INLEIDING (begrippenlijst)
Page 1:
BEGRIPPENLIJST: INLEIDING (Wat is geschiedenis?)
historicus: wetenschapper die het verleden bestudeert
primaire bronnen: bronnen gemaakt door een tijdgenoot
secundaire bronnen: bronnen die gemaakt werden in een latere tijd
kritisch zijn: zelfstandig informatie analyseren en beoordelen
niet zomaar alles blindelings geloven
historische kritiek: methode om systematisch en kritisch de waarde van bronnen uit het verleden te bepalen of te achterhalen
referentiekader: structuur waarin historici bronnenmateriaal ordenen (vb. per tijd, per regio, per domein)
historische bron: een overblijfsel uit het verleden
historisch werk: het product van historisch onderzoek door historici op basis van historische bronnen
STRUCTUURBEGRIPPEN
chronologie: ordening in tijd
periode (tijdvak): afbakening in tijd (historische periode)
tijdrekening: manier om te situeren in tijd (vb. tijdrekening voor en na Christus, de islamitische tijdrekening)
continuïteit: verderzetting, geen verandering
evolutie: geleidelijke verandering
breuk: plotse verandering
oorzaak: reden waarom iets gebeurt
gevolg: resultaat van feiten en/of gebeurtenissen
doel: reden waarom iets gedaan, gezegd of geschreven wordt
representativiteit: de mate waarin een bron typisch is voor een bepaalde groep of samenleving
bruikbaarheid: de mate waarin een bron je helpt een antwoord te vinden op je historische vraag
betrouwbaarheid: de mate waarin de informatie uit de bron overeenkomt met wat werkelijk gebeurd is
feit: iets waarvan de waarheid vaststaat
interpretatie: proces van zoeken naar betekenis en verklaring
West-Europees: regio in Europa waartoe de huidige Benelux, Frankrijk en Duitsland behoren
westers: de cultuur, politiek en economie van West-Europese samenlevingen en bij uitbreiding van andere regio’s die deze gebruiken hebben overgenomen
maritiem: behorend tot de zee
globaal: verwijst naar de wereld
Page 2:
lokaal: plaatselijk, van beperkte geografische schaal of invloed
standplaatsgebondenheid: hoe de context (tijd, plaats, situatie) waarin een mens zich bevindt, zijn denken en handelen beïnvloedt
beeldvorming (reconstructie): een voorstelling (beeld) van iets uit het verleden
geschiedenis: de wetenschap die het verleden bestudeert
verleden: al datgene wat vroeger gebeurd is
subjectief: gebaseerd op meningen, oordelen, vooroordelen
objectief: gebaseerd op feiten zonder mening of oordeel
perspectief: standpunt van waaruit je iets bekijkt (vb. als dader of als slachtoffer, als Europeaan of als Amerikaan …)