nederlands toets 4 havo s

Argumentaties structuren 

  1. Enkelvoudige argumentatie: je ondersteund het standpunt met een argument. 

(standpunt -> argument) 

  1. Meervoudige argumentatie: je ondersteund het standpunt met meerdere argumenten. 

(standpunt -> argument -> argument) 

  1. Onderschikkende argumentatie: het eerste argument is het hoofdargument dit ondersteun je met een sub argument. 

(standpunt -> hoofdargument -> sub argument) 

  1. Onderschikkende en nevenschikkende argumentatie: - ` 

 

Soorten argumenten  

je kunt argumenten onderscheiden door: 

  • Controleerbare feiten of onderzoek  

  • Ervaring  

  • Gezag of autoriteit  

  • Vergelijking  

  • Voorbeelden  

  • Nuttige of gewenste gevolgen 

  • Ongewenste gevolgen  

  • Veronderstellingen of vermoedens  

  • Persoonlijke overtuigingen, geloof of normen en waarden  

  • Gevoel, intuïtie, emotie  

 

Drogredenen  

Drogredenen  

Omschrijving  

Beroep op traditie  

Je vergelijkt het heden met het verleden, zonder rekening te houden met veranderingen.  

Cirkelredenering  

Je geeft een argument dat hetzelfde inhoud als het standpunt, waarmee je niets bewijst. 

Overhaaste generalisatie  

Je komt tot een standpunt of conclusie op basis van een of enkele voorbeelden. 

Stok achter de deur  

Je ondersteund het standpunt door te wijzen op de nare gevolgen als je geen gelijk krijgt. 

Vals dilemma 

 

Je suggereert dat je alleen kan kiezen tussen twee nadelen ,terwijl er andere keuzes zijn. 

Onjuist beroep op autoriteit  

 

 Het argument word ondersteund door een autoriteit die niet past bij het onderwerp  

Bespelen van het publiek  

 

Iemand speelt in op emoties in plaats van rationele argumenten te geven, zodat het publiek het standpunt overneemt zonder kritische analyse  

Overdrijven van voor- of nadelen 

 

De voor of nadelen van het standpunt worden extreem overdreven. 

Onjuiste oorzaak gevolg relatie  

 

Hierbij word een oorzaak gevolg relatie gebruikt die eigenlijk niet bestaat. 

Ontduiken  bewijslast  

In deze situatie word er gedaan of het standpunt vanzelf spreekt. 

Verkeerde vergelijking  

 

In deze situatie worden  dingen vergeleken die eigenlijk te vergelijken zijn. 

Persoonlijke aanval  

 

In plaats van het argument aan te vallen, richt men zich op de persoon zelf. 

Onjuist beroep op een kenmerk of eigenschap  

één onbelangrijk detail gebruikt om te bewijzen dat iets waar is, terwijl dat detail eigenlijk niet veel uitmaakt. 

Onjuiste Vergelijking van het standpunt  

 

Standpunt word op de verkeerde manier vergeleken  

Verschuiven van bewijslast  

Iemand laat de ander bewijzen dat iets níét waar is, in plaats van zelf bewijs te leveren voor zijn eigen bewering. 

 

 

Tekststructuren  

Veel voorkomende vaste tekststructuren zijn: 

  • Voordelen en nadelen structuur  

  • Vroeger en nu structuur  

  • Vroeger, nu en toekomst structuur  

  • Probleem en oplossing structuur  

  • Verschijnsel en verklaring structuur  

  • Bewering en argument structuur  

  • Verschijnsel en bespreking structuur  

 

Soorten verbanden en signaalwoorden  

Signaalwoorden zorgen ervoor dat je de gedachtegang van de spreker of schrijver makkelijker kunt volgen. (ofwel structuuraanduiders)  

  • Ook, bovendien: opsomming  

  • Maar, echter: tegenstelling  

  • Dat wil zeggen, bijvoorbeeld: uitleg/toelichting  

  • Als, indien: voorwaardelijk  

  • Met behulp van, om … te : doel – middel  

  • Vroeger, nu: chronologie  

Oorzakelijk en redengevend verband, wat is het verschil: 

  1. Oorzaak leidt tot een gevolg, zonder menselijk besluit  

  1. Reden is er sprake van een keuze, iemand beslist zelf      

 

Onderwerp en hoofdgedachte  

Onderwerp: geeft antwoord op de vraag ”waar gaat de tekst over? ” Het onderwerp formuleer je heel kort in een woord of een woordgroep . om het onderwerp de bepalen let je op: titel , tussenkopjes , inleiding en illustratie. 

Hoofdgedachte: geeft antwoord op de vraag ”wat zegt de schrijver over het onderwerp?” hoofdgedachte formuleer je in een hele zin (geen vraagzin). Hoofdgedachte bepaal je nadat je de tekst hebt gelezen, let hierbij goed op de conclusie. 

Hoofdvraag: de centrale vraag die de auteur in de tekst beantwoord (de centrale vraag). Formuleer deze ook als een vraag 

Kernzin: belangrijkste zin van een alinea. Vind je meestal aan het begin en aan het einde van een alinea vaak met een signaal woord. 

 

Inleiding , midden ,slot  

Inleiding: de schrijver wil je aandacht trekken , zodat je verder leest vaak 2 tot 3 alinea’s lang. Functie van inleiding is: ”probleemstelling  , doelstelling  , definitie   , aanleiding en constatering.“ 

Middenstuk: de schrijver gaat dieper in op het onderwerp , vaak in deelonderwerpen  

Slot: de schrijver sluit zijn tekst af en meestal komt er een conclusie . Functie van het slot is : “aanbeveling , afweging , gevolgstrekking , toekomstverwachting en uitsmijter.” 

 

 

Schrijfdoelen en tekstsoorten  

De belangrijkste schrijfdoelen en tekstsoorten zijn: 

  1. Informeren en uiteenzetten -> uiteenzetting: een tekst waarin de schrijver iets uitlegt, beschrijft of verklaart.  

  • De schrijver wil dat je begrijpt hoe iets in elkaar zit  

  1. Overtuigen -> betoog: een tekst waarin de schrijver zijn mening geeft en die  onderbouwt met argumenten 

  • De schrijver wil zijn standpunt overbrengen  

  1. Beschouwen -> beschouwing: en tekst waarin de schrijver een vraagstuk van verschillende kanten belicht. 

  • De schrijver wil dat je over een kwestie nadenkt en je mening vormt. 

 

Standpunt , argumenten en argumentatie  

Standpunt: uitspraak of bewering over een bepaalt onderwerp(stelling). Om je standpunt te onderbouwen gebruik je argumenten , en om het nog beter te maken kun je tegen argumenten gebruiken die de argumenten van de tegenpartij weerleggen (ontkrachten)