hoofstuk 7 mo
Voedselintoxicaties en Voedselinfecties
Inleiding
Voedselvergiftigingen (voedselintoxicaties):- Consumptie van LM met toxines.
Voorbeelden: Staphylococcus aureus, Clostridium perfringens, Clostridium botulinum, Bacillus cereus, mycotoxine-producerende schimmels.
Voedselinfecties:- Consumptie van LM met levende ziekteverwekkende bacteriën.
Voorbeelden: Salmonella, Shigella, Escherichia coli (VTEC), Vibrio cholerae, Vibrio parahaemolyticus, Campylobacter, Listeria monocytogenes, Yersinia enterocolitica, virussen.
YOPI's (Young, Old, Pregnant, Immunocompromised) zijn extra vatbaar.
Voedselintoxicaties
Gevolg van consumptie van LM waarin toxine aanwezig is door voorafgaande groei van ziekteverwekkende kiem.
Symptomen/Kenmerken:- Hoge aantallen in LM (> 10^5 kve/g) => toxinevorming.
Korte incubatieperiode (2-6u tot max. 8-12u).
Misselijkheid/braken/krampen/diarree/meestal geen koorts.
Toxines vaak hittestabiel.
Soms verlammingsverschijnselen (C. botulinum).
Soms kankerverwekkend (mycotoxines).
Lage aantallen cellen (< 10^5 kve/g) kunnen getolereerd worden.
Voedselintoxicanten:
Bacillus cereus.
Clostridium botulinum (neurotoxines).
(Clostridium perfringens (enterotoxines).)
Staphylococcus aureus (enterotoxines).
Schimmels (mycotoxines).
Voorwaarden ontwikkeling voedselintoxicatie:1. LM is besmet met vegetatieve cellen of sporen van toxine-producerende MO.
Geen/onvoldoende verhitting waardoor (her)besmetting blijft bestaan.
Sporen kiemen tot vegetatieve cellen / vegetatieve cellen groeien en produceren toxine (geschikte temperatuur/tijd).
Voldoende toxine gevormd in LM.
LM + toxine in voldoende hoeveelheden geconsumeerd.
Staphylococcus aureus
Eigenschappen:- Micrococcaceae.
Fac. anaëroob.
Gram + coc, druiventrosvorm.
Coagulase+ => indicatie voor toxineproducerend MO.
Niet sporenvormend.
Lage hitteresistentie
8 serotypes (A en D voedselintoxicatie bij mens).
S. aureus enterotoxines (SAE):- Acute voedselintoxicatie.
Gevormd in voldoende hoeveelheid > 1 à 5 x kve/g LM.
Goed bestand tegen hitte.
Symptomen:- Maagdarmontsteking
na korte incubatie (1-6u).
Braken, diarree, hoofdpijn, misselijk, buikkrampen, geen koorts.
Verdwijnen meestal spontaan (2-3 d).
Laag risico op .
Gr + coccen niet sporenvormend.
Opt. T: 37°C.
Besmettingsbronnen:- Mens en dier (runderen).
Neus, handen, haren, ogen, keel, ingewanden.
Verhitte en gezouten (zouttolerant) LM (begeleidende flora is weg).
Eiwitrijke LM (ham, melkproducten).
Slechte bereidingstechnieken(niet goed verhitten) → nabesmetting.
je kan dus een vm met staphylococcus aureus goed opwarmen en de staphylococcen afdoden, vervolgens is er na besmetting en niet voldoende koeling (warmer dan 10 graden) waardoor er weer staphylococcen aanwezig zijn en er toxines gevormd worden die BLIJVEN OVERLEVEN BIJ OPWARMING. de manier van opslaan na initiele doding van de staphylococcen is dus heel belangrijk om nabesmetting te voorkomen.
Maatregelen:- Persoonlijke en algemene hygiëne.
Bewaren: koeling ( besmetting wijst op onvoldoende verhitting en temperatuur misbruik aka niet goed koelen) of pH
S. aureus afdoden door verhitten/normale kookprocessen of γ-stralen.
Minimale groei condities:
Min. temp. (°C): 10. (kan dus niet overleven in de koelkast)
Min. pH: Groei: 4,5, Toxineproductie: 5,1.
Min. aw
: Groei: 0,83, Toxineproductie: 0,87.
Clostridium botulinum
Eigenschappen:- G +.
Staafvormig.
Obligaat anaëroob.
Sporenvormend.
Hittelabiele neurotoxines ⇒ verlammingsverschijnselen.
Indeling in 7 serotypes (A tem G).
Humaan pathogeen en oorzaak van voedselintoxicatie.- Type A en B < bodem.
Type E < modder, beekjes, zee, vis.
Ingedeeld in 4 groepen: I, II, III en IV-
Groep I:- Proteolytisch
- Type A, B of F.
- Min. T voor groei = 10°C. (iets warmer)(geen koelkast)
- Sporen met hoge hitteresistentie => probleem in gesteriliseerde LM.Groep II:- Niet-proteolytisch.
Type B, E of F.
Min. T voor groei = 3,3°C (psychrotroof).(overleeft in koelkast)
Sporen met lage hitteresistentie => probleem in gepasteuriseerde LM.
Neurotoxines:- Hittelabiel
BOTULISME: verlammingsverschijnselen.
MLD (minimale lethale dosis) is zeer laag → toxine is zeer toxisch → kan bij zeer kleine hoeveelheden zijn.
Symptomen:- 12 à 36 u. na de maaltijd.
1ste fase = gastro-intestinale symptomen: misselijkheid, braken, diarree.
2de fase = neurologische verschijnselen agv invloed ter hoogte van de zenuwbanen vb. spierzwakte en verlammingen, dubbelzien, slikstoornissen en ademnood, vaak dodelijke afloop !! (na 3 à 6d).
Bij zuigelingen (darmflora onvoldoende ontwikkeld) kunnen sporen van C. botulinum die met het voedsel in het lichaam komen alsnog ontkiemen.
Het neurotoxine dat vervolgens in de darm gevormd wordt, is voor de zuigeling dodelijk => ‘infantiel botulisme’.
Besmettingsbronnen:
- Grond (=> veevoeder)
water (=> groenten)
darmkanaal diverse diersoorten.
C. botulinum type E: in zeewater => vis! => let op met gerookte vacuümverpakte vis (sporen overleven rookproces)!
C. botulinum type B: in vlees.
Lage incidentie.
Maatregelen:
- Conserven voldoende steriliseren
12D concept botulinum cook: gemiddeld 3 minuten bij 121°C.
Gezwollen conserven: verwijderen.
Verhitte LM snel doorkoelen en verder gekoeld bewaren.
Opletten met gerookte vacuüm verpakte vis (na roken moet snel worden gekoeld en na verpakken moet er koel bewaard worden).
In gepasteuriseerde producten => sporen overleven. !!!!!
Conserveermiddelen (vb. nitriet) toepassen.
Verpakken in afwezigheid van zuurstof.
Bewaren onder koeling.
Minimale groei condities:
- Min. temp. (°C): Groep I: 10°C, Groep II: 3,3°C.
Min. pH: 4,6 à 5,0 (groei), 5,2 (toxineproductie).
Min. aw
: Groei: 0,93 à 0,97, Toxineproductie: 0,87.
Bacillus cereus
< genus Bacillus en familie Bacillaceae.
G + staafje.
Vormen kettingen (streptobacillen).
Algemeen in lucht, bodem, water.
Sporenvormend.
Beweeglijk.
Groeifactoren:- Normaal geen groei beneden 10°C maar er werden ook al psychrotrofe stammen (tot 4°C) geïsoleerd uit zuivelproducten en gekoelde gepasteuriseerde maaltijden.
pHmin = 4,9.
aw
min = 0,90 à 0,91.Facultatief anaëroob.
Thermoresistente sporen / sporen kiemen bij 50°C (warmteshock).
Produceert verschillende soorten toxines met verschillende ziektesymptomen:
- Diarree veroorzakend enterotoxine => diarree syndroom.
Emetisch enterotoxine (vomitoxine) => braken.
Diarree veroorzakende enterotoxines:- Door ± 70% van de B. cereus stammen geproduceerd (waaronder ook psychrotrofe types!).
Hittelabiel (5 min bij 56°C → toxine inactief).
Emetisch enterotoxines (vomitoxine):- Door ± 5% van de B. cereus stammen geproduceerd (niet door psychrotrofe types!).
Zeer hitteresistent (nog actief na 90 minuten op 121°C).
Is bestand tegen extreme pH-waarden.
Besmettingsbronnen:
- Veel voorkomend: lucht, bodem, water.
Lage aantallen zijn ongevaarlijk !! voorkomen dat de sporen kiemen en cellen zich vermenigvuldigen!!
Diarree-toxine: zetmeelrijke producten, desserten, puddingen, sauzen, soepen, …
Braaktoxine: meelproducten, gekookte rijst, nasi goreng, gedroogd voedsel, kruiden, specerijen, groenten.
Symptomen:
- Diarree syndroom:- Incubatieperiode: 8 – 16u.
- Abdominale pijn, waterige diarree, krampen (meestal niet braken en geen koorts) → symptomen lijken op die van C. perfringens.
- Herstel: meestal na 12 à 14u.Emetisch syndroom:- Incubatieperiode: 1 - 5u.
Duizeligheid, maagkrampen en braken en algemene malaise (zelden diarree, geen koorts) → symptomen lijken op die van S. aureus.
Herstel: vrij snel; 6 – 24u.
Maatregelen:- LM na verhitten onmiddellijk consumeren OF voldoende warm worden gehouden (> 60°C) OF snel afkoelen (< 10°C).
!! psychrotrofe B. cereus: liever bewaren bij 4°C dan bij 7°C
Minimale groei condities:- Min. temp. (°C): 10.
Min. pH: 4,9.
Min. aw
: Groei: 0,91.
Mycotoxinen
Toxische metabolieten gevormd door schimmels (Aspergillus, Penicillium en Fusarium spp.) in LM => vaak plantaardige grondstoffen (tijdens hun groei of tijdens opslag).
Gevoelige LM
- Droge grondstoffen: granen en afgeleide producten, specerijen, grondnoten, rijst, bloem …
Ook in dierlijke producten zoals melk (besmette voedergewassen).
Zeer ernstig: carcinogeen, mutageen, neurotoxisch,…
Belangrijkste groepen van mycotoxines:
Aflatoxines.
Fumonisines.
Ochratoxines.
Trichotecenen.
Zearalenone.
AFLATOXINES- Door A. flavus of A. parasiticus (in bodem).
Zijn acuut toxisch, carcinogeen en teratogeen.
Verhoogde kans op leverkanker.
Toxinevorming afhankelijk van klimaat (vocht, hoge T°).
Besmettingsbronnen:
- Directe contaminatie:
- Schimmelgroei en mycotoxineproductie gebeurt direct op het LM.
- Vooral droge LM (doch aw\ > 0,83) vb. granen of noten: kunnen besmet zijn met schimmels op het veld voor de oogst.Indirecte contaminatie:- Bij de bereiding van een LM werd een gecontamineerd ingrediënt gebruikt.
Consumptie van dierlijke producten (vlees of melk) van dieren die gecontamineerd veevoeder opgenomen hebben.
Maatregelen:-
Preventief:
- Droge opslag.
- Fungiciden.Detectie van schimmels en toxinen via labo-analyses.
Voedselinfecties
Opname van levende ziekteverwekkende bacteriën via drinkwater of voedsel brengt ziekteproces op gang:
1. entero-invasieve bacteriën- bacteriën hechten zich vast aan darmslijmvlies → ontsteking
- als afweerreactie vormt het darmweefsel veel slijm→ slijmerige diarree (+ soms bloed)
- bacteriën kunnen ook binnendringen in darmweefsel → koorts (en shock)entero-toxigene bacteriën- bacteriën scheiden in darm toxine af
toxine hecht zich vast aan darmweefsel en ontregelt waterhuishouding van de darm
→ ernstige diarree → uitdroging!!
Het gevolg van de consumptie van een levensmiddel (of drinkwater) dat besmet is met een levende cel van een voedselinfectant, die zich na opname in de darm zal ontwikkelen.
Eigenschappen/Symptomen:
- (zeer) lage aantallen (hoge virulentie).
lange incubatieperiode (8-36 uur): symptomen niet direct na consumptie.
braken / diarree/ misselijkheid / (hoge) koorts.
mortaliteit varieert ifv type infectant maar soms dodelijk (vb. L.monocytogenes voor YOPI).
Voedselinfectanten:
- Salmonella.
Escherichia coli.
Campylobacter jejuni.
Yersinia enterocolitica.
Listeria monocytogenes.
Virussen (vb. Norovirus).
Salmonella
< Enterobacteriaceae.
Fac. anaëroob.
Staafvormig.
Gramnegatief.
> 2500 soorten (serotypes).
Classificatie in serotypes op basis van O-, K- en H-ant
beweegelijk
niet sporenvormend
Belangrijke pathogene serotypes
Typhoïdale Salmonella : verwekkers van tyfus en paratyfus (overdracht
van mens tot mens)
• S. typhi
• S. paratyphi
=> zeer ernstige ziekten
=> in Europa en VS bijna niet meer, wel in landen met slechte sanitaire en drinkwater voorzieningen
Non-typhoïdale Salmonella
oorzaak van salmonellose (infectie door voedsel overdracht)
Salmonella ENTERITIDIS
→ incidentie hoog (2de meest garapporteerd in EU)
→ meestal door eten van besmet vlees van
pluimvee of van besmette eieren
• Salmonella typhimurium
Infectieve dosis varieert van 10 tot 10’6 cellen ifv:
immuniteit gastheer
virulentie serotype van de stam
=> meeste bronnen : 10’5 à 10’7 cellen maar lagere dosissen
veroorzaakten ook al salmonellosis
Besmettingsbronnen
- darmkanaal van mens en van in de vrije natuur levende dieren en
landbouwhuisdieren (varkens, pluimvee)
- oppervlaktewater, bodem
Infectieroute
contact met dieren of eten van fecaal materie
(her)besmet en niet/onvoldoende verhitte LM of fecaal besmet water
Risico-producten
– meestal producten van dierlijke oorsprong
• eieren en zuivelproducten met eieren (vb. ijs, pudding,…)
• gevogeltevlees en vleeswaren ervan
• varkensvlees en vleeswaren ervan
– occasioneel via fecaal besmet water ook groenten, oesters en mossels
Symptomen:
2 soorten:
- gastro-enteritis: (ontsteking darmslijmvlies)
- incubatieperiode: 8 -72u
- milde koorts, buikkrampen, misselijk en braken, niet bloederige diarree
- meestal zelf-limiterend (<7 dagen) (behalve ouderen en kinderen)
- zelden met complicaties => lage mortaliteit = 0,1 à 0,2 %
Groeifactoren
• Geen groei in koeling (Tmin. = 7°C) (opt. T = 37°C)
• pHmin = (4 à) 4,5
• awmin = 0,95 (maar overleving in droge LM)
• Aëroob tot facultatief anaëroob
• Afgedood door verhitting (pasteurisatie /sterilisatie) maar LM met verlaagde
aw, hoog eiwit- en vetgehalte verhogen de hitteresistentie vb. overleving
Salmonella in melkpoeder en chocolade)
maatregelen
- hygiëne!! → besmetting vermijden
- controle van grondstoffen en ingrediënten
- vernietigen door: pasteuriseren
sterilisatie
- koel bewaren
Escherichia Coli
• < Enterobacteriaceae
• < subgroep coliformen:
lactosefermenterende entero’s (lactase +)
met gasvorming
• Fac. anaëroob
• Gram-negatief staafje
• Niet sporenvormend
• Verschillende serotypes : verschillende
antigene eigenschappen:
– O-antigen (celwandoppervlak)
– H-antigen (flagel)
• Slechts bepaalde (niet allemaal)
serotypes zijn humaanpathogeen, meer specifiek enteropathogeen:
veroorzaken enteritis (darmontsteking
met diarree)
Humaanpathogene E. coli => indeling in groepen op basis van
virulentie-eigenschappen, interacties met de darmwand, O:H
serogroepen, enz...
EHEC
• produceren verotoxines VT1 of VT2 of shiga-like toxines (=> zeer toxisch
voor darmcellen en niercellen) + andere virulentiefactoren betrokken bij
hun hechting aan darm
• vb. E. coli O157:H7 , E. coli O104:H4
• Lage infectieve dosis: 10 cellen / 3 à 9 dagen incubatietijd
• Veroorzaken enteritis (diarree, buikpijn, niet altijd koorts) + eventueel
complicaties : hemorragische colitis: bloederige darmontsteking met
HUS (hemolytisch uremisch syndroom)
• Hoge mortaliteit
• Besmettingsbronnen:
- normale darmflora (onschadelijke commensalen) van mens- en
warmbloedige dieren → feces
- via feces → in natuur → in water en LM
- fecale contaminatie < karkassen tijdens slachtprocessen
• Risico-producten
- runderkarkassen
- rauw rundergehakt
- rauwe of onvoldoende verhitte hamburgers (gemalen rundsvlees):
hamburgerbacterie
- rauwe melk en rauwmelkse kaas
- rauwe groenten (zaadspruiten en sla) eerder zeldzaam maar mogelijk
• Groeifactoren:
• Minimum groeitemperatuur: 6-8°C
• pH min. = 4,5 °C
• awmin = 0,95
• Faculatief anaeroob
• Gevoelig voor verhitting (vanaf 50°C): overleving wijst op onvoldoende
pasteurisatie of nabesmetting
maatregelen
- hygiëne!! → besmetting vermijden
- controle van grondstoffen en ingrediënten
- vernietigen door pasteuriseren, steriliseren
- koel bewaren
Campylobacter
• G –
• Micro-aërofiel
• Oxidase +
• Katalase +
• Niet sporenvormend
• Dé belangrijkste humane
voedselpathogeen in EU
• Verschillende vormen:
– Sterk beweeglijke S-vormige staafjes en spiraalvormen
(jonge culturen)
– onbeweeglijke niet-kweekbare coccen
Belangrijkste pathogene species zijn C. jejuni en C. coli
⇒ Acute enterocolitis (campylobacteriosis)
⇒ Infectieve dosis varieert van 500 tot 100.000 cellen
7.2.6 Campylobacter
• Symptomen:
- incubatieperiode: 2 – 5 dagen (soms tot 10 dagen)
- acute enterocolitis; diarree, spierpijn, algemene malaise, pijn in de
onderbuik (soms ook koorts, verwarring, delirium)
- diarree duurt ongeveer 2 tot 3 dagen, pijn in de onderbuik kan weken
duren
- zelden dodelijk
Besmettingsbronnen
- commensalen in de ingewanden van pluimvee, runderen, varkens, schapen,
honden en katten
- vb. kippen: C. jejuni => gevogeltevlees
- vb. varkens : C. coli => varkensvlees
- (ook runderen)
Risicoproducten
- rauw of onvoldoende verhit gevogeltevlees (en varkensvlees)
- rauwe melk
- besmet water
- schaal- en schelpdieren (via fecaal verontreinigd water)
• Groeifactoren:
• Thermotroof : kan niet groeien in koeling (Tmin. = 32°C) maar overleving bij
frigoT°
• pHmin = 4,9
• awmin = 0,99
• Micro-aërofiel: groei optimaal bij 5% zuurstof en 10% CO2
• Vrij gevoelig voor hitte (ook pasteurisatietemperaturen), zout, desinfectantia,
invriezen en indrogen
Maatregelen
hygiëne!! besmetting vermijden
- controle van grondstoffen en
ingrediënten
- vernietigen door pasteuriseren,
steriliseren
- koel bewaren
Listeria monocytogenes
Facultatief anaëroob
• Gram-positief staafje
• Beweeglijk (20 -25°C)/ onbeweeglijk (30-37°C)
• Oxidase +
• Katalase +
• Geslacht Listeria bevat 6 soorten waaronder pathogeen L.
monocytogenes
• Moeilijk af te doden/behoorlijk resistent
– Hitte
– Nitraat
– Zout
– Zuur
– Lage zuurstofspanning
– Koelen, vriezen
Ziekte = listeriose
• Infectieve dosis < 1000 cellen voor gevoelige
personen
• Incubatieperiode: 1 dag – enkele maanden
• Lage incidentie
• Hoge mortaliteit : 9,5% sterfte (2022) en vnl. bij
verzwakte personen (YOPI-groep)
• Symptomen:
– Griepachtig: koorts, vermoeidheid, rillingen,
hoofdpijn (braken, diarree)
– Meningitis (hersenvliesontsteking)
– Septicemie (bacteriële infectie in bloedstroom)
– Teratogeen (door placenta)
– Ontsteking van zenuwen
– Endocarditis (ontsteking van hart- en bloedvaten)
– Abcessen, huidinfectie
– Abortus bij zwangere vrouwen
Besmettingsbronnen
Ruim verspreid in de omgeving (overal in de natuur: bodem,
oppervlaktewater, planten, darminhoud van gezonde dieren en
mensen
• Stallen, slachthuizen, fabrieksruimten waar voedsel wordt verwerkt
(rioolputjes, ventilatoren van koelinstallaties), keukens (afvalemmers,
vaatdoeken, koelkasten,…)
risicoproducten
• Rauwe LM (melk, vlees, vis, groenten)
• Verwerkte LM zonder verhitting vb. rauwmelkse kazen, gefermenteerde
vleeswaren, koud gerookte vis
• Verhitte en nabesmette LM: versneden voorverpakte gekookte
vleeswaren (paté!), kant-en-klare maaltijden
Groeifactoren:
• psychrotroof (tot 0°C)
• pHmin = 4,3-4,5
• awmin = 0,92 (laag!) , vrij zouttolerant
• facultatief anaëroob (groei onder vacuüm en MAP)
• Meest hitteresistente vegetatieve pathogeen P0 = 2 (2 min. 70°C)
=> komt gemakkelijk tot ontwikkeling in LM / vrij resistent
maatregelen
- hygiëne!! → (na)besmetting vermijden
- controle van grondstoffen en ingrediënten
- vernietigen door pasteuriseren, steriliseren
- koel bewaren houdt een risico in!
- aandacht voor waterafvoersysteem in bedrijven 62
Yersinia enterocolitica
< Enterobacteriaceae (geen coliform!)
• Gram-negatief staafje
• 17 Yersinia species waarvan 3
pathogeen voor de mens:
• Yersinia enterocolitica (enkele stammen => voedselinfectie yersiniosis)
• Yersinia pseudotuberculosis
(voedselinfectie yersiniosis)
• Yersinia pestis (de pestbacterie, niet via voedsel, enkel buiten EU)
Zeer heterogeen species met verschillende biotypes, serotypes en
faagtypes
belangrijkste pathogene stammen behoren slechts tot
een beperkt aantal van deze types => Stammen van biotype 4, serotype
O:3 zijn hoofdzakelijk verantwoordelijk voor “yersiniosis” in Europa
• Yersiniosis - symptomen:
• Gastro-enteritis : diarree (soms bloederig, > 1 week), buikpijn + koorts
• Soms pseudo-appendicitis
• Incubatieperiode varieert van 1 tot 11 dagen
• Minimale infectieve dosis is tot nu toe nog niet bekend
• Een van de belangrijkste voedselinfectanten in EU
• EU-2009: 7500 gerapporteerde infecties
• België: ongeveer 300 gevallen/jaar
• Vooral bij jonge kinderen (< 4 jaar)Voorkomen
besmettingswegen
• Wijdverspreid in de natuur
• In veel verschillende dieren maar varkens zijn meest besmet (in mondholte
en darm) => levensmiddelen
• In fecaal besmet water
Risicoproducten
• Varkensvlees (vooral varkenstongen en gemalen varkensvlees)
• Rauwe melk en ervan afgeleid ijs (occasioneel in gepasteuriseerde melk
agv nabesmetting)
Kenmerken
Psychrotroof en kan groeien tot -1°C
• Groei is mogelijk tot pH 4,2
• De bacterie is vrij hittegevoelig (D60 = 0,4 à 0,5 min.) maar redelijk
tolerant ten opzichte van zout (min. aw = 0,945 à 0,96)
maatregelen
- hygiëne!! → besmetting vermijden
!! koel bewaren → geen efficiënte bescherming !!
- strikte hygiëne in slachthuizen!
bacteriën (vanuit mondholte of darminhoud)
↓
kunnen o.a. karkas contamineren
- vernietigen door pasteuriseren of sterilis