duits toets 1 3tv

  • aanbieden = anbieten

  • het apparaat = der Apparat

  • de apparaten = die Apparate

  • in elk geval = auf jeden Fall

  • in geen geval = auf keinen Fall

  • opendoen = aufmachen

  • krijgen = kriegen, bekommen

  • de gebruiker = der Benutzer, der Nutzer

  • klagen = sich beschweren

  • Jij klaagt daarover. = Du beschwerst dich darüber.

  • de eigenaar = der Besitzer

  • het beeldscherm = der Bildschirm

  • het bestand = die Datei

  • de bestanden = die Dateien

  • de gegevens = die Daten

  • iets = etwas

  • de fout = der Fehler

  • de fouten = die Fehler

  • het televisietoestel = der Fernseher

  • maken, produceren = herstellen

  • downloaden = herunterladen

  • Ik download veel van internet. = Ich lade viel vom Internet herunter.

  • geïnteresseerd zijn in = sich interessieren für

  • de klant (mannelijk) = der Kunde

  • de klant (vrouwelijk) = die Kundin

  • op internet = im Netz, im Internet

  • noodzakelijk = notwendig

  • de persoon = die Person

  • de personen = die Personen

  • handig = praktisch

  • de prijs = der Preis

  • de prijzen = die Preise

  • voordelig = preiswert

  • de korting = der Rabatt

  • de computer = der Computer, der PC, der Rechner

  • zelfs = sogar

  • opslaan = speichern

  • beslist, per se = unbedingt

  • het verschil = der Unterschied

  • de verschillen = die Unterschiede

  • kiezen = wählen, sich entscheiden

  • laten zien, tonen = zeigen

  • de apotheek = die Apotheke

  • naar de apotheek = in die / zur Apotheke

  • de arm = der Arm

  • de armen = die Arme

  • de arts = der Arzt

  • de artsen = die Ärzte

  • het oog = das auge

  • de buik = der Bauch

  • de buikpijn = die Bauchschmerzen

  • het been = das Bein

  • de benen = die Beine

  • welk been doet pijn? = Welches Bein tut weh?

  • verkouden zijn = erkältet sein

  • vreselijk = furchtbar

  • de voet = der Fuß

  • de voeten = die Füße

  • het gezicht = das Gesicht

  • de griep = die Grippe

  • het haar = das Haar

  • de haren = die Haare

  • de nek = der Hals

  • de hand = die Hand

  • de handen = die Hände

  • Welke hand is gewond? = Welche Hand ist verletzt?

  • de huid = die Haut

  • hoesten = husten

  • het hoofd = der Kopf

  • het lichaam = der Körper

  • ziek = krank

  • de ziekte = die Krankheit

  • de ziektes = die Krankheiten

  • de maag = der Magen

  • het medicijn = das Medikament

  • de medicijnen = die Medikamente

  • de mond = der Mund

  • de neus = die Nase

  • het oor = das Ohr

  • de oren = die Ohren

  • de patiënt = der Patient

  • de patiënten = die Patienten

  • de rug = der Rücken

  • zich verwonden = sich verletzen

  • pijn doen = wehtun

  • het doet pijn = Es tut weh

  • erg = schlimm

  • de tand, de kies = der Zahn

  • de tanden, de kiezen = die Zähne