17e eeuw: de bouw van een standaardtaal

  • Amsterdam bloeit op; eenheidstaal ontwikkelt zich verder met invloed van Vlaanderen en Brabant.

    • Vlaanderen en Brabant waren rijk; ambtenaren willen dit nabootsen.

  • Invloeden op standaardisering: a) Simon Stevin - belangrijk: eigen woorden voor ontwikkeling ipv leenwoorden; nieuwe woorden zoals driehoek, passer, wiskunde.b) Statenbijbel: eerste officiële Bijbelvertaling.

    • Rechte vertaling uit de grondtaal (Grieks, Hebreeuws).

    • Instructies: dichtbij oorspronkelijke tekst blijven, algemeen aanvaardbare taal gebruiken.

    • 24 vertalers vanuit verschillende gewesten.

    • Invloed op woordkeuze van volk: veel Zuid-Nederlandse woorden, neologismen, Hebraïsmes, nieuwe gezegden en uitdrukkingen.

    • Legt de gemeenschappelijke basis voor eenheidstaal.

  • Standaardiseringsproces: a) Selectie: taalvariëteiten worden geselecteerd als basis.

    • Variëteiten van groep met politieke, economische, culturele overwicht.

    • Dialect met meeste prestige.b) Codificatie: normen en regels vastleggen (spelling, grammatica, woordenboek).

    • 16e eeuw nieuw verschijnsel.

    c) Functie-uitbreiding: moedertaal ontwikkelt voor gebruik op nieuwe domeinen.d) Acceptatie: gemeenschap moet aanvaarden en erkennen (bv. via Statenbijbel).

4.3 De 18e eeuw

  • Schrijftaal wordt gereglementeerd.

    • Taalnormen bepaald door grote auteurs en het taalverleden.

    • Standaardtaal in ontwikkeling in het Zuiden met verfransing.

      • Kloof met de gewone volk groeit.

      • Ontstaan sociale taalgrens.

    • Volkstaal nog gebruikt door rederijkerskamers en parochiegeestelijke.

      • Ongeschoolde en Franskundigen massa benaderen in Frankrijk.

    • Nieuwe taalwetten:

      • Frans = overheidstaal; problemen voor gewone volk.

      • Rechtspraak en officiële documenten in het Frans.

      • Enkel lager onderwijs in het Nederlands (kwaliteit laag).

      • Gewoon volk blijft Vlaamse dialecten spreken.

4.4 De 19e eeuw

  • 1815: Noord en Zuid Nederlanden worden het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden onder Willem I.

    • 1 volk = 1 taal = Nederlands, MAAR Vlaamse elite spreekt Frans.

    • Vlaamse mensen spreken Vlaamse dialecten.

    • Geen gevoel van gemeenschappelijk Nederlands; Zuiden: vijandig.

    • Opstanden + onafhankelijkheid van België (1830):

      • Economisch zwaartepunt verplaatst naar Wallonië; adel ambtenarij, hoge clerus en overheid spreekt Frans.

      • 15 jaar onder Willem I = belang voor onze taal.

      • Pioniers gevormd (ijveren voor vernederlandsing van Vlaanderen).

    • Twee strekkingen in de Vlaamse beweging: a) Particularisten -> Eigen Vlaamse taal + spelling. b) Integrationisten -> Overname van Nederlands uit het Noordelijke gebied.

4.5 De 20ste eeuw

  • Nederlands erkend in 1898, maar pas in 1910 in onderwijs.

  • 1930: Eerste Nederlandstalige universiteit (Gent).

  • Na WOII: Wallonië = eentalig; Vlaanderen = tweetalig.

    • Nederlands minder prestigieus.

    • Ijveren voor eentalig Vlaanderen.

  • 1962: taalgrens stelt Vlaanderen eentalig.

  • Ontwikkeling van de Nederlandse cultuur: zowel Vlaams als Nederlands.

    • 1954: Woordenlijst van de Nederlandse taal (in opdrachtBelgië en Nederland).

    • 9 september 1980: Verdrag de Nederlandse Taalunie.

    • Groene boekje met spellingsregels.

4.6 De 21ste eeuw

4.6.1 Taalvariëteiten en standaardtaal
  • Taalvariëteit: de taal van een onderscheiden groep binnen een taalgemeenschap.

    • Kan van regionale, sociale, etnische of situationele aard zijn.

  • Nederlands = pluricentrische taal; verschillen per gebied/land met eigen norm (Vlaanderen, Nederland, Suriname).

    • Drie variëteiten:

      • Nederlands Nederlands.

      • Belgisch Nederlands.

      • Surinaams Nederlands.

  • Nationale varianten van het Standaardnederlands.

4.6.2 Het continuüm van dialect tot standaardtaal
  • Dialect: regionale variëteit van het Nederlands.

  • Verlies van bruikbaarheid en typische kenmerken; functie en structuurverlies.

  • Nadelen ten opzichte van standaardtaal:a) Taalkundig: tekort bij naamgeving nieuwe dingen.b) Economisch: voldoet niet voor werk buiten eigen gebied.c) Communicatief: verkleint het bereik van mensen die je begrijpt. d) Sociaal: minder prestige; AN is statussymbool.

  • Verlies van dialect leidt naar regiolect naar tussentaal: nette taal van Vlaamse dialectsprekers die AN niet kunnen of willen spreken.

  • Marginalisering van gesproken AN en dialect -> sterk Brabants-Antwerps gekleurde omgangstaal.

  • Kenmerken:

    • Eindklank valt weg.

    • Lid- en van-woorden worden verbogen.

    • Verkleinwoorden op -ke zijn niet gemakkelijk af te bakenen.