Uitgebreide Lexicon van Juridische Termen: Frans-Nederlands Study Guide

Gerechtelijke Instanties en Kamers

  • La chambre des mises en accusation: De kamer van inbeschuldigingstelling.

  • La chambre du conseil: De raadkamer.

  • Une chambre: Een kamer (binnen een rechtbank).

  • La cour d'appel: Het hof van beroep.

  • La Cour d'assises: Het hof van assisen.

  • La Cour de cassation: Het Hof van Cassatie.

  • La juridiction d'appel: De rechtbank in hoger beroep.

  • Une juridiction: Een rechtbank, rechtsgebied of de rechtspraak in het algemeen.

  • Le ministère public: Het openbaar ministerie.

  • Le parquet: Een parket.

  • Le tribunal civil: De burgerlijke rechtbank.

  • Le tribunal correctionnel: De correctionele rechtbank.

  • Le tribunal de la famille et de la jeunesse: De familie- en jeugdrechtbank.

  • Le tribunal de police: De politierechtbank.

  • Un tribunal de première instance: Een rechtbank van eerste aanleg.

  • Le tribunal de l'application des peines: De strafuitvoeringsrechtbank.

  • La justice de paix: Het vredegerecht.

  • Un tribunal pénal: Een strafrechtbank.

Misdrijven en Strafbare Feiten

  • Un assassinat: Een moord (met voorbedachte rade).

  • Commettre un assassinat: Een moord plegen.

  • Une tentative d'assassinat: Een moordpoging.

  • Une agression: Een aanval of agressie.

  • Une attaque: Een aanval.

  • Une attaque à main armée: Een gewapende overval.

  • Une atteinte: Een inbreuk of schending.

  • Une atteinte aux bonnes mœurs: Aanranding van de eerbaarheid.

  • Pour atteinte aux bonnes mœurs: Voor zedenfeiten.

  • Une atteinte à l'intégrité physique: Inbreuk op de fysieke integriteit.

  • Un braquage: Een overval.

  • Un cambriolage: Een inbraak.

  • Cambrioler une maison: In een huis inbreken.

  • Coup et blessures: Slagen en verwondingen.

  • Donner des coups: Slagen.

  • Un crime: Een misdaad.

  • Un crime contre l'État: Een misdaad tegen de staat.

  • Un délit: Een misdrijf of delict.

  • Un délit mineur: Een klein misdrijf.

  • Un délit grave: Een zwaar misdrijf.

  • Een wanbedrijf (le délit): Specifieke juridische kwalificatie van een misdrijf.

  • Une escroquerie: Een oplichting.

  • Un excès de vitesse: Een snelheidsovertreding.

  • Un fait délictueux: Een strafbaar feit.

  • Une fraude: Fraude.

  • Un harcèlement: Een pesterij (intimidatie).

  • Un hold-up: Een overval.

  • Commettre un hold-up: Een overval plegen.

  • Un incendie: Een brand.

  • Un incendie criminel: Een brandstichting.

  • Une infraction: Een overtreding of misdrijf.

  • Une infraction à la loi: Een wetsovertreding.

  • Une infraction de roulage: Een verkeersoveretreding.

  • Commettre une infraction: Een misdrijf/overtreding begaan.

  • Un litige en matière de roulage: Een geschil inzake verkeersovertredingen.

  • Un méfait: Een overtreding of misdrijf.

  • Un meurtre: Doodslag.

  • Commettre un meurtre: Een doodslag plegen.

  • Un rapt: Een ontvoering.

  • Un rapt parental: Een ouderlijke (parentale) ontvoering.

  • Le recel de marchandises volées: De heling van gestolen goederen.

  • Un tapage: Lawaai.

  • Le tapage nocturne: Het nachtlawaai.

  • Un trafic: Een (illegale) handel.

  • Le trafic de drogue: De drugshandel.

  • Une traite: Handel.

  • La traite des êtres humains: De mensenhandel.

  • Un viol: Een verkrachting.

  • Une violation: Een schending.

  • La violation des droits de l'homme: De schending van de mensenrechten.

  • Une violence: Geweld.

  • Un vol: Een diefstal.

  • Un vol simple: Een eenvoudige diefstal.

  • Un vol à main armée: Een gewapende overval.

  • Une contravention: Een overtreding of bekeuring.

Personen in het Rechtssysteem

  • Un accusé: Een beschuldigde.

  • Un agresseur: Een aanvaller.

  • Un assesseur: Een bijzitter of assessor.

  • Un assassin: Een moordenaar.

  • Un auteur: Een dader.

  • L'auteur présumé: De vermoedelijke dader.

  • Un avocat: Een advocaat.

  • L'avocat de la défense: De advocaat van de verdediging.

  • L'avocat de la partie civile: De advocaat van de burgerlijke partij.

  • Un braqueur: Een overvaller.

  • Un cambrioleur: Een inbreker.

  • Un citoyen / une citoyenne: Een burger.

  • Un comparse: Een medeplichtige.

  • Un complice: Een medeplichtige.

  • Un condamné / une condamnée: Een veroordeelde.

  • Un contrevenant: Een overtreder.

  • Un corrupteur: Een omkoper.

  • Un criminel / une criminelle: Een crimineel of misdadiger.

  • Un criminologue: Een criminoloog.

  • Un délinquant / une délinquante: Een delinquent.

  • Un détenu / une détenue: Een gedetineerde / gevangene.

  • Un enquêteur / une enquêtrice: Een onderzoeker.

  • Un escroc: Een oplichter.

  • Un expert: Een deskundige.

  • Un fraudeur: Een fraudeur.

  • Un gardien / une gardienne (de prison): Een bewaker, gevangenisbewaker of cipier.

  • Un greffier / une greffière: Een griffier.

  • Un huissier de justice: Een gerechtsdeurwaarder.

  • Un inculpé: Een in verdenking gestelde.

  • Un(e) juge: Een rechter.

  • Un juge d'instruction: Een onderzoeksrechter.

  • Un juge de paix: Een vrederechter.

  • Un juge des référés: Een kortgedingrechter.

  • Un juré / une jurée: Een jurylid.

  • Un jury: Een jury.

  • Un justiciable: Een rechtsonderhorige.

  • Un kidnappeur / une kidnappeuse: Een ontvoerder.

  • Un magistrat: Een magistraat.

  • Un malfaiteur: Een misdadiger.

  • Un médiateur / une médiatrice: Een bemiddelaar.

  • Un médecin légiste: Een wetsdokter.

  • Un mineur: Een minderjarige.

  • Un otage: Een gijzelaar.

  • Un preneur d'otage: Een gijzelnemer.

  • Un prévenu / une prévenue: Een beklaagde.

  • Un prisonnier / une prisonnière: Een gevangene.

  • Un procureur: Een procureur.

  • Le procureur du Roi: De procureur des Konings.

  • Un pyromane: Een brandstichter.

  • Un ravisseur: Een ontvoerder.

  • Un receleur: Een heler.

  • Un récidiviste: Een recidivist.

  • Un suspect: Een verdachte.

  • Un surveillant: Een bewaker.

  • Un témoin: Een getuige.

  • Une victime: Een slachtoffer.

  • Un violateur: Een schender.

  • Un violeur: Een verkrachter.

  • Un voleur: Een dief.

  • Policier / Policière: Politieagent(e).

Procedurale Handelingen en Onderzoek

  • Mettre en accusation: Het in staat van beschuldiging stellen.

  • Un acte d'instruction: Een onderzoeksdaad.

  • Classer une affaire sans suite: Een zaak seponeren.

  • Un alibi: Een alibi.

  • Une audition: Een verhoor.

  • L'audition des témoins: Het getuigenverhoor.

  • Auditionner un témoin: Een getuige verhoren.

  • Un aveu: Een bekentenis.

  • Passer aux aveux / avouer: Bekennen.

  • Une circonstance: Een omstandigheid.

  • Des circonstances atténuantes: Verzachtende omstandigheden.

  • Des circonstances aggravantes: Verzwarende omstandigheden.

  • Invoquer des circonstances: Omstandigheden inroepen.

  • Comparaître davanti le tribunal: Voor de rechtbank verschijnen.

  • Une comparution: Verschijning.

  • Effectuer un contrôle: Een controle uitvoeren.

  • Convoquer un témoin: Een getuige oproepen.

  • Le lieu du crime: De plaats van het delict.

  • Le mobile du crime: Het motief van de misdaad / drijfveer.

  • Déférer le suspect au parquet: De verdachte overdragen aan het parket.

  • Déposer plainte / porter plainte: Klacht indienen.

  • Une déposition: Een getuigenis.

  • Descendre sur les lieux: Zich ter plaatse begeven.

  • Faire une descente: Binnenvallen (inval).

  • Une enquête judiciaire: Een gerechtelijk onderzoek.

  • Clôturer / Ouvrir une enquête: Een onderzoek afronden / instellen.

  • Mener l'enquête: Het onderzoek leiden.

  • Constater les feiten: De feiten vaststellen.

  • Nier les faits: De feiten ontkennen.

  • Prendre qqn en filature / filer un suspect: Iemand / een verdachte schaduwen.

  • Une fouille / fouiller: Een fouillering / fouilleren.

  • Une inculpation: In verdenking stellen.

  • Sous l'inculpation de: Op verdenking van.

  • Relever des indices: Aanwijzingen verzamelen.

  • Une information: Opsporingsonderzoek.

  • Une instruction: Gerechtelijk onderzoek.

  • Le secret de l'instruction: Het geheim van het onderzoek.

  • Suspendre une instruction: Een onderzoek opschorten.

  • Interpeller: Aanhouden / oppakken.

  • Un interrogatoire / interroger: Een ondervraging / ondervragen.

  • Saisir un juge d'instruction d'une affaire: Een zaak bij de onderzoeksrechter aanhangig maken.

  • Saisir une juridiction d'une affaire: Een zaak bij een rechtbank aanhangig maken.

  • Un mandat de perquisition / effectuer une perquisition: Een huiszoekingsbevel / een huiszoeking doen.

  • Un non-lieu: Een buitenvervolgingstelling.

  • Rendre un non-lieu: Een buitenvervolgingstelling uitspreken.

  • Un portrait-robot: Een robotfoto.

  • Une poursuite judiciaire: Een gerechtelijke vervolging.

  • Une preuve à charge / à décharge: Een bewijs ten laste / ten gunste.

  • Rassembler des preuves: Bewijzen verzamelen.

  • Un procès-verbal / dresser (rédiger) een PV: Een proces-verbaal (opstellen).

  • Un réquisitoire / prononcer un réquisitoire: Een requisitoir (houden).

  • Relever des traces: Aanwijzingen verzamelen.

Arrestatie en Detentie

  • Une arrestation (administrative / judiciaire): Een aanhouding (administratief / gerechtelijk).

  • Un mandat d'arrêt / délivrer un mandat d'arrêt: Een aanhoudingsbevel (uitvaardigen).

  • Placer qqn sous mandat d'arrêt: Iemand onder aanhoudingsbevel plaatsen / arresteren.

  • Arrêter: Aanhouden / arresteren.

  • La détention préventive / provisoire: De voorlopige hechtenis.

  • La détention d'armes prohibées: Verboden wapenbezit.

  • La détention de drogues: Drugsbezit.

  • Een detentie (une détention): Hechtenis / opsluiting / bezit.

  • L'univers carcéral: Het gevangeniswezen.

  • La surpopulation carcérale: De overbevolking in de gevangenissen.

  • Incarcérer / une incarcération: Opsluiten / een opsluiting.

  • Une garde à vue / mettre qqn en garde à vue: Een administratieve aanhouding / iemand administratief aanhouden.

  • Une libération conditionnelle: Een voorwaardelijke invrijheidstelling.

  • Remettre en liberté: Invrijheidstellen.

  • La prison à perpétuité: De levenslange opsluiting.

  • Une prison (fermée / ouverte / semi-ouverte / vétuste): Een gevangenis (gesloten / open / halfopen / verouderd).

  • 2 ans de prison met sursis: 2 jaar voorwaardelijk.

  • 2 ans de prison ferme: 2 jaar effectief.

Veroordeling en Straffen

  • Un acquittement / acquitter: Een vrijspraak / vrijspreken.

  • Une amende / infliger une amende: Een boete (opleggen).

  • Une condamnation / condamner: Een veroordeling / veroordelen.

  • Condamner en premier ressort / en appel: In eerste aanleg / in beroep veroordelen.

  • Une confiscation / confisquer: Inbeslagname / verbeurdverklaring (verbeurd verklaren).

  • Déclarer qqn coupable (de): Iemand schuldig verklaren (aan).

  • Être reconnu coupable (de): Schuldig bevonden zijn (aan).

  • Une déchéance de certains droits: De ontzetting uit bepaalde rechten.

  • Un dédommagement / dédommager: Een schadeloosstelling (schadeloosstellen).

  • Indemniser / une indemnisation: Schadeloos stellen / een schadeloosstelling.

  • Gratie (une grâce) / Accorder une grâce: Gratie (verlenen).

  • Une peine (carcérale / correctionnelle / criminelle / juste): Een straf (gevangenis / correctioneel / crimineel / rechtvaardig).

  • La peine privative de liberté: De vrijheidsbenemende straf / de vrijheidsstraf.

  • Une peine d'emprisonnement: Een gevangenisstraf.

  • Une peine de police: Een politiestraf.

  • Une peine de réclusion: Een opsluiting (langer dan 5 jaar).

  • Une peine de travail: Een werkstraf.

  • De bijkomende straffen (les peines accessoires): Aanvullende sancties.

  • Une réduction / remise de peine: Een strafvermindering / strafverkorting.

  • Exécuter / Purger une peine: Een straf uitvoeren / uitzitten.

  • Le sursis probatoire: Het probatieuitstel.

  • La suspension probatoire: De probatieopschorting.

  • Un travail d'intérêt général: Een gemeenschapswerk.

Beroep, Cassatie en Vernietiging

  • Aller en appel / faire appel de / interjeter appel: In beroep gaan (tegen).

  • Un arrêt: Een arrest.

  • Casser un arrêt / un jugement: Een arrest / vonnis vernietigen.

  • Rendre un arrêt / un jugement: Een arrest uitspreken / een vonnis vellen.

  • Une cassation / le pourvoi en cassation: Cassatie / het cassatieberoep (de voorziening).

  • Se pourvoir en cassation: In cassatie gaan.

  • En premier ressort / en dernier ressort: In eerste aanleg / in laatste aanleg.

Juridische Concepten en Wetgeving

  • Carcéral, -e: Gevangenis- (betreffende de gevangenis).

  • Le casier judiciaire (vierge / chargé): Het strafregister of strafblad (blanco / zwaar).

  • Conforme à la loi: In overeenstemming zijn met de wet.

  • La constitution: De grondwet.

  • Contraventionnaliser un délit: Een wanbedrijf omzetten in een overtreding.

  • Correctionnaliser un crime: Een misdaad omzetten in een wanbedrijf.

  • Criminaliser un délit: Een wanbedrijf omzetten in een misdaad.

  • La criminalité / la criminologie: De criminaliteit / de criminologie.

  • La culpabilité: De schuld.

  • Établir / prouver la culpabilité: De schuld vaststellen / bewijzen.

  • Délictueux / délictueuse: Strafbaar.

  • La délinquance juvénile: De jeugdcriminaliteit.

  • Le droit (commun / pénal / privé / public): Het recht (gemeen recht / strafrecht / privaatrecht / publiekrecht).

  • L'ordre public / troubler l'ordre public: De openbare orde (verstoren).

  • Un procès équitable: Een rechtvaardig proces.

  • La présomption d'innocence: Het vermoeden van onschuld.

  • Être présumé innocent: Vermoedelijk onschuldig zijn.

  • La présomption de bonne foi: Het vermoeden van goeder trouw.

  • Une loi entre en vigueur: Een wet treedt in werking.

  • Une loi stipule: Een wet bepaalt.

  • Appliquer la loi / une règle: De wet / een regel toepassen.

  • Transgresser la loi / enfreindre la loi: De wet overtreden / schenden.

  • Le pouvoir judiciaire: De rechterlijke macht.

  • La magistrature (assise / debout / du siège): De magistratuur (zittende / staande / zittende).

  • Punissable de: Strafbaar met.

Overige Termen

  • Un butin: Buit.

  • Chiper: Stelen.

  • Piquer: Stelen.

  • Dérober: Stelen.

  • Een dossier (clôturer / transmettre / l'ouverture): Een dossier (afsluiten / overmaken / opening).

  • Des empreintes digitales: Vingerafdrukken.

  • Une médiation pénale: Een strafbemiddeling.

  • Un litige / régler / résoudre / trancher un litige: Een geschil (beslechten / oplossen).

  • Une rançon: Losgeld.

  • La surveillance électronique: Het elektronisch toezicht.

  • L'aide juridique: De rechtsbijstand.

  • Les frais de justice: De gerechtskosten.

  • Un vice de procédure: Een procedurefout of gebrek.