Communicatie & feedback

  • Referentiekader = samenhang van factoren die voor een persoon of gemeenschap op een bepaald moment de werkelijkheid vormen

  • Stereotypen = hardnekkige overtuiging dat een persoon een bepaalde eigenschap heeft enkel en alleen omdat hij/zij tot een bepaalde groep behoort

  • Vooroordelen = verwachtingen die we over mensen hebben omdat ze een deel uitmaken van een bepaalde groep (niet op feiten gebaseerd)

Wat is feedback?

Een boodschap over het gedrag of de prestaties van een ander

  • Je zegt wat je denkt, voelt en ervaart

Het is onmisbaar (bv. kunnen zeggen wat er inorde bij een presentatie maar ook wat er niet goed is)

  • Negatief: veranderen van gedrag

    → moeilijk te geven

    • Vechten

    • Verdedigen

    • Vermijden

    • Verstarren

  • Positief: bestendigen en uitbreiden van gedrag → motiverend

    → gericht op waardering

Geef duidelijk commentaar

Johari-venster

4G model

Tips:

  • verklaar waarom

  • draai niet rond de pot

  • ga niet in de tegenaanval

Non-verbale communicatie

→ 70% indruk die je maakt met non-verbale signalen

→ lichaamstaal maakt je authentiek

→ houding en gebaren zeggen meer dan woorden

Groeimindset

Verbeteren door:

  • aanpassingsvermogen

    • wees bewust van wat je denkt

    • verander actief wat je denkt

  • lerende ingesteldheid

    • creatiever

    • nieuwigheden

    • ondernemend alertheid

  • ondernemend denken

    • causation → neemt een bepaald doel als gegeven en concentreert zich op de selectie van de juiste middelen om dit doel te bereiken (zekerheid ingebouwd)

    • effectuation → vertrekt niet vanuit het doel, maar vanuit de middelen, vervolgens welke mogelijke doelen met die middelen bereikt kunnen worden (onzekerheid ingebouwd)

Ons brein is neuroplastisch

→ kan tijdens het hele leven ontwikkelen en groeien. Terwijl we fouten maken, moeilijke problemen oplossen, en hierbij doorbijten, bouwen we nieuwe verbindingen in de hersenen. Hierdoor laten we onze hersenen groeien, waardoor we veel nieuwe informatie kunnen leren en onthouden.

S - specific of specifiek

Is het doel gelinkt aan één specifieke activiteit of gedachte?

M - measurable of meetbaar

Kan je je groeicurve voorstellen op een grafiek? Kan je aantonen dat je gegroeid bent tegenover vorige week/maand/...?

A - actionable of uitvoerbaar

→ Welke taak of actie zal je ondernemen? 

R - realistic of realistisch

→ Is wat je vooropstelt haalbaar voor jezelf?

T - time-bound of tijdsgebonden

Binnen welke periode wil je dit doel bereiken? Binnen hoeveel dagen/weken/maanden/...?