Chinees les 1 t/m 23 chinees naar nl
我 ik
你 jij
他 hij
她 zij
叫 heten
好 goed
吗 vraagwoord (vraagteken)
呢 vraagwoord (en hoe zit het met…)
不 niet
很 heel
你好 hallo
你好吗? Hoe gaat het?
我很好。 Met mij gaat het goed.
我不好。 Met mij gaat het niet goed.
你呢? En jij?
多 veel
大 groot
多大 hoe oud
岁 jaar (van leeftijd)
喜欢 leuk vinden
再见 tot ziens
什么 wat
可乐 cola
他喜欢她。 Hij vindt haar leuk.
我喜欢你。 Ik vind je leuk.
你多大? Hoe oud ben jij?
他多大? Hoe oud is hij?
我十三岁。 Ik ben 13 jaar.
你叫什么? Hoe heet jij?
你喜欢什么? Wat vind jij leuk?
很 heel
中国 China
中 midden
国 land
美国 Amerika
美 mooi
荷兰 Nederland
人 mens
中国人 Chinees
美国人 Amerikaan
荷兰人 Nederlander
西班牙 Spanje
西班牙人 Spanjaard
我很喜欢荷兰。 Ik vind Nederland erg leuk.
她很美。 Zij is mooi.
他很不喜欢美国。 Hij vindt Amerika helemaal niet leuk.
是 zijn
不是 niet zijn
我们 wij
你们 jullie
他们 zij (meervoud mannen)
她们 zij (meervoud vrouwen)
老师 docent
老 oud
学生 leerling
您 u
哈哈 haha
我们不是美国人。 Wij zijn geen Amerikanen.
我是荷兰人。 Ik ben Nederlands.
老师好! Hallo docent!
他们是学生吗? Zijn zij leerlingen?
您不是老师吗? Bent u geen docent?
今天 vandaag
明天 morgen
几 hoeveel
月 maand
几月 hoeveelste maand
号 nummer
几号 hoeveelste (dag) van de maand
昨天 gisteren
今天是几月几号? De hoeveelste is het vandaag?
明天是几月几号? De hoeveelste is het morgen?
今天是五月十九号。 Vandaag is het 19 mei.
明天是六月一号吗? Is het morgen 1 juni?
的 "van"
我的 mijn
你的 jouw
他的 zijn
她的 haar
我们的 onze
你们的 jullie
他们的 hun
生日 verjaardag
日 dag
快乐 gelukkig
对 juist
不对 onjuist
谢谢 dankjewel
祝 toewensen
今天是我的生日。 Vandaag is mijn verjaardag.
你的生日是几月几号? Wanneer is jouw verjaardag?
明天是你的生日吗? Is morgen jouw verjaardag?
生日快乐! Fijne verjaardag!
对不对? Waar of niet?
今天是三月一号,对吗? Vandaag is het 1 maart, klopt dat?
学 leren
也 ook
文 taal
中文 Chinese taal
荷兰文 Nederlandse taal
和 en
历史 geschiedenis
地理 aardrijkskunde
德文 Duitse taal
西班牙文 Spaanse taal
你学荷兰文吗? Leer jij Nederlands?
我也学中文。 Ik leer ook Chinees.
我的荷兰文不好。 Mijn Nederlands is niet goed.
你是中文学生吗? Ben jij een leerling Chinees?
你是中国学生吗? Ben jij een Chinese leerling?
我喜欢学中文。 Ik houd van Chinees leren.
会 kunnen
说 spreken
日文 Japanse taal
法文 Franse taal
法国 Frankrijk
法国人 Fransman
英文 Engelse taal
英国 Engeland
英国人 Engelsman
语言 taal
日语 Japanse taal
法语 Franse taal
英语 Engelse taal
荷兰语 Nederlandse taal
日本 Japan
西班牙语 Spaanse taal
您会说英文吗? Kunt u Engels spreken?
我的法文不好。 Mijn Frans is niet goed.
法国人会说英文吗? Kunnen Fransen Engels spreken?
我不会说日文。 Ik kan geen Japans spreken.
我是日本人。 Ik ben een Japanner.
你会说什么语言? Wat voor talen spreek je?
哥哥 oudere broer
姐姐 oudere zus
弟弟 broertje
妹妹 zusje
名字 naam
可是 maar
有 hebben
没有 niet hebben
跳舞 dansen
兄弟姐妹
broertjes en zusjes
你叫什么? Hoe heet jij?
你叫什么名字? Wat is jouw naam?
你哥哥叫什么名字? Hoe heet jouw broer?
姐姐会说法文,可是我不会。 Mijn zus kan Frans spreken, maar ik kan het niet.
我有弟弟。 Ik heb een broertje.
我没有妹妹。 Ik heb geen zusje.
你有没有弟弟? Heb je een broertje?
你是不是学生? Ben jij een leerling?
有 hebben
没有 niet hebben
跳舞 dansen
兄弟姐妹 broertjes en zusjes
家 huis / gezin
家人 familieleden
爸爸 vader
妈妈 moeder
个 stuk (klassewoord)
只 klassewoord voor dieren
小 klein
猫 kat
狗 hond
父母 ouders
可爱 schattig
哪 welk
手机 mobiel
号码 nummer
谁 wie
朋友 vriend
男 man
男朋友 vriendje
女 vrouw
女朋友 vriendinnetje
给 geven
拜拜 doei
现在 nu
点钟 uur
分钟 minuut
两 twee (van iets)
半 half
刻 kwartier
知道 weten
零 nul
吃饭 eten
吃… …eten
饭 voedsel
好吃 lekker (eten)
喝 drinken
好喝 lekker (drinken)
米饭 rijst
包子 baozi
面包 brood
面 noodles
牛 koe
肉 vlees
茶 thee
牛肉 rundvlees
咖啡 koffie
鸡肉 kip
牛奶 (koe)melk
头 klassewoord voor koeien
羊肉 lamsvlees
羊肉串儿 lamsvleesspiesje
烤鸭 Pekingeend
公斤 kilo
要 willen
位 klassewoord voor mensen (beleefd)
位子 (zit)plaats; plek
请 alsjeblieft; trakteren
打包 take away
菜单 menukaart
点菜 eten bestellen
点 bestellen
菜 gerecht; groente
鱼 vis
条 klassewoord voor vissen
三文鱼 zalm
虾 garnaal
服务员 ober; serveerster 坐 zitten
稍等 even wachten
没事儿 geeft niks
杯 beker / glas / kopje
水 water
多少 hoeveel
多 veel
少 weinig
块 munteenheid
钱 geld
百 honderd
千 duizend
买单 de rekening
元 Chinese munteenheid
马上来 komt er aan
辣 pittig
酸 zuur
甜 zoet
汤 soep
糖 snoep
蔬菜 groente
水果 fruit
鸡蛋 ei
蛋糕 taart
慢慢吃 Eet smakelijk
多少钱? Hoeveel kost het?
买 kopen
这 deze / dit
那 die / dat
本 klassewoord voor boeken
看书 een boek lezen
看 kijken
书 boek
书店 boekwinkel
贵 duur
太…了 te
天 dag / hemel
便宜 goedkoop
最低 laagst / minimum
你喜欢看书吗? Houd je van lezen?
那本书多少钱? Hoeveel kost dat boek?
我要买一本书。 Ik wil een boek kopen.
这个很好。 Deze is heel goed.
这是你的书。 Dit is jouw boek.
那不是我的书。 Dat is niet mijn boek.
我要买飞机票。 Ik wil een vliegticket kopen.
北京 Peking
北京人 iemand uit Peking
北 noord
京 hoofdstad
上海 Shanghai
上海人 iemand uit Shanghai
西 west
南 zuid
东 oost
什么时候 wanneer
去 gaan naar
飞机 vliegtuig
票 ticket
坐 nemen (voertuig)
欧元 euro
西安 Xi'an
南京 Nanjing
东京 Tokio
机场 vliegveld
妈妈什么时候去? Wanneer gaat moeder?
你什么时候去中国? Wanneer ga je naar China?
我明天去中国。 Ik ga morgen naar China.
北京大吗? Is Beijing groot?
我不要去上海。 Ik wil niet naar Shanghai.
我爸爸是北京人。 Mijn vader komt uit Beijing.
明天九点办哥哥坐飞机。 Morgen om 9:30 neemt mijn broer het vliegtuig.
哪儿 waar (vraagwoord)
学校 school
住 wonen
在 in / zich bevinden in
这儿 hier
那儿 daar
姓 heten (van achternaam)
您贵姓? Wat is uw achternaam?
为什么 waarom
鹿特丹 Rotterdam
阿姆斯特丹 Amsterdam
海牙 Den Haag
羊角村 Giethoorn
巴黎 Parijs
柏林 Berlijn
安特卫普 Antwerpen
纽约 New York
你住在哪儿? Waar woon je?
我住在这儿。 Ik woon hier.
你的学校在哪儿? Waar is je school?
你什么时候去学校? Wanneer ga je naar school?
我八点钟去学校。 Ik ga om 8 uur naar school.
他在哪儿? Waar is hij?
他在那儿! Hij is daar!
昨天 gisteren
前天 eergisteren
后天 overmorgen
早上 ochtend
早 vroeg / goedemorgen
下午 middag
中午 tussen de middag
晚上 avond
晚 laat
给…打电话 bellen
打 slaan
电话 telefoon
还 nog
明天见! Tot morgen!
半夜 middernacht
我明天给你打电话。 Ik bel je morgen.
我还喜欢他。 Ik vind hem nog leuk.
他还在。 Hij is er nog.
早上好! Goedemorgen!
我很早去学校。 Ik ga heel vroeg naar school.
你的电话号码是什么? Wat is je nummer?
孩子 kind
儿子 zoon
女儿 dochter
年 jaar
前年 twee jaar geleden
去年 vorig jaar
今年 dit jaar
明年 volgend jaar
后年 over twee jaar
上 boven / vorige
下 onder / volgende
星期 week
上个星期 vorige week
下个星期 volgende week
星期一 maandag
星期二 dinsdag
星期三
woensdag
星期四 donderdag
星期五 vrijdag
星期六 zaterdag
星期日 zondag
星期天 zondag
为什么? waarom?
因为…所以… omdat…daarom…
数学 wiskunde
你有两个孩子吗? Heb jij twee kinderen?
我有一个儿子和一个女儿。 Ik heb een zoon en een dochter.
你要孩子吗? Wil jij kinderen?
我今年二十七岁。 Ik ben 27 jaar.
我明年去。 Ik ga volgend jaar.
我下个星期去。 Ik ga volgende week.
我星期三去。 Ik ga woensdag.
你为什么不去? Waarom ga je niet?
鞋子 schoenen
鞋号 schoenmaat
号 maat
双 paar (klassewoord schoenen)
觉得 vinden / van mening zijn
怎么样 hoe zit het met
漂亮 mooi
试 (uit)proberen
吧 markeert suggestie / voorstel
颜色 kleur
蓝色 blauw
红色 rood
黄色 geel
绿色 groen
黑色 zwart
白色 wit
棕色 bruin
粉红色 roze
桔红色 oranje
新 nieuw
件 exemplaar (klassewoord kleding)
衣服 kleding
毛衣 trui
条 klassewoord voor broeken
裤子 broek
卖 verkopen
怎么卖? Hoeveel kost het?
便宜 goedkoop
一点儿 een beetje
可以 kunnen / mogen
一共 in totaal / samen
T恤 t-shirt
衬衫 blouse
牛仔裤 spijkerbroek
裙子 rok / jurk
袜子 sokken
大衣 jas
雨衣 regenjas
更 nog / meer
别的 andere
穿 dragen (kleding)
商店 winkel
店 winkel
帮助 helpen
又…又… zowel…als…
瓶 fles
酒 alcohol
小号 maat small
中号 maat medium
大号 maat large
算了 laat maar
不好意思 sorry / het spijt me
舒服 comfortabel
讨价还价 onderhandelen over de prijs
家 klassewoord voor gebouwen