Samenvatting Spijsvertering
Voeding en Functie van het Lichaam
- Correcte voeding in de juiste hoeveelheid en op het juiste moment is essentieel voor optimale lichaamsfunctie.
- Sporters verliezen wedstrijden door slechte voeding, zoals verkeerde inschatting van suikerinname of watertekort.
- Tekort aan suikers leidt tot energietekort tijdens inspanning.
- Watertekort leidt tot uitdroging, waardoor spieren en hersenen minder goed functioneren.
- Kennis over voeding en vertering is belangrijk voor iedereen die gezond wil leven.
Thema 5: Het Spijsverteringsstelsel
Hoofdstuk 1: De Spijsvertering
1. Waarom is spijsvertering nodig?
2. Welke rol speelt elk spijsverteringsorgaan bij de vertering?
Hoofdstuk 2: Gezonde Voeding
1. Waarom is voeding belangrijk voor je lichaam?
2. Hoe stel je een gezonde maaltijd samen?
Check-in: Wat gebeurt er met brood in je mond?
- Hoe langer je kauwt, hoe zoeter de smaak van het brood wordt.
- Brood verandert van samenstelling wanneer het vermengd wordt met speeksel.
- Het lichaam zet voeding om in energie via spijsvertering.
- Voedingsmiddelen worden verkleind totdat ze worden opgenomen in het bloed.
Verken Opdracht 1: Wat is de link met de cel?
- Celademhaling reactie: glucose + O2 → water + koolstofdioxide + energie
- Glucose wordt opgenomen door het spijsverteringsstelsel.
- Een kersenpit komt niet voorbij de speekselklieren, lever, galblaas, alvleesklier, appendix en endeldarm.
Hoofdstuk 1: De Spijsvertering
- Het ademhalingssysteem neemt zuurstofgas op.
- Het spijsverteringsstelsel levert energierijke voedingsstoffen, zoals glucose.
- In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op het proces waarbij voedingsmiddelen worden omgezet in de benodigde voedingsstoffen.
- Leerdoelen omvatten het uitleggen van het verschil tussen een stof en molecule, het verband tussen een stelsel, een orgaan, een weefsel en een cel, de transportfunctie van het bloed, stofomzetting, energieomzetting, en het aanduiden van organen van het spijsverteringsstelsel.
- Nieuwe leerdoelen: waarom verkleining van voedingsmiddelen en voedingsstoffen nodig is, het begrip ‘vertering’ omschrijven, waarom vertering een voorbeeld is van stofomzetting, de rol van spijsverteringssappen, en hoe de vertering stap voor stap verloopt.
1 Waarom is spijsvertering nodig?
- Voorbeelden van organen van het spijsverteringsstelsel: slokdarm, maag, twaalfvingerige darm.
- Voedsel in de maag kan onmogelijk zonder verkleining via de slokdarm in de maag terechtgekomen zijn.
- Voorbeelden van voedingsmiddelen die je niet hoeft te verkleinen in je mond voordat je ze doorslikt: bruiswater en melk.
- Voedingsstoffen in een banaan per 100 gram:
- Water: 76,8 g
- Eiwitten: 1,2 g
- Vetten: 0,2 g
- Koolhydraten (zetmeel en glucose): 18,8 g
- Vitamine A: 0,01 mg
- Vitamine B: 0,47 mg
- Vitamine C: 12 mg
- Kalium: 400 mg
- Calcium: 8,7 mg
- Fosfor: 28,0 mg
- Magnesium: 30,0 mg
- Ijzer: 0,6 mg
- Voedingsvezels: 2,0 g
- Een gemiddelde banaan zonder schil weegt ongeveer 150 gram.
- Voedingsmiddelen zijn bijvoorbeeld brood, worst, wortels, melk en een banaan.
- De meeste voedingsmiddelen moeten in de mond worden verkleind, omdat ze te groot zijn om te worden doorgeslikt naar de slokdarm.
- Voedingsmiddelen bestaan uit voedingsstoffen.
- Voedingsstoffen zijn stoffen die in voedingsmiddelen zitten.
- Koolhydraten, eiwitten, vetten, water, vitaminen en mineralen zijn voorbeelden van voedingsstoffen.
- Cellen hebben voedingsstoffen nodig om in leven te blijven en goed te functioneren.
- Het bloed is het transportmiddel om voedingsstoffen naar de cellen te brengen.
- Moleculen van sommige voedingsstoffen, zoals zetmeel, eiwitten en vetten, zijn te groot om in het bloed te geraken en moeten daarom worden verkleind.
- De spijsverteringsorganen verkleinen te grote moleculen.
- Het verkleinen van voedingsstoffen noem je vertering.
- Cellen nemen door het bloed aangevoerde voedingsstoffen op en voeren afvalstoffen af.
- Sommige voedingsstoffen moeten eerst worden verkleind om opgenomen te worden in het bloed en vervolgens te worden getransporteerd naar de cellen.
- De belangrijkste taak van de spijsverteringsorganen is voedingsstoffen verkleinen.
2 Welke rol speelt elk spijsverteringsorgaan bij de vertering?
2.1 Wat gebeurt er met het voedsel in de mond?
- Het verkleinen van het voedsel gebeurt stap voor stap op verschillende plaatsen langs het spijsverteringskanaal, dat begint bij de mond en eindigt bij de anus.
- Grote voedselbrokken worden verkleind door bijt- en kauwbewegingen van de kaken en het gebit.
- De tong duwt het voedsel tussen de achterste tanden, die het voedsel fijnmalen.
- Spijsverteringssappen, zoals speeksel, zijn nodig om voedingsstoffen te verkleinen.
- Speeksel wordt gemaakt in de speekselklieren.
- Met lugol en diastix kun je de aanwezigheid van respectievelijk zetmeel en glucose opsporen. Na contact met de voedingsstof veranderen de opsporingsmiddelen van kleur.
- Lugol begint oranjebruin en wordt paars/zwart na contact met zetmeel.
- Diastix begint lichtgroen en wordt bruin na contact met glucose.
- Enzymen in speeksel versnellen de stofomzetting.
- In de mond(holte) ondergaat het voedsel een aantal veranderingen:
- Voedselbrokken worden verkleind door het gebit.
- De tong en de kauwspieren mengen het voedsel met speeksel.
- Het speeksel zorgt voor een stofomzetting: zetmeelmolecule → glucosemoleculen.
- Grote zetmeelmoleculen worden door het speeksel verkleind, waardoor er veel kleinere glucosemoleculen ontstaan.
- Enzymen in het speeksel maken enkel de stofomzetting van een zetmeelmolecule naar glucosemoleculen mogelijk.
2.2 Wat gebeurt er met het voedsel in de keel?
- Nadat de tong het voedsel naar de keelholte heeft geduwd en je het voedsel doorslikt, wordt de weg naar de neusholte afgesloten door de huig en de weg naar de luchtpijp door de strotklep.
- Door de actie van de huig en de strotklep tijdens het slikken blijft er maar één weg over voor het voedsel: de slokdarm.
- In de keelholte wordt het voedsel doorgeslikt.
- De strotklep en de huig zorgen ervoor dat het voedsel enkel in de slokdarm kan terechtkomen.
- ‘Verslikken’ betekent dat er vloeistof of voedsel in de luchtpijp terechtkomt in plaats van in de slokdarm. Dat gebeurt wanneer de strotklep de luchtpijp niet goed heeft afgesloten.
2.3 Wat gebeurt er met het voedsel in de slokdarm?
- In de wand van de slokdarm bevinden zich spieren. Door knijpende spierbewegingen net achter de voedselbrok wordt het voedsel voortgeduwd. Dat noem je peristaltiek.
- Van de slokdarm tot de anus wordt het voedsel in het spijsverteringskanaal (over een lengte van ongeveer 7 m) door een peristaltische beweging vooruit geduwd.
- In de slokdarm worden er geen spijsverteringssappen toegevoegd aan de voedselbrij.
- De functie van de slokdarm is het voedsel doorsturen van de mond naar de maag.
- Dat gebeurt door peristaltiek. Dat is een knijpende beweging van spieren in de slokdarmwand, net achter de voedselbrok.
2.4 Wat gebeurt er met het voedsel in de maag?
- Reflux is het terugstromen van zure maaginhoud in de slokdarm.
- De sluitspier bij de maagingang is waarschijnlijk nog niet goed ontwikkeld bij baby’s.
- De sluitspier aan de maaguitgang voorkomt dat het voedsel onmiddellijk in de twaalfvingerige darm terechtkomt.
- De maag is een zakvormige verbreding van het spijsverteringskanaal, die uitzet als er veel voedsel in terechtkomt.
- De maagingang en de maaguitgang kunnen door de werking van sluitspieren geopend en gesloten worden.
- Op die manier kan de maag voedsel tijdelijk opslaan en kan er vertering plaatsvinden.
- Spijsverteringsklieren in de maagwand scheiden zuur maagsap in de maagholte af.
- Maagsap bevat enzymen die de vertering van eiwitten mogelijk maken.
- Een eiwitmolecule kun je voorstellen als een aaneenschakeling van verschillende soorten wagons.
- Als een eiwitmolecule in contact komt met maagsap, start de vertering: de eiwitmolecule wordt verkleind en er ontstaan afzonderlijke aminozuurmoleculen.
- Enzymen in het maagsap verknippen als het ware de grote eiwitmolecule. Er bestaan verschillende soorten aminozuren.
- De maagwandspieren vermengen het voedsel met maagsap, wat de vertering bevordert.
- Het voedsel verlaat de maag met tussenpozen. Dat gebeurt telkens als een sluitspier onderaan de maag, ook de maagportier genoemd, zich ontspant.
- Na de vertering van de eiwitten worden de aminozuren door het bloed naar de cellen gebracht.
- Cellen gebruiken die aminozuren als bouwstenen om hun eigen eiwitten te maken.
- In de maag ondergaat het voedsel een aantal veranderingen:
- Spijsverteringsklieren in de maagwand scheiden maagsap af in de maagholte.
- Spieren in de maagwand mengen het voedsel met het maagsap.
- In het maagsap komen enzymen voor die de vertering van eiwitten mogelijk maken.
- Het maagsap zorgt voor een stofomzetting: eiwitmolecule → aminozuurmoleculen.
- Vloeibaar voedsel verlaat de maag veel sneller dan vast voedsel.
- Een normale, warme maaltijd blijft ongeveer drie uur in de maag.
- Hoe vetter de maaltijd, hoe langer het duurt voordat het voedsel klaar is om beetje bij beetje terecht te komen in de twaalfvingerige darm.
- ‘Een boer laten’ of boeren is het ‘ontluchten’ van de maag via de slokdarm en de mond. Je slikt (ongemerkt) de hele dag door lucht in.
2.5 Wat gebeurt er met het voedsel in de twaalfvingerige darm?
- De lever, de galblaas en de alvleesklier spelen een rol bij de spijsvertering in de twaalfvingerige darm.
- De twaalfvingerige darm (ongeveer 25 cm lang) is het eerste deel van de dunne darm.
- Er worden twee verteringssappen toegevoegd aan de voedselbrij: alvleessap en gal.
- Alvleessap is afkomstig van de alvleesklier. Met enzymen uit het alvleessap wordt de vertering van zetmeel en eiwitten voortgezet en de vertering van vetten aangepakt.
- Gal wordt gemaakt in de lever en tijdelijk opgeslagen in de galblaas. Gal verdeelt grote vetdruppels in kleine druppeltjes.
- Hoe meer kleine vetdruppeltjes er zijn, hoe sneller de enzymen in het alvleessap de vetten verteren.
- De vetmolecule wordt omgezet in vier verschillende, kleinere moleculen.
- Alvleessap en gal zijn noodzakelijk om vet vlot te verteren.
- Vetmoleculen zijn te groot om vanuit de darm in het bloed te kunnen.
- Functie van alvleessap:
- de vertering van zetmeel en eiwitten voortzetten
- de vertering van vetten starten
- De vertering gebeurt met specifieke enzymen.
- Functie van gal: grote vetdruppels verdelen in kleine druppeltjes
2.6 Wat gebeurt er met het voedsel in de rest van de dunne darm?
- De vloeibare voedselbrij wordt in de dunne darm voortbewogen door knijpende bewegingen van spieren in de darmwand.
- Spijsverteringsklieren in de wand van de dunne darm scheiden darmsap af.
- Enzymen in het darmsap zorgen voor de laatste verkleiningen van wat nog overblijft aan te grote moleculen. Daarmee eindigt de vertering.
- Voedingsvezels worden niet verteerd en komen niet in het bloed terecht. Ze zorgen wel voor een goede werking van de darmspieren en zorgen ervoor dat de uitwerpselen gemakkelijker worden verwijderd. Ze komen niet-verkleind in de dikke darm terecht.
- Alle kleine voedingsstoffen verlaten nu de dunne darm via de darmwand en worden opgenomen door het bloed (absorptie).
- Voorbeelden van geabsorbeerde voedingsstoffen zijn glucose, aminozuren, water, mineralen en vitaminen.
- Sommige voedingsstoffen, zoals zetmeel, zijn te groot om door de darmwand te kunnen en door het bloed te worden opgenomen. Ze moeten daarom worden verkleind.
- De bouw van de darmwand is als volgt aangepast aan de absorptie van voedingsstoffen:
- Er zijn microscopisch kleine gaatjes in de binnenwand van de dunne darm.
- De binnenwand van de dunne darm heeft een zeer groot oppervlak door de talrijke darmplooien en darmvlokken.
- Hoe groter het oppervlak, hoe meer gaatjes waar de voedingsstoffen door kunnen om vervolgens naar het bloed te gaan. Daardoor worden de voedingsstoffen sneller geabsorbeerd.
- In de dunne darm vindt het volgende plaats:
- peristaltiek;
- de voltooiing van de vertering: enzymen in het darmsap zorgen voor de laatste verkleiningen van wat nog overblijft aan te grote moleculen;
- de absorptie van voedingsstoffen door het bloed: kleine voedingsstoffen verlaten de dunne darm via de darmwand en worden opgenomen door het bloed.
- De dunne darm is aangepast om de absorptie zo vlot mogelijk te laten verlopen:
- De binnenwand heeft microscopisch kleine gaatjes.
- De binnenwand heeft een heel groot oppervlak door darmplooien en darmvlokken. Daardoor gebeurt de absorptie sneller.
2.7 Wat is de rol van de dikke darm en de endeldarm?
- Na de laatste fase van de vertering in de dunne darm schuiven de onverteerde voedingsvezels door naar de dikke darm.
- In de dikke darm zorgen darmbacteriën voor een gedeeltelijke afbraak van de voedingsvezels. Daarbij komen er stoffen vrij die de peristaltiek van de darmspieren stimuleren. Daardoor worden de darmspieren in goede conditie gehouden.
- Één kenmerk van voedingsvezels is dat ze water vasthouden.
- In de dikke darm wordt wél veel water opgenomen door het bloed, om niet snel uit te drogen.
- De brij die dan nog overblijft en opgeslagen wordt in de endeldarm, is de stoelgang.
- Als de endeldarm vol geraakt, moet je naar het toilet. De aars of anus is een sluitspier die zich dan ontspant, zodat de uitwerpselen het lichaam kunnen verlaten.
- Ander woord voor stoelgang is uitwerpselen.
- Plantaardige voedselresten bevatten veel vezels en komen voor in de uitwerpselen.
- In de spijsverteringssappen komen geen enzymen voor die de omzetting van plastic mogelijk maken, dus zal het onveranderd in de uitwerpselen terug te vinden zijn.
- Onverteerde voedselresten, komen in de dikke darm terecht.
- In die brij is nog heel veel water aanwezig. Dat water wordt door het bloed geabsorbeerd.
- De dikke darm eindigt in de endeldarm. Daar worden alle resten tijdelijk opgeslagen.
- Als de endeldarm vol geraakt, voel je de drang om naar het toilet te gaan.
- De uitwerpselen, die je ook ‘stoelgang’ noemt, verlaten het lichaam via de aars of anus.
Wat is verstopping of constipatie?
- Als de stoelgang te lang in de endeldarm blijft zitten, wordt hij harder en droger.
- Als je meer dan drie dagen geen ontlasting hebt gehad, spreekt men van verstopping of constipatie.
- Constipatie komt vaak voor door:
- weinig te drinken
- te weinig voedingsvezels te eten
- te weinig te bewegen
Wat is diarree?
- Schadelijke bacteriën kunnen de binnenwand van de dikke darm aantasten, waardoor de absorptiefunctie voor water verstoord is. Er blijft dan te veel water bij de uitwerpselen. Dat leidt tot diarree.
Heeft de appendix een functie?
- De blindedarm is een opslagplaats voor goede bacteriën, die je lichaam beschermen tegen schadelijke bacteriën.
- Het lichaam kan zich echter perfect behelpen zonder een blindedarm of appendix.
- Bij een blindedarmontsteking is de appendix ontstoken.
Hoofdstuk 1: De Spijsvertering - Hoofdstuk Synthese
- Voedsel wordt in de mond verkleind en vermengd met speeksel uit de speekselklieren. Enzymen starten de vertering van zetmeel. Grote zetmeelmoleculen worden kleinere glucosemoleculen.
- Voedsel doorslikken: de strotklep en de huig zorgen ervoor dat voedsel in de slokdarm terechtkomt.
- Via peristaltische bewegingen wordt voedsel naar de maag gestuurd.
- Voedsel wordt vermengd met maagsap. De enzymen in dat spijsverteringssap starten de vertering van eiwitten. Grote eiwitmoleculen worden kleinere aminozuren.
- Alvleessap uit de alvleesklier zorgt met enzymen voor de verdere vertering van zetmeel en eiwitten, en start de vertering van vetten.
- Gal afkomstig van de lever verdeelt grote vetdruppels in kleine vetdruppeltjes.
- Door peristaltiek wordt de voedselbrij verder getransporteerd langs de dunne darm.
- Enzymen in het darmsap voltooien de vertering. Absorptie in de dunne darm: voedingsstoffen worden opgenomen door het bloed.
- Er vindt absorptie van water plaats in de dikke darm. Onverteerde voedselresten gaan verder naar de endeldarm. Die voedselresten verlaten het lichaam via de aars of anus.
Hoofdstuk 2: Gezonde Voeding
- Een evenwichtige voeding betekent gevarieerd eten, zodat je maaltijden voldoende energieleverende stoffen, bouwstoffen en beschermstoffen bevatten en per dag de juiste hoeveelheden eten, zodat je niet te veel of te weinig eet.
- De voedingsdriehoek toont welke voedingsmiddelen je het best meer eet, welke minder en welke zo weinig mogelijk.
- De bewegingsdriehoek spoort aan om meer te bewegen en stilzitten te beperken.
Checklist
- Ik kan uitleggen waarom voedingsmiddelen verkleind moeten worden.
- Ik kan een definitie geven van het begrip ‘vertering’ en er de noodzaak van uitleggen.
- Ik kan aantonen dat zetmeel door speeksel wordt verteerd.
- Ik kan uitleggen waarom er bij vertering stofomzetting gebeurt.
- Ik kan uitleggen hoe het voedsel in het spijsverteringskanaal opschuift.
- Ik kan voorbeelden geven van voedingsstoffen die wel en niet moeten worden verteerd.
- Ik kan uitleggen dat de wand van de dunne darm is aangepast aan de absorptie van voedingsstoffen door het bloed.
- Ik kan de spijsverteringsorganen herkennen op een afbeelding en hun rol in de vertering uitleggen.
- Ik kan het belang van spijsverteringssappen uitleggen en hun werking localiseren.