Untitled Flashcard Set
Risk behavior — Gedrag dat risico’s vormt voor een gezonde lichamelijke, cognitieve of sociale ontwikkeling van adolescenten.
Predictors of risk behavior — Factoren die de kans vergroten op risicogedrag, zoals genetica, persoonlijkheid en omgeving.
White matter — Witte stof; zenuwbanen die hersengebieden met elkaar verbinden, communicatie wordt sneller.
Grey matter — Grijze stof; bevat zenuwcellen. Minder grijze stof door ‘pruning’ = hersenen efficiënter.
Pruning — Proces waarbij ongebruikte hersenverbindingen worden weggesnoeid; maakt hersenen efficiënter.
Affective-motivational system — Emotionele breinsysteem (beloningscentrum) dat sterk actief is in de adolescentie en gevoelig is voor beloning.
Control system — Rationeel breinsysteem (prefrontale cortex) dat langzaam rijpt en helpt bij plannen, zelfcontrole en impulsremming.
Reward center — Gebied in de hersenen (nucleus accumbens) dat dopamine vrijgeeft en zorgt voor gevoel van beloning.
Maturational imbalance model — Model dat stelt dat risicogedrag komt door een onevenwichtige ontwikkeling tussen emotionele (snelle) en rationele (langzame) hersensystemen.
BIS (Behavioral Inhibition System) — Remsysteem in de hersenen dat ons waarschuwt voor straf of gevaar (top-down).
BAS (Behavioral Activation System) — Activerend systeem dat reageert op beloning en plezier (bottom-up).
Top-down process — Controle van gedrag vanuit rationele hersengebieden (prefrontale cortex) → zelfbeheersing.
Bottom-up process — Automatische, emotionele reacties vanuit lagere hersengebieden (zoals het limbisch systeem).
VTA (Ventral Tegmental Area) — Deel van het beloningssysteem dat dopamine afgeeft naar andere hersengebieden zoals de nucleus accumbens.
Intentional definition of addiction — Beschrijft verslaving als een proces of oorzaak (hoe het zich ontwikkelt).
Extensional definition of addiction — Beschrijft verslaving aan de hand van kenmerken (zoals DSM-5).
Positive reinforcement — Gedrag neemt toe omdat het een prettig gevoel of beloning oplevert.
Negative reinforcement — Gedrag neemt toe omdat het een vervelend gevoel voorkomt of vermindert (bijv. ontwenningspijn vermijden).
Incentive-sensitization theory — Herhaald gebruik maakt het beloningssysteem overgevoelig voor cues → sterke ‘wanting’, minder ‘liking’.
Allostasis — Hersenaanpassing waarbij de balans van dopamine/stress verandert; men gebruikt meer om zich normaal te voelen.
Six Components Model — Verslaving heeft 6 kenmerken: salience, mood modification, tolerance, withdrawal, conflict, relapse.
Five Components Model — Verslaving heeft 5 kenmerken: appetitive effects, satiation, preoccupation, loss of control, negative consequences.
Dual-process model — Gedrag komt voort uit een samenspel van automatisch (impulsief) en gecontroleerd (reflectief) processen.
Subcortical systems — Lagere hersengebieden die betrokken zijn bij emoties en motivatie (zoals de amygdala, striatum).
Top-down control — Zelfbeheersing en controle vanuit de prefrontale cortex over impulsief gedrag.
Working memory training (WM) — Training om geheugen en zelfcontrole te versterken → helpt bij impulsbeheersing.
Cognitive Bias Modification (CBM) — Training die automatische denkpatronen verandert die verslaving ondersteunen.
Attentional Bias Modification (ABM) — Training om aandacht weg te sturen van verslavingsgerelateerde cues.
Approach Bias Modification (AAT) — Training om automatische neiging tot naderen van drugs te veranderen naar vermijden.
Drug cues — Prikkels (zoals geur, plek, mensen) die herinneren aan gebruik en craving oproepen.
Incentive salience — Betekenis en aantrekkingskracht die cues krijgen door herhaalde koppeling met beloning.
Attentional bias — De neiging om automatisch aandacht te richten op verslavingsgerelateerde prikkels.
Approach bias — Automatische neiging om verslavingsgerelateerde prikkels te benaderen in plaats van te vermijden.
Credibility — De betrouwbaarheid van wetenschappelijke bevindingen; belangrijk om overpathologiseren te voorkomen.
Pavlov’s Classical Conditioning — Leren door associatie: een neutrale prikkel (zoals geur) wordt gekoppeld aan een betekenisvolle prikkel (zoals drugs) → veroorzaakt dezelfde reactie.
Thorndike’s Law of Effect — Gedrag dat positieve gevolgen heeft, wordt herhaald; gedrag met negatieve gevolgen verdwijnt.
Operant Conditioning (Skinner) — Gedrag wordt beïnvloed door beloningen of straffen.
Positive reinforcement — Gedrag neemt toe door iets prettigs toe te voegen (bijv. euforie).
Negative reinforcement — Gedrag neemt toe door iets onaangenaams weg te nemen (bijv. stress, ontwenningspijn).
Social Learning Theory (Bandura) — Mensen leren door observatie van anderen; gedrag van rolmodellen wordt nagebootst.
Law of effect — Zelfde principe als bij Thorndike: gedrag met positief resultaat wordt versterkt.
Genetic vulnerability — Erfelijke aanleg vergroot kans op verslaving of risicogedrag.
Diathesis-stress model — Een kwetsbaarheid (diathese) komt tot uiting bij stress of negatieve omgevingsfactoren.
Inhibited domain — Persoonlijkheidsstijl met angst, somberheid of teruggetrokkenheid → risico op interne problemen.
Disinhibited domain — Persoonlijkheidsstijl met impulsiviteit en sensatiezucht → risico op externe problemen.
Prefrontal cortex — Deel van de hersenen dat verantwoordelijk is voor plannen, beslissen en impulscontrole.
Rewarding system — Limbisch systeem dat dopamine afgeeft en zorgt voor beloning en motivatie.
Internalizing problems — Problemen die naar binnen gericht zijn, zoals angst en depressie.
Externalizing problems — Problemen die naar buiten gericht zijn, zoals agressie, impulsiviteit of criminaliteit.
Self-medication hypothesis — Mensen gebruiken middelen om negatieve emoties of stress te verlichten.
Social deviance models — Modellen die verslaving koppelen aan afwijkend sociaal gedrag en normen.
Psychological dysregulation theories — Theorieën die verslaving verklaren door een tekort aan zelfbeheersing en emotieregulatie.
Comorbidity — Het gelijktijdig voorkomen van meerdere psychische stoornissen (bijv. ADHD en verslaving).
Cascade models — Risico’s bouwen zich op in opeenvolgende stappen; vroeg gedrag beïnvloedt latere problemen.
Bronfenbrenner’s Developmental Ecological Systems Theory — Ontwikkeling wordt beïnvloed door meerdere lagen: individu, relaties, gemeenschap en maatschappij.
Social Norms Theory — Gedrag wordt beïnvloed door wat jongeren denken dat anderen doen (beschrijvend) of goedkeuren (voorschrijvend).
Socialization — Proces waarin normen en waarden van de samenleving worden aangeleerd.
Just-in-time adaptive interventions (JITAIs) — Digitale interventies die op het juiste moment steun bieden, aangepast aan de context.
3 assumptions peer influence — (1) Gelijke risicogedragingen komen door beïnvloeding; (2) Peer pressure is de belangrijkste invloed; (3) Peers zijn sterke voorspellers van gedrag — maar dit hangt af van context en individu.
Maturity gap — Verschil tussen biologisch volwassen zijn en nog geen volwassen sociale status hebben → jongeren doen volwassen gedrag (zoals drinken) om volwassenheid te tonen.
Dual taxonomy model — Theorie die onderscheid maakt tussen tijdelijke antisociale gedragingen in de adolescentie en levenslange antisociale patronen.
Selection effects — Jongeren kiezen vrienden die op hen lijken (leeftijd, gedrag, interesses).
Influence effects — Jongeren passen hun gedrag aan om meer op hun vrienden te lijken.
Descriptive norms — Wat jongeren denken dat anderen doen (“Iedereen drinkt”).
Injunctive norms — Wat jongeren denken dat anderen goed- of afkeuren (“Mijn vrienden vinden drinken oké”).
Popularity norms — Gedrag van populaire jongeren bepaalt wat als “cool” of gewenst geldt.
Social identity theory — Mensen nemen gedrag over dat past bij de groep waarmee ze zich identificeren → versterkt groepsgevoel.
Mutual reinforcement — Wederzijdse beïnvloeding: jongeren en hun omgeving versterken elkaars gedrag.
Social hunger — De sterke behoefte aan sociale acceptatie of vriendschap, vooral in de adolescentie.
Homophily — Neiging om vrienden te kiezen die op jezelf lijken.
Differential Susceptibility Theory — Sommige jongeren zijn gevoeliger voor invloeden (positief én negatief), afhankelijk van hun biologische en psychologische aanleg.
General Parenting — Algemene opvoedstijl; balans tussen warmte (steun) en controle (regels). Autoritatieve ouders zijn meest effectief.
Behavior-specific parenting — Opvoeding gericht op bepaald gedrag (zoals regels over alcohol of schermtijd).
Parent modeling — Ouders beïnvloeden gedrag door voorbeeldgedrag; kinderen kopiëren wat ze zien.
Moderation — Een variabele die de sterkte of richting van een verband beïnvloedt (bijv. opvoeding beïnvloedt hoe sterk peer pressure werkt).
Mediation — Een tussenliggende factor verklaart het verband tussen twee variabelen (bijv. zelfcontrole verklaart hoe regels alcoholgebruik beïnvloeden).
Parental Phubbing — Ouders die op hun telefoon zitten tijdens interactie met hun kind → minder betrokkenheid, meer kans op problematisch mediagebruik bij het kind.
Restrictive mediation — Ouders stellen duidelijke regels en grenzen over mediagebruik → kan effectief zijn als regels vooraf duidelijk zijn.
Active mediation — Ouders praten met hun kind over mediagebruik → werkt alleen goed als communicatie positief en open is.
3 types of psychoactive drugs — Stimulerende middelen (zoals XTC, cafeïne), verdovende middelen (zoals alcohol, cannabis), en bewustzijnsveranderende middelen (zoals LSD, paddo’s).
Model of Zinberg – Drug, Set, Setting — Effect van drugs hangt af van de stof zelf (drug), de persoon (set: stemming, verwachtingen) en de omgeving (setting).
4 types of prevention —
1⃣ Universeel: gericht op iedereen (bijv. NIX18).
2⃣ Selectief: gericht op risicogroepen.
3⃣ Geïndiceerd: gericht op individuen met vroege signalen.
4⃣ Harm reduction: schadebeperking in plaats van volledig stoppen.
Macro level risk factors — Maatschappelijke factoren zoals inkomen, wetgeving, en culturele normen.
Micro level risk factors — Invloeden in directe omgeving zoals gezin, school en vrienden.
Personal influence risk factors — Individuele factoren zoals genetica, persoonlijkheid of stressgevoeligheid.
EDPQS (European Drug Prevention Quality Standards) — Europese richtlijnen voor kwaliteitsvolle drugspreventie: analyse, planning, uitvoering, evaluatie.
Stages of addiction (5) —
1⃣ Initiatie en sociaal gebruik
2⃣ Escalatie
3⃣ Ontwenning
4⃣ Terugval
5⃣ Verlies van controle
Brain disease — Verslaving verandert hersenstructuren (minder dopamine, slechtere zelfcontrole) → gezien als hersenziekte.
Nucleus Accumbens — Beloningsgebied in de hersenen waar dopamine vrijkomt bij gebruik van middelen.
Moral Model — Ziet verslaving als morele zwakte of gebrek aan wilskracht.
Pharmacological Model — Verslaving ontstaat door chemische werking van de stof op het brein.
Learning Model — Verslaving wordt gezien als aangeleerd gedrag dat versterkt wordt door beloning.
Positive reinforcement theory — Middelengebruik blijft bestaan omdat het plezierige gevoelens oproept (beloning).
Negative reinforcement theory — Middelengebruik blijft bestaan om negatieve gevoelens (stress, ontwenningspijn) te vermijden.
Incentive sensitization theory — Herhaald gebruik maakt hersenen overgevoelig voor beloningsprikkels → meer ‘willen’, minder ‘leuk vinden’.
Habit theory — Verslavingsgedrag begint doelgericht, maar wordt uiteindelijk automatisch (gewoontegedrag).
Ventral Tegmental Area (VTA) — Deel van het beloningssysteem dat dopamine afgeeft aan de nucleus accumbens.
Behavioral disinhibition / impulsivity theory — Verslaving ontstaat door verstoorde frontale hersenfuncties → minder impulscontrole.
Intracranial self-stimulation — Dieronderzoek: dieren stimuleren hun eigen beloningscentrum → toont kracht van beloningsprikkel.
Conditioned place preference — Dieren verkiezen plekken waar ze eerder drugs kregen → leerproces via beloning.
Operant self-administration — Dieren leren op een knop te drukken om drugs te krijgen → meet motivatie en controleverlies.
Two-bottle choice test — Dieren kiezen tussen water en alcohol → laat voorkeur en gebruik zien.
Punished self-administration — Onderzoek waarbij gebruik wordt gestraft (schok) om controleverlies te meten.
Devaluation of the substance — Onderzoek waarbij de waarde van de drug verlaagd wordt (bijv. vieze smaak) om gewoontevorming te testen.
Conditioned suppression — Dieren verdragen onaangename prikkels (zoals een toon) om drugs te krijgen → wijst op verslaving.
Mesolimbic system — Beloningsroute in de hersenen (VTA → nucleus accumbens) die dopamine vrijgeeft.
Dendrites — Uitlopers van zenuwcellen; veranderen door langdurig middelengebruik (meer vertakkingen bij verslaving).
Maturity gap — Het verschil tussen biologisch volwassen zijn en nog geen volwassen sociale rol hebben; verklaart waarom jongeren volwassen gedrag (zoals drinken) imiteren.
Unitary trend hypothesis — Alle risicogedragingen nemen samen toe of af door één algemene maatschappelijke trend.
Delayed initiation — Jongeren beginnen later met riskant gedrag (zoals drinken of roken) dan eerdere generaties.
Behavior-specific explanations — Elke vorm van risicogedrag heeft zijn eigen oorzaken en trends.
Cascade hypothesis — Een daling in één risicogedrag (bijv. roken) leidt tot daling in andere (bijv. drinken).
Knock-on effects — Gevolgketen: veranderingen in één gedrag hebben effect op ander gedrag.
Ecological model: Individual < Relationship < Community < Societal — Gedrag wordt beïnvloed door lagen van de omgeving: individu, relaties, gemeenschap, maatschappij.
Transtheoretical model (Stages of Change) — Verandering verloopt in fasen: precontemplation, contemplation, preparation, action, maintenance. Niet iedereen doorloopt alle stappen lineair.
Cognitive Dissonance Theory (Festinger) — Tegenstrijdige gedachten zorgen voor spanning → mensen veranderen hun gedrag of overtuigingen om die spanning te verminderen.
Motivational interviewing (MI) — Gespreksmethode die motivatie en zelfinzicht versterkt door empathie, zonder oordeel, en door “change talk” te stimuleren.
COM-B model — Gedrag ontstaat door drie elementen: Capability, Opportunity, Motivation.
Capability = vaardigheden en zelfcontrole
Opportunity = sociale en fysieke omgeving
Motivation = automatische en bewuste motivatie
Automatic motivation — Onbewuste drijfveren zoals emoties, gewoontes of impulsen.
Reflective motivation — Bewuste afwegingen en beslissingen om gedrag te sturen.
Physical/mental capability — Fysieke en cognitieve vaardigheden om gedrag uit te voeren (bijv. impulscontrole).
Psychological capability — Vertrouwen in eigen kunnen (self-efficacy).
Physical opportunity — Beschikbaarheid en bereikbaarheid van middelen of situaties.
Social opportunity — Sociale normen en verwachtingen die gedrag mogelijk maken of beperken.
How to use the Behavior Change Wheel model —
1⃣ Bepaal wat er moet veranderen (Capability, Opportunity, Motivation).
2⃣ Kies passende interventies (training, educatie, stimulansen).
3⃣ Ondersteun met beleid (wetgeving, communicatie, regels).