Hoofdstuk 3: Regenten en Vorsten (1600-1700)

Tijdvak 6: De Tijd van Regenten en Vorsten (1600-1700)

  • Algemene kenmerk: Vroegmoderne tijd met een landbouw- stedelijke samenleving.

Machthebbers in Europa

  • Lodewijk XIV:

    • Koning van Frankrijk van 1643 tot 1715.
    • Bekend als de "Zonnekoning" en streed naar absolutisme (onbeperkte macht).
    • Veroveringen in Vlaanderen.
    • Bouw van Versailles versterkte zijn binnenlandse macht.
  • De Roemrijke Revolutie:

    • In 1688, conflict met koning Jacobus II van Engeland.
    • Willem III van Oranje viel Engeland aan en werd koning met Maria.

Bestuur van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden

  • Structuur:

    • Bestaat uit onafhankelijke gewesten.
    • Staten-Generaal: hoogste bestuur dat beslissingen neemt over legion en buitenlands beleid.
    • Regenten: beheersen steden, gewesten, en Staten-Generaal (oligarchie).
  • Stadhouder:

    • Bevelhebber van het leger en toezicht op rechtspraak.
    • De samenwerking met regenten was soms gespannen.

De Gouden Eeuw (17e eeuw)

  • Economie:

    • Bloeiende economie, rijkste land van Europa, gedreven door handel.
    • Amsterdam als handelscentrum:
    • Belangrijke stapelplaats voor goederen zoals graan.
    • Kapitalisme: investeringen om winst te maken, Handelskapitalisme leidde tot economische groei.
  • Groei van Steden:

    • Verstedelijking door bloeiende werkgelegenheid.
    • Ontstaan van de grachtengordel in Amsterdam.

Oorlogen en Expansie

  • Oorlogen:

    • Konflikten met Engeland en Frankrijk.
    • 1672: Grote aanval door Engeland, Frankrijk, en anderen.
  • Hugo de Groot:

    • Formuleert ideeën voor het volkenrecht en oorlogsrecht (oorlog alleen zelfverdediging).
  • VOC (Vereenigde Oost-Indische Compagnie):

    • Opgericht in 1602, monopoliseerde de handel in Azië.
    • Jan Pieterszoon Coen als gouverneur-generaal richtte Batavia op.

Migratie en Diversiteit

  • Migratie:

    • Veel migranten kwamen naar Nederland om economische redenen (veiligheid, arbeid).
    • Grote aantallen hugenoten en joden vonden toevlucht in de Republiek.
  • Push- en Pullfactoren:

    • Push: armoede, oorlog, geloofsvervolging.
    • Pull: gewetensvrijheid, welvaart, werkgelegenheid.

Stedelijke Cultuur

  • Kunst en Cultuur:

    • Schilderkunst als prominent voorbeeld van stedelijke cultuur.
    • Voorbeelden van kunstenaars: Rembrandt, Gerard Dou
    • Literatuur bloeide door schrijvers als Jacob Cats en Joost van den Vondel.
  • Vrijheid:

    • Relatieve vrijheid voor burgers vergeleken met andere Europese landen (gewetensvrijheid vs godsdienstvrijheid).

Wetenschap en Techniek

  • Wetenschappelijke Revolutie:

    • Nadruk op systematisch onderzoek, waarnemingen, en het ontstaan van natuurwetten.
    • Belangrijke wetenschappers: Galileo Galilei, Isaac Newton.
  • Toepassingen in de landbouw:

    • Technische vooruitgang, zoals inpoldering en vernieuwende technieken verdriedubbelde de agricultuur en zorgde voor meer opbrengst.