thema 1 voortplantingsstelsel (1)

Voortplanting bij de mens

/

  • Seksuele voortplanting is essentieel, maar complex.

  • Productie van voortplantingscellen, hormonale sturing en bevruchting zijn ingewikkeld.

  • Processen starten voor de geboorte en beïnvloeden vruchtbaarheid en ontwikkeling.

  • Factoren beïnvloeden voortplanting en ontwikkeling ongeboren kind.

  • Methoden om vruchtbaarheid kunstmatig te stimuleren of onderdrukken.

Witte Neushoorn Redding

  • Er zijn nog maar twee noordelijke witte neushoorns op de wereld, beiden vrouwtjes.

  • Eicellen geoogst uit Najin en Fatu (witte neushoorns in Kenia).

  • Tien eitjes, vijf van elk dier, kunstmatig geïnsemineerd met ingevroren sperma.

  • Embryo's worden overgezet naar baarmoeder van surrogaat moeders (zuidelijke witte neushoorns).

  • Eicellen via sonde en ultrasound gehaald, dieren waren verdoofd.

  • Vijf jaar gewerkt om eerste stap in voortplanting te maken.

  • Techniek en apparatuur vanaf nul ontwikkeld.

  • Hoog aantal succesvol geoogste eicellen dankzij samenwerking wetenschappers, dierentuin experts en natuurbeheerders.

  • Nu kan in vitro embryo van noordelijke witte neushoorn gemaakt worden, een eerste stap naar voortplanting.

  • Een team wetenschappers is erin geslaagd om een zuidelijke witte neushoorn met succes te bevruchten dankzij in-vitrofertilisatietechnieken (ivf).

  • Nu kunnen ze aan de slag met ingevroren embryo's van noordelijke witte neushoorns.

  • Mogelijk over 3 jaar een noordelijke witte neushoornbaby.

  • Pairi Daiza heeft bijgedragen aan het experiment met zuidelijke witte neushoorns.

  • Eicellen afgenomen van Ellie in Pairi Daiza.

  • Bevrucht met sperma in een Italiaans lab in Cremona.

  • Vruchtje ingeplant bij Curra in Kenia.

  • Eicellen moesten op een exacte temperatuur afgenomen worden, waarna de arts naar een mobiel lab moest.

  • Team specialisten van BioRescue trieerde de eicellen na extractie in het mobiel lab in Pairi Daiza.

  • Draagmoeder Curra overleed twee maanden na overdracht door Clostridium-bacterie (tetanus/botulisme).

  • Verblijf Curra was overstroomd door hevige regen, waardoor sporen van de bacterie vrijkwamen.

  • Autopsie wees uit dat Curra in verwachting was van een 70 dagen oude mannelijke foetus van 6,4 centimeter lang.

  • DNA-onderzoek bevestigde het resultaat van de embryotransplantatie.

  • Er zijn nog maar 2 noordelijke witte neushoorns, vrouwtjes die niet succesvol bevrucht kunnen worden.

  • Onderzoekers gebruiken eicellen van Fatu en Najin, de laatste twee vrouwelijke noordelijke witte neushoorns.

  • Ze gebruiken ingevroren sperma van 5 mannelijke noordelijke witte neushoorns (vandaag niet meer in leven).

  • Het doel is in vitro bevruchting om een embryo van een noordelijke witte neushoorn te creëren.

  • Draagmoederschap door een zuidelijke witte neushoorn kan leiden tot een baby noordelijke witte neushoorn.

  • Op 12 mei is een veulen geboren uit een onrijpe ingevroren eicel die in het labo ontdooid, gerijpt, bevrucht en gekweekt werd tot een embryo dat bij een draagmerrie werd ingeplant.

  • Nooit eerder zijn al deze stappen samen succesvol toegepast bij een paard, meldt de Universiteit Gent.

  • Op de faculteit diergeneeskunde van de Universiteit Gent in Merelbeke is het allereerste Europese paard geboren dat verwekt is met in-vitrofertilisatie (IVF).

  • De geboorte van het veulentje biedt veel mogelijkheden voor de paardenhouderij.

Anatomie van het voortplantingsstelsel

  • Geslachtsklieren (gonaden) produceren gameten en geslachtshormonen.

  • Kanalen transporteren gameten en klieren produceren ondersteunende vloeistoffen.

  • Copulatieorganen maken seksuele overdracht van gameten mogelijk.

  • Vrouwelijk voortplantingsstelsel is gescheiden van uitscheidingsstelsel, bij mannen gedeeld (urogenitale stelsel).

  • Organen zijn aanwezig vanaf de geboorte, maar functioneel actief vanaf de puberteit.

Primaire bouw van het vrouwelijk voortplantingsstelsel

  • Vanaf vruchtbare leeftijd: eicellen rijpen, geslachtshormonen produceren, ongeboren kind beschermen en voeden.

  • Eicellen rijpen in eierstokken (ovaria).

  • Ovaria liggen vast in buikholte met ligamenten en bindweefsel, verbonden met eileider (tuba uterina).

  • Eileider is 12 cm lange buis tussen ovarium en baarmoeder.

  • Eileider heeft trechtervormig uiteinde met vingervormige uitsteeksels richting ovarium, versmalt richting baarmoeder.

  • Opbouw eileider: laag glad spierweefsel, epitheellaag met trilhaarcellen en slijmproducerende kliercellen.

  • Beide eileiders monden bovenaan in baarmoeder (uterus) uit.

  • Baarmoeder is peervormig (8 cm lang, 5 cm diameter) met baarmoederholte centraal.

  • Baarmoeder versmalt tot baarmoederhals (cervix) en mondt uit in vagina via baarmoedermond.

  • Slijmvlieslaag aan binnenkant baarmoeder: endometrium.

  • Daaronder: sterke spierlaag (myometrium), begrensd door epitheellaag (perimetrium).

  • Vagina is 9 cm lang kanaalvormig orgaan.

  • Vaginawand is elastisch met glad spierweefsel en slijmvlieslaag met melkzuur producerende bacteriën.

  • Zuur milieu (pH 3,8-4,5) beschermt tegen infecties.

  • Vagina staat via vaginale opening in verbinding met buitenkant lichaam.

  • Initieel is de vaginale opening deels afgeschermd van de buitenwereld door een geperforeerd maagdenvlies of hymen.

  • Delen van vrouwelijke urogenitale stelsel die uitwendig zichtbaar zijn: vulva.

  • Boven vaginale opening: urinebuisopening.

  • Binnenste schaamlippen (labia minora) omgeven vaginale opening.

  • Bovenaan, waar binnenste schaamlippen samenkomen: eikel van clitoris.

  • Clitoris is genotsorgaan, grotendeels inwendig, opgebouwd uit clitoriswortel, -lichaam en -eikel.

  • Clitoriswortel bestaat uit twee paar zwellichamen aan weerszijden vaginale opening.

  • Dichtst tegen vaginale opening: zachte/vestibulaire zwellichamen, met klieren van Bartholin onderaan.

  • Rond vestibulaire zwellichamen: caverneuze zwellichamen, die boven urinebuis samenkomen en zorgen voor V-vormige structuur van clitoriswortel.

  • Clitorislichaam is enkele centimeters lang, bedekt door huidplooi (clitorishoed), die clitoriseikel omringt en beschermt.

  • Clitoriseikel (5 mm klein) is uitwendig zichtbaar, bevat >10.000 zenuwuiteinden die prikkeling intens waarnemen.

  • Naast binnenste schaamlippen liggen buitenste schaamlippen (labia majora).

  • Zij omgeven de zwellichamen, voornamelijk bestaande uit vetweefsel en zweet-, talg- en feromoonproducerende klieren.

Primaire bouw van het mannelijk voortplantingsstelsel

  • Vanaf vruchtbare leeftijd: productie zaadcellen en zaadvloeistof, productie mannelijke geslachtshormonen (androgenen).

  • Aanmaak zaadcellen en androgenen in teelballen (testes).

  • Twee teelballen in balzak (scrotum).

  • Dunne spierlaag in huid balzak kan teelballen optillen bij koud water, huid rimpelt.

  • Spieren (balheffer) kunnen teelballen dichter/verder van lichaam brengen om temperatuur te regelen (35°C35 °C is optimaal voor zaadcelvorming).

  • Stevige bindweefsellaag omgeeft testes en deelt ze inwendig op in 250-tal teelballobben.

  • Vanuit elke teelballob monden enkele zaadbuisjes via netwerk van kanaaltjes uit in bijbal (epididymis).

  • Bijbal is startpunt mannelijke tractus genitalis (afvoersysteem kanalen om zaadcellen te transporteren).

  • Bijbal ligt tegen testis, is sterk opgevouwen buis van wel 6 m lang.

  • Functies bijbal: zaadvloeistof, opslag rijpende zaadcellen, recyclage beschadigde/te oude zaadcellen.

  • Bijbal gaat over in 34 cm lang kanaal: zaadleider (ductus deferens).

  • Zaadleiderwand bezit drie lagen glad spierweefsel (peristaltische beweging) en epitheellaag met slijmklier- en trilhaarcellen.

  • Zaadleider, bloed-/lymfevaten en zenuwen komen via zaadstreng buikholte binnen langs weerszijden urineblaas.

  • Uiteinde zaadleider is verbreed en mondt uit in ejaculatiekanaal, ook verbonden met afvoergang zaadblaasje (vesicula seminalis).

  • Zaadblaasje is 10 cm lange buisvormige klier die zaadvloeistof produceert.

  • Ejaculatiekanaal is ca. 2 cm lang, loopt doorheen prostaat en mondt uit in urinebuis.

  • Prostaat is klier (diameter ca. 4 cm) die urinebuis omringt, net onder urineblaas.

  • Prostaat produceert deel zaadvocht.

  • Aan basis penis bevindt zich aan elke zijde een klier van Cowper (diameter ca. 1 cm), produceert alkalisch slijm dat urinezuur neutraliseert en eikel smeert.

  • Penis (copulatieorgaan) heeft drie delen: peniswortel (onderaan in bekkenbodem, niet uitwendig zichtbaar), penislichaam (vanaf schaambeen tot eikel) en eikel (sterk bezenuwd, urinebuisopening).

  • Voorhuid is stukje huid dat eikel omgeeft en eraan vasthangt met toompje.

  • Op overgang tussen penislichaam en eikel liggen kliertjes die smegma produceren (smeermiddel eikel en voorhuid).

  • Inwendig bestaat penis uit drie zwellichamen die zich bij seksuele stimulatie vullen met bloed (erectie).

  • Caverneuze zwellichamen (bovenzijde) bevatten ruime holtes (cavernes).

  • Aan onderzijde ligt spongieuze zwellichaam, dat urinebuis omgeeft en uitwendig de eikel vormt.

Seksuele ontwikkelingsstadia bij de mens

(geen details)

Gametogenese

  • Laatste fase voortplantingscyclus mens: productie gameten (gametogenese).

  • Hoe, waar en wanneer gameetvorming specifiek plaatsvindt, verschilt bij mannen en vrouwen.

Bouw en functie van de ovaria

  • Dubbele functie eierstokken: endocriene geslachtsklieren (productie oestrogeen, progesteron, inhibine) en ontwikkeling eicellen.

  • Buitenzijde: germinaal epitheel omgeeft cortex (schors), de zone waar primordiale kiemcellen gevormd worden.

  • Naar centrum ovarium: medulla met toe- en afvoerende bloedvaten (cruciaal voor hormonale werking).

  • Bloedvaten komen via ligamenten de ovaria binnen.

Oögenese en folliculogenese

  • In ovaria vindt gametogenese van eicellen (oögenese) plaats.

  • Al voor geboorte, tijdens embryonale ontwikkeling, ontstaan in ovaria talrijke diploïde primitieve kiemcellen.

  • Deze differentiëren tot functionele kiemcellen (oögonia).

  • Door snelle mitotische delingen van oögonia tijdens foetale ontwikkeling vormen er zich tegen de 25ste zwangerschapsweek ongeveer zeven miljoen stuks.

  • Ondertussen repliceren de oögonia hun DNA en beginnen ze aan de eerste meiotische deling. Deze deling stopt in profase I.

  • De eicellen worden vanaf dat moment primaire oöcyten genoemd.

Primordiale follikel met primaire oöcyt
  • Nog voor de geboorte ontstaat rond de oögonia een dunne laag vlakke follikelcellen.

  • Die hebben een beschermende en voedende functie.

  • Ze vormen primordiale follikels met een diameter van 0,04 mm.

  • Primordiale follikels blijven in rust en zijn tot de puberteit weinig of niet biologisch actief.

  • Sommige vertonen geen activiteit tot de menopauze.

  • Het aantal primordiale follikels neemt op het einde van de foetale fase gestaag af tot ongeveer 1 miljoen stuks vlak voor de geboorte en tot gemiddeld 400 000 stuks tegen de start van de puberteit.

  • Van alle primordiale follikels waarmee een meisje wordt geboren, zal slechts 0,1 % leiden tot een ovulatie: het gaat dan om ongeveer 400 primordiale follikels.

  • Het overgrote deel zal dus niet rijpen of tijdens het rijpingsproces atrofiëren.

  • Tegen de menopauze is het aantal gemiddeld gedaald tot minder dan 1000 follikels per ovarium.

Primaire follikel met primaire oöcyt
  • Tijdens de puberteit ondergaan groepen follikels een rijpingsproces van ongeveer een jaar -> folliculogenese.

  • Die eindigt in een ovulatie of in atrofie.

  • Tijdens de ontwikkeling van de follikel transformeren primordiale follikels eerst in primaire follikels.

  • De primaire oöcyt kent in deze fase een aanzienlijke groei van 0,025 mm tot bijna 0,12 mm diameter.

  • Rond de primaire oöcyt vormt zich een laag glycoproteïnen: het pellucidevlies of de zona pellucida.

  • Die laag scheidt de oöcyt van de omliggende laag follikelcellen.

  • Zodra ze gevormd is, blijft deze laag als een bescherming rond de oöcyt zitten, tot enkele dagen na de ovulatie en eventuele bevruchting.

  • De follikelcellen zijn omgeven door een beschermende laag, het basaal membraan.

  • Naast glycoproteïnen bevat deze laag ook specifieke enzymen die het binnendringen van de zaadcellen mogelijk maakt.

  • Tussen het celmembraan van de eicel en het pellucidevlies ontstaat de perivitellineruimte.

  • Aan de binnenkant van het celmembraan van de eicel ontstaan kleine blaasjes met enzymen: de corticale granulen.

  • De perivitellineruimte en de corticale granulen spelen later een belangrijke rol tijdens de bevruchting.

Secundaire follikel met primaire oöcyt
  • Vanaf het 8ste levensjaar rijpen er langzaam continu enkele honderden primaire follikels in beide ovaria.

  • Na een tijdje ontwikkelen ze zich tot secundaire follikels door de vorming van meer ronde follikelcellen binnen het basaal membraan, een nieuwe laag vlakke follikelcellen buiten het basaal membraan en een complex netwerk van haarvaten.

  • Op het einde van de secundaire ontwikkeling heeft de follikel een diameter van 0,4 mm. Die bezit dan een volgroeide primaire oöcyt omgeven door een pellucidevlies, meerdere lagen follikelcellen en een netwerk van haarvaten.

  • Op het einde van deze fase start de ontwikkeling van het antrum of de follikelholte.

  • De primaire oöcyt zal niet verder ontwikkelen tot vlak voor de ovulatie. Dan pas wordt de meiose I verder afgewerkt.

  • De laag van follikelcellen rond de oöcyt verdikt, waardoor de follikel groeit tot 0,2 mm. Primaire follikelcellen ontwikkelen meer receptoren voor het follikelstimulerend hormoon (FSH), maar ze zijn er op dat moment nog niet afhankelijk van voor de rijping.

Tertiaire follikel met primaire oöcyt
  • Rond de puberteit ontstaan er voor het eerst tertiaire follikels.

  • Dat zijn follikels die voor hun verdere rijping wel afhankelijk zijn van het FSH.

  • Bij de tertiaire follikels blijven de follikelcellen mitotisch delen, waardoor de follikels en de follikelholtes steeds groter worden.

  • Een toename van de FSH-productie in de hypofyse aan het einde van de luteale fase leidt tot de activatie van een 20-tal tertiaire follikels om verder te rijpen.

  • Ondertussen concurreren de geselecteerde tertiaire follikels met elkaar voor het FSH.

  • De follikels met minder FSH-receptoren ontwikkelen niet verder. Hun groei stopt en ze atrofiëren.

  • Tegen het begin van de folliculaire fase zijn er nog een 5-tal follikels over. Ze hebben een diameter van 5 mm. Deze follikels rijpen verder in de folliculaire fase van de nieuwe menstruele cyclus en groeien tegen dag 5 uit tot follikels met een diameter van 10 mm.

  • Eén follikel, de dominante follikel, blijkt meer FSH te binden en groeit sneller dan de andere tertiaire follikels.

  • Vanaf de 6de dag in de folliculaire fase groeit deze dominante follikel snel uit tot 16 mm diameter. De resterende tertiaire follikels atrofiëren.

Graafse follikel met secundaire oöcyt
  • De dominante follikel zal in de resterende dagen van de folliculaire fase verder rijpen tot een follikel van 20 mm diameter, om de graafse follikel te worden.

  • De graafse follikel barst uiteindelijk open tijdens de eisprong of ovulatie, 14 dagen voor de menstruatie, waarmee de folliculogenese wordt afgesloten. De rijping van tertiaire follikel tot graafse follikel duurt gemiddeld 15 tot 20 dagen.

  • De diploïde primaire oöcyt herstart vlak voor de ovulatie de eerste meiotische deling.

  • De delende oöcyt ondergaat een asymmetrische celdeling, waarbij bijna al het cytoplasma, de celorganellen en de helft van de chromosomen naar één dochtercel gaan: de haploïde secundaire oöcyt.

  • De overgebleven helft van de chromosomen gaat naar een kleinere dochtercel: het poollichaampje.

  • De oöcyt bereikt dan de maximale grootte, met een diameter van 0,2 mm.

  • De secundaire oöcyt start meteen, nog voor de ovulatie, een tweede meiotische deling.

  • Tijdens de overgang van profase II naar metafase II start de ovulatie en komt de secundaire oöcyt met het follikelvocht terecht in de eileider.

  • De oöcyt, omringd door het pellucidevlies en een laag follikelcellen of corona radiata, stopt tijdens de ovulatie met delen in metafase II.

  • Enkel bij een bevruchting zal de meiose verder afgewerkt worden.

Follikel en oöcyt na de ovulatie
  • De overblijvende follikelcellen differentiëren verder tot het geel lichaam of corpus luteum.

  • Na de bevruchting gaat meiose Il verder, met de vorming van een tweede poollichaampje.

  • Op het moment dat de tweede meiotische deling is afgewerkt, is ook de zaadcelkern in de eicel aanwezig. Dit dikaryotische stadium (n+n) wordt de oötide genoemd.

  • Het geel lichaam blijft de volgende 10 weken van de embryonale ontwikkeling behouden.

  • Als er geen bevruchting plaatsvindt, wordt de tweede meiotische deling niet voltooid en atrofieert de secundaire oöcyt na ongeveer 24 uur.

  • Het geel lichaam blijft verder differentiëren tot de 7de dag na de ovulatie. Nadien breken macrofagen het geel lichaam langzaam af.

  • Tegen de 12de dag na ovulatie valt de hormonale werking van het geel lichaam helemaal stil en is het geel lichaam omgevormd tot het wit lichaam of corpus albicans.

  • Voor de geboorte worden de primaire oocyten omringd door een enkele laag follikelcellen en vormen ze zo de primordiale follikels. Deze follikels blijven behouden tot de rijping vanaf de puberteit tot de menopauze.

  • Vanaf de puberteit tot de menopauze ontwikkelen zich voortdurend primordiale follikels tot primaire follikels door de toename van het aantal omringende follikelcellen.

  • Wanneer er een buitenste laag vlakke follikelcellen gevormd wordt en er ruimtes ontstaan tussen de binnenste follikelcellen, is de secundaire follikel gevormd.

  • De secundaire follikel groeit uit met nog meer follikelcellen en één grote centrale follikelholte, cie met follikelvocht gevuld is (ongeveer 65 dagen).Dit stadium is dat van de tertiaire follikel, die blijft groeien tot de maximale grootte als graafse follikel bereikt is.

  • Vlak voor de ovulatie vervolledigt de diploïde primaire oöcyt (2n) meiose I en vormt zich de haploide secundaire oöcyt (n) en een eerste klein poollichaampje (n).

  • De secundaire oocyt start meteen met meiose II. Tijdens de ovulatie scheurt de graafse follikel open, en komt de secundaire oöcyt in profase Il vrij uit het ovarium. Die ontwikkelt meteen verder tot metafase II.

  • Hierna stopt melose II, tot er een bevruchting volgt.

  • Bij een bevruchting vervolledigt de secundaire Däcyt meiose Il en vormt zich de dikaryotische oötide (n+n) en een tweede klein poollichaampje (n).

  • Na de kernversmelting van de twee pronuclei ontstaat de diploïde zygote (2n).

  • Na de ovulatie vormen de follikelcellen zich om tat geel lichaam.

  • Na twee weken zonder bevruchting of 12 weken na een bevruchting degenereert het geel lichaam tot een klein litteken: het wit lichaam.

Hormonale regeling bij de vrouw

  • Heel wat hormonen regelen de menstruatiecyclus. Je kan de menstruatiecyclus indelen in 3 deelcycli op basis van de betrokken hormonen en de plaats in het lichaam:

Hypothalamus-Hypofyse CYCLUS

  • GnRH

  • FSH en LH

Eierstok CYCLUS

  • follikelcellen

  • eisprong

  • geel lichaam

  • oestrogeen

  • drempel

  • oestrogeen

  • progesteron

Baarmoeder CYCLUS

  • oestrogeen

  • progesteron

  • menstruatiefase

  • groeifase

  • secretiefase

  • De hormonale cyclus bedraagt gemiddeld 28 dagen en start met de ovulatie.

  • Binnen de 24h moet de eicel bevrucht worden, zoniet sterft ze af.

  • De menstruele bloedingen beginnen normaalgezien 14 dagen na de ovulatie.

  • menstruatie: baarmoederslijmvlies wordt afgestoten wanneer de eicel niet bevrucht wordt.

  • De menstruele cyclus wordt vanaf de puberteit door bepaalde hormonen van de hypothalamus & hypofyse aangestuurd.

  • De hypothalamus geeft de hypofyse een seintje waardoor de hypofyse de hormonen FSH en LH afgeeft.

  • Van dag 1 tot dag 10 blijven de FSH/LH- concentratie laag.

  • Tijdens het rijpingsproces van de eicel worden de vrouwelijke geslachtshormonen oestrogeen (1) en progesteron (2) geproduceerd.

  • 1 en (2) zorgen ervoor dat: - Het baarmoederslijmvlies dikker wordt - bloedvaten in het baarmoederslijmvlies zich sterk gaan ontwikkelen.

  • FSH = follikelstimulerend hormoon stimuleert de groei en rijping van een follikel in de eierstok met daarin een eicel. Deze follikel geeft oestrogeen af.

  • LH = luteïniserend hormoon stimuleert de eisprong en de verdere ontwikkeling tot het ‘geel lichaam’. Dit geel lichaam geeft zowel oestrogeen als progesteron af.

  • Door de groei en rijping van een (Graafse) follikel in de eierstok geeft deze follikel oestrogeen af.

  • Via de controle van een negatief feedbacksysteem vanaf dag 1 tot dag 10 remt de aanmaak van oestrogeen door de Graafse follikel de aanmaak van FSH en LH.

  • Via de controle van een positief feedbacksysteem vanaf dag 10 tot dag 14 zorgt dit ervoor dat de hypofyse meer FSH en LH zal afgeven.

  • De 3 hormonale ‘pieken’ (oestrogeen, FSH en LH) veroorzaken de ovulatie.

  • De lege follikel (zonder eicel) = gele lichaam

  • Het corpus luteum (gele lichaam) maakt naast oestrogeen ook progesteron aan.

  • Het corpus luteum (gele lichaam) maakt naast oestrogeen ook progesteron aan.

  • Via de controle van een negatief feedbacksysteem vanaf dag 14 tot dag 28 remt de aanmaak van progesteron door het gele lichaam de aanmaak van FSH en LH, zodat geen nieuwe ovulatie kan ontstaan.

  • Zonder bevruchting: - verdwijnt het gele lichaam waardoor de hoeveelheid oestrogeen en progesteron daalt. - laat het baarmoederslijmvlies los en de menstruatie komt op gang.

  • Temperatuurmethode: zo’n 12-24h na de ovulatie stijgt onder invloed van het hormoon progesteron de lichaamstemperatuur van 0,3 tot 0,5 °C.

  • oestrogeen: - verantwoordelijk voor het laten rijpen van de eicellen en het inleiden van de menstruatie - stimuleert de ontwikkeling van een gezond baarmoederslijmvlies

  • Temperatuurmethode: zo’n 12-24h na de ovulatie stijgt onder invloed van het hormoon progesteron de lichaamstemperatuur van 0,3 tot 0,5 °C.

  • progesteron: (pro-gestere) - maakt de baarmoeder geschikt voor het innestelen van een bevruchte eicel

Zaadcelreservoir

  • Sperma komt in eileider, zaadcellen binden met kop aan trilharen van epitheel en vormen zaadcelreservoir.

  • Aangetoond bij verschillende zoogdieren.

  • Bij mensen vermoedelijk ook, omdat geslachtsgemeenschap dagen voor ovulatie zwangerschap kan veroorzaken.

  • Binding aan epitheelcellen zorgt dat zaadcellen beweeglijk en vruchtbaar blijven (dagen tot jaren, afhankelijk van soort).

Van gameet tot bevruchting

  • Seksueel gedrag is complex, gaat over liefde, genegenheid, genot.

  • Gameten moeten samensmelten voor bevruchting.

  • Paringsgedrag is ingewikkelde samenwerking fysieke en mentale elementen.

  • Bij mannen orgasme vereist voor ejaculatie en vruchtbaarheid, bij vrouwen niet.

  • Ovulatie bij vrouwen uitwendig moeilijk waar te nemen.

    • Zaadblaasjes → maakt sperma licht alkalisch ter bescherming van het zuur milieu vagina, Fructose, Aminozuren, vitamines, enzymen

    • Vocht prostaat à zaadcellen activeren en beschermen

    • Vocht klier van Cowper à Neutraliseren van de urineresten, Reinigen van de urinebuis en het werkt als een natuurlijk glijmiddel

  • Sperma = 2 – 5 ml à 5% spermatozoa = 20 – 100 miljoen à 95% zaadvocht.

  • 250-tal zaadcellen bereikt de ampulla

  • Opening eileider → slechts 10% van de overgebleven zaadcellen slaagt erin om de juiste eileider effectief in te zwemmen.

  • Als er nog geen ovulatie is, produceert het vrouwelijk lichaam proteïnen die de zaadcellen tegen de eileiderwand in slaap doen vallen.

  • Op het moment van de ovulatie stijgt de progesteronconcentratie en koppelen de zaadcellen zich los van de epitheelcellen van de eileider. De 250 overlevende zaadcellen zwemmen verder naar de eicel.

  • Het endometrium bezit buiten de immuunrespons ook veel crypten waar zaadcellen in verloren kunnen zwemmen. 10% van de overgebleven zaadcellen maakt met succes de tocht door het endometrium naar de eileideropening. * Tijdens de vruchtbare periode raakt een deel van de zaadcellen doorheen het vloeibare cervicale slijm in de baarmoederhals. Het kanaal in de baarmoederhals is gevuld met slijm en de wanden zijn golvend, met voor zaadcellen diepe crypten. Buiten de vruchtbare periode is er geen passage mogelijk.

  • In de vagina komt de alkalische spermavloeistof in contact met het zure vaginale milieu. Een deel van de zaadcellen is niet goed gevormd en kan daardoor niet goed zwemmen. Een ander deel zwemt richting de vaginale opening in plaats van naar de baarmoedermond.

Zaadcelbarrières en bevruchtingskansen

  • Zuur milieu van de vagina & Witte bloedcellen (zaadcellen = lichaamsvreemd)

  • Cervix bevat een slijmprop, = ontoegankelijk tenzij tijdens de vruchtbare periode

  • Uterus → Lange afstand

  • Eileider → Tegen de richting van de trilharen, Verkeerde eileider & Zaadcellen kleven vast aan epitheelcellen -> Progesteron stijgt à koppelen los

5 Stappen om eicel binnen te dringen
  1. Zaadcel bindt aan de receptoren in de zona pellucida

  2. Door de zona radiata dringen

  3. Zaadcel in de perivitelline ruimte

  4. Acrosomale reactie

  • 24u na ovulatie = geen bevruchting meer mogelijk, Thv eileider

  • Zaadcellen ondergaan laatste aanpassingen = CAPACITATIE -> Geïnduceerd door toename progesteron, Sneller zwemmen & Zaadcelkop verandert van structuur

  • Zaadcellen bezitten op celoppervlak
    enzymen, receptoren + werking zweepstaart à
    Weg door de corona radiata.

  • 1 zaadcel bindt op de receptoren van de zona pellucida à Start acrosomale reacite = vrijstelling acrosoomenzymen ~~
    -> Gevolg: zona pellucida lost plaatselijk op à Zaadcel kan door zona pellucid

  • Zaadcel in de perivitelline ruimte + bindt op de receptoren van de celmembraan van de eicel.

  • Celmembraan zaadcel + celmemnbraan eicel à Versmelten ~~
    Zaadcelkern komt in de eicel terecht -> Zaadcelkern vormt zich om tot mannelijke halpoïde pronucleus

  • Zaadcelkop versmelt met eicel. -> Corticale granules è Liggen net onder de celmembraan -> Geven enzymes af via exocytose in de perivitelline ruimte = corticale reactie à Zone pellucida hardt uit en wordt ondoordringbaar bevruchtingsmembraan àVrije receptoren op celmembraan eicel worden geblokkeerd.

  • Afwerking 2de meiotische deling àMannelijke en vrouwelijke haploïde pronucleus = dikaryotische oötide (n + n) --> Twee pronucleï versmelten door microtubuli= AMFIMIXIS --> diploïde zygote (2n) -> 1ste klievingsdeling (mitose)

  • Klievingsdelingen = mitotische delingen
    àCellen die dan ontstaan = blastomeren à= totipotente stamcellen -> kunnen uitgroeien tot alle -> mogelijke celtypes van een organisme

  • BLASTULA = blastocyst

  • 2 cellagen - Trofoblast (buitenzijde à moederkoek of placenta) - Embryoblast (à embryo) + bastocoele (holte gevuld met vocht) = pluripot