H1: Kennis, wetenschappelijk onderzoek en ruimtelijke planning
1.1 Inleiding
Verschil tussen wetenschappen en ontwerpwetenschappen:
Wetenschappers focussen op analyse: hoe zit iets in elkaar.
Ontwerpwetenschappen gaat over actie, de wereld verbeteren. Hiervoor heb je kennis nodig. Er is een heel duidelijke link tussen ontwerpen en kennis, want je veronderstelt veel. De keuzes die je maakt in zo’n proces, doe je op de basis van aannames over hoe de wereld is en hoe de wereld zal reageren op een bepaalde interventie.
Planning: van kennis naar actie.
‘To plan in the world, planners must first know the world. Knowledge is what enables planners to carry out their intentions and “those who write about planning theory,” the British theorist Heather Campbell (2012, 137) has remarked, “are essentially writing about the nature, role, and (mis)use of knowledge.”
Planning gaat over: wetenschap en..
kennis: wetenschap legt nadruk op beschrijven, verklaren en begrijpen
actie: bij planning is actie essentieel. Interventies gebeuren rationeel niet willekeurig. Op basis van wetenschappelijke inzichten.
Planning ook wel ‘scientific management’: de plaats die kennis en wetenschap dienen te spelen in een samenleving.
Verlichting: is periode van rede, overtuiging dat mens wereld kan bergrijpen en op basis van die inzichten kunnen en moeten handelen (rationeel denken). Is reactie op irrationeel geachte wereldbeelden, besluiten en (bij)geloof van monarchen en de kerk.
→ in de periode van kolonisatie. Contacten met inheemse volkeren, hun inzichten en lezing van de ‘Europese’ cultuur, werden ook in Europa besproken en reflecties hierover hebben mee het verlichtingsdenken gevormd.
Verlichtingsdenken: planners zijn kritisch over (voor hun irrationele) beslissingen die politici nemen op basis van eigenbelang, de belangen van mensen uit hun persoonlijk netwerk, of een gebrek aan kennis. Beslissingen dienen genomen te worden in het algemeen belang en om maatschappelijke vooruitgang na te streven. Planners zijn specialisten en experten die bruggen bouwen tussen kennis en actie.
De wetenschap is veel belangrijker geworden in de samenleving. Het idee van het verlichtingsdenken: dat wetenschap en rationaliteit een superieure manier is om de samenleving te organiseren. Vroeger was de maatschappelijke verdeling had de religieuze invulling, en dan heb je de evolutie gehad. De verlichting is een lang proces. Een proces van een zoektocht naar rationaliteit en een wetenschappelijke methode om ook aan beleid te doen. De ontkerking en het opkomen van de wetenschap is de maatschappelijk proces. Wetenschap zit midden in de samenleving.
Wetenschappers zijn niet neutraal. Maar moeten zich wel aan de regels houden. Staan niet onafhankelijk van de wereld. Wetenschappers zijn geïnspireerd door waarden. Waarden en normen inspireert ook wat iemand relevant vindt. Er is een verschil tussen wat je onderzoekt, waarom je dat doet en hoe je dat doet.
waarden: stabiele voorkeuren van bevolking en vormen domein van politieke en demografische besluitvorming. Waarden hangen samen met de algemene doelen die het volk bepaalt.
feiten: experten zijn technisch, ze bepalen op welke manier en met welke middelen die doelen kunnen worden bereikt op basis van wetenschappelijke en technische kennis over feiten en wetenschappelijke wetten. Vooral effectiviteit en efficiëntie worden gebruikt als criteria om te beoordelen over hoe goed of rationeel deze middelen zijn.
→ kritiek op deze visie: waardenvrije en neutrale karakter van wetenschappelijke kennis wordt in vraag gesteld.
Als wetenschap een eredienst is geworden kan dat vrij ver gaan. Het kan en rol krijgen die ze eigenlijk niet hoort te krijgen. Dat wanneer we aan politiek doen, wanneer er besluiten worden genomen. Dat je dan wetenschap gebruikt, volledig terecht. Maar hier is het gevaar van technocratie:
– technocratie: politiek reduceren tot wetenschap -> wetenschap kan een rol krijgen dat die niet hoort te krijgen. Kennis staat los van macht. Grote delen van beleid toevertrouwen aan experten beperkt de keuzes die een bevolking kan maken.
Niet wetenschappelijke instituties = ook rationeel en logisch, wetenschappers niet altijd consequent en soms arbitraire (willekeurig) beslissingen. De discussies over waarden en ethiek worden opzij geschoven. Want de wetenschappers zullen het wel doen.
De manier/overtuiging dat beleid wordt gestoeld op wetenschap.
Centrale planning is gebaseerd op sterk geloof in mogelijkheden van mensen om maatschappij te kennen en beleid te ontwikkelen met voorspelbare gevolgen, niet iedereen gelooft dit.
=> verschillende visies op wetenschap en planning.
Paradigma: in planningswereld verschillende manieren om onderzoeksvragen te ontwikkelen, met diverse theoretische perspectieven en methodologische benaderingen. Meer een opvatting van ‘hoe moet wetenschap gebeuren’, ‘op welke manier moeten we aan wetenschap doen’.
Een paradigma “verwijst naar een reeks overtuigingen en concepten die vorm geven aan een bepaalde manier om de wereld te begrijpen. Het presenteert een wereldbeeld dat voor de houder ervan de aard van de ‘wereld’ definieert. Het omvat theorieën, onderzoeksmethoden en normen voor wat de kwaliteit van bevindingen inhoudt.”
→ paradigma is een hoger niveau dan een individuele theorie. Zeker als we een theorie zien als ‘een reeks concepten en ideeën en de voorgestelde relaties daartussen, een structuur die bedoeld is om iets over de wereld vast te leggen of te modelleren.’
theorie: Een theorie beschrijft en verklaart het verband tussen een aantal factoren. Zegt iets over de variabelen, als dit stijgt daalt dat. Het beschrijft mechanismen die aan het werk zijn en verbanden van variabelen.
Bv.: de vloeroppervlakte zegt iets over de prijs van het huis.methodologie: meer een algemene aanpak dan methode. Een heel duidelijk stappenplan. Dit wordt verwacht, dat komt eruit. (zie hieronder)
methode: een specifieke techniek om data te verzamelen en te analyseren.
Paradigma’s: verschillen van elkaar op verschillende vlakken. Bv.: doel wetenschappelijk onderzoek, de vraag wat kennis is, hoe kennis ‘groeit’ en zich ontwikkelt, de gebruikte criteria om te bepalen wat goed onderzoek is, onderliggende waarden, ethiek, de rol, positie, en ‘stem’ van wetenschapper, opleiding, etc.
Wetenschappers gaan zich identificeren met een bepaald paradigma of een bepaald paradigma volgen. Of van het een naar het andere gaan.
positivisme: vaak als referentie omdat andere paradigma’s in belangrijke mate gevormd zijn vanuit een reactie op (wat in positivisme gezien wordt als) dé wetenschappelijke methode.
postpositivisme: heeft elementen van het positivisme maar gaat het anders bekijken.
critical studies: hier gaat vaak critical Theory zien. Geen theorie maar wel een paradigma.
constructivisme: het idee van de realiteit die wordt geconstrueerd door mensen.
participatieve paradigma: hoe ga je om met mensen. Hoe ga je samen kennis opbouwen, om daar daarna iets mee te doen.
Verschillen tussen paradigma’s op vlak van 3 essentiële kenmerken:
ontologie: gaat over ‘wat is’. Onderliggende visie op wat de ‘realiteit’ is, en of/hoe er een reële wereld bestaat die los staat van onze observaties.
epistemologie/kennisleer: de vraag wat kennis is, over de relatie tussen de realiteit en de kennis daarover, en over de vraag hoe we kennis kunnen beoordelen als betrouwbaar, correct of juist.
méthodologie: een manier om kennis te bekomen, een aanpak, algemene aanpak voor onderzoek te kunnen doen, de welke geïnspireerd word door de onderliggende epistemologische (het moment waarop eerder aanvaarde wetenschappelijke kennis wordt verworpen), ideologische en ethische visie. Het is een kader waarbinnen specifieke methoden worden gekozen om iets te onderzoeken.
Methodes: correcte dingen die je doet om op een systematische manier gegevens te generen en te analyseren, en zo tot een nieuwe kennis te komen.
→ methodologie verwijst naar een meer algemene aanpak en benadering, terwijl onderzoeksmethoden meer concreet en specifiek zijn.
Er zijn ook andere indelingen:
formele of deductieve wetenschappen versus ervaringswetenschappen (inductief empirisch)
deductie: op basis van logica ontwikkelen van theorieën.
empirische benadering legt nadruk op observatie en ontwikkelen van theorieën op basis van de geobserveerde realiteit (empirie).
natuurwetenschappen, gedragswetenschappen, geesteswetenschappen en cultuurwetenschappen
exacte wetenschappen, fundamenteel onderzoek versus toegepaste wetenschappen
‘physical scietists’ versus ‘literary intellectuals’ als twee verschillende ‘culturen’
academische disciplines
…
→ Er zijn veel soorten indelingen (soms problematisch en overlappend). De veelheid aan indelingen illustreert hoe divers en dynamisch wetenschap is. Het is belangrijk te beseffen dat verschillende benaderingen en paradigma’s niet altijd compatibel zijn. Doordat definities, concepten, de ontologie, epistemologie en methodologie verschillen, is er geen gemeenschappelijke taal om een fenomeen te beschrijven en verklaren. Eénzelfde term (bv energie) kan op verschillende en heel uiteenlopende manieren worden begrepen. Wanneer paradisma’s zodanig verschillend zijn dat een uitwisseling van opgedane kennis niet mogelijk is = incommensurabiliteit, onderlinge onmeetbaarheid.
Onderzoekers hebben een verschillende visie op wetenschap en onderzoek.
methodestrijd: een debat over ‘wat is wetenschap’. Discussie of geesteswetenschappen op dezelfde wijze benadert kan worden als natuurwetenschappen. Strijd is nog altijd bezig.
verklaren – verstehen: onderscheid tussen natuurwetenschappen waar nadruk ligt op ervaring, experiment, mathematische formaliseringen van wetmatigheden (verklaren) EN geesteswetenschappen die zich richten op het begrijpen (verstehen).
nomothetisch – idiografisch: onderscheid tussen nomothetische wetenschappen die trachten algemene wetmatigheden te formuleren en ideografische wetenschappen (ideo = eigen; grafisch = beschrijven) die niet gericht zijn op het formuleren van algemene wetten maar op individuele fenomenen.
Bv.: Waarom is een oorlog begonnen? Dat heeft te maken met verschillende welvaart of macht. Je kan een rationele verklaring zoeken en de variabelen, dat meten en daarmee model maken dat voorspelt de oorlog tussen twee landen. → volgens natuurwetenschappen gedacht.
Andere zeggen ‘nee, dan moet je in de geschiedenis kijken’. Dat is een andere manier. Je kent het niet reduceren tot maar 3 variabelen. Je moet het anders bekijken. Meer in de specifieke invulling.
De nadruk op algemene wetten (zoals in natuurwetenschappen) worden door heel wat wetenschappers ongeschikt geacht om het te hebben over verschijnselen die deel uitmaken van een unieke historische constellatie (het gehele samenstel van factoren dat invloed op iets uitoefent). Om dergelijke fenomenen conceptueel te vatten, werken ze niet met algemene wetten maar met ideaaltypes.
– ideaaltypes: een ideaaltypische stad, dorp, etc. is een soort schets van de basisstructuur van een fenomeen, ook al bestaat het niet in de realiteit in een zuivere vorm. Het is een conceptueel hulpmiddel om de complexe realiteit te vatten.
Bv.: het kapitalisme bestaat niet 100% in de zuivere vorm. Maar je gebruikt het als een concept om het te hebben over de realiteit. goed wetende dat de realiteit nooit in zuivere vorm zal bestaan.
Natuurwetenschappelijk en sociaalwetenschappelijk onderzoek kan nomothetisch zijn wanneer men wetmatigheden zoekt in de samenleving. Bv.: modellen die migratiestromen voorspellen op basis van grootte en welvaart van het herkomstgebied, en de afstand daartussen. Daarnaast zijn er ook natuurwetenschappelijke vormen van ‘begrijpen’ (verstehen).
1.2 Positivistische kijk op kennis en wetenschap
Positivistische kijk is een norm of referentie van kennis en wetenschap waar velen tegen gaan reageren. Daarom is het juist belangrijk dat je niet kan begrijpen wat de reactie is tegen, als je het geen waarop ze reageren onvoldoende kent.
Kan worden beschouw als een referentie waar ook andere paradigma’s naar verwijzen. Wetenschap gaat over problemen op het vlak van kennis.
kennis: uitspraken doen over een realiteit. Elke voorstelling, elk denkbeeld of elke overtuiging waarvan we aannemen dat die met zekere ‘werkelijkheid/realiteit’ overeenkomt.
Dat overeenkomen met werkelijkheid laat toe om voorspellingen te maken zodat mensen kunnen plannen (bv landbouw). Maar het gaat daarbij niet noodzakelijk om wetenschappelijke kennis of wetenschap. Wetenschap gaat over een specifieke soort kennis.wetenschap: ‘een menselijke activiteit die erop gericht is tot gesystematiseerde en betrouwbare kennis te komen, een geheel van uitspraken, wetten of theorieën betreffende een enigszins samenhangend probleemgebied, die aan de volgende eisen beantwoorden:’
communiceerbaar
systematisch (geordend): een streng protocol volgen. Je bouwt argumentatie systematisch op.
betrouwbaarheid controleerbaar: je moet het kunnen testen.
→ voorwaarden niet vervuld, is geen wetenschap. Het kan onwetenschap zijn, pseudowetenschap maar het is geen wetenschap.
Niet elke vorm van kennis is wetenschap op basis van deze definitie.
=> kennis die niet vatbaar is voor communicatie en controle, of die niet gesystematiseerd is, kan geen aanspraak maken op het statuut van ‘wetenschap’.
Wetenschap valt onder mechanismen die mensen gebruiken om informatie te verwerken. Dit laat toe om op onderbouwde, rationele wijze het gedrag aan te passen, zodat mensheid zichzelf in stand houdt, of het leven aangenamer kan maken. Mensen maken daarbij een voorstelling van hun omgeving en leggen verbanden (associaties) tussen verschijnselen. Bv mythes, legenden, etc. Taal speelt een belangrijke rol. Taal helpt kennis te onderhouden en door te geven aan anderen. De mens heeft drang om orde en structuur te geven aan informatie, en dus aan de werkelijkheid. Wetenschap sluit aan bij deze drang. Echter, er zijn massa’s voorbeelden van mislukking en foute interpretaties.
Mensen hebben drang om rationeel te denken en handelen maar zijn ook vatbaar voor houdingen die niet als wetenschappelijk worden beschouwd.
dogmatisme: reeks opvattingen niet aan kritiek of controle onderwerpen en deze beschouwen als een onwrikbare waarheid. Is een bepaalde stelling hebben en daar niet van af willen wijken. Is de vijand van de wetenschap. Wetenschap wenst betrouwbare kennis na te streven.
experimentele methode: die is gericht op het verwerven van betrouwbare kennis. Het wordt gezien als de te benaderen referentie, waarbij modellen worden getest met experimenten (bewijzen). Dit vereist:
ondubbelzinnige formulering van theorie
strenge controle door feiten
De experimentele methode tracht dit ideaal zo dicht mogelijk te benaderen. Deze methode heeft voor een grote vooruitgang gezorgd. Wetenschap wordt geplaagd door strategisch gedrag omdat allerhande belangen spelen. Wetenschap biedt niet onmiddellijk een ondubbelzinnig antwoord op ethische en politieke vragen die opduiken bij het toepassen van onderzoek en technologie. Bij planning staan dergelijke vragen echter centraal. Sommige positivisten oordelen dat heel wat belangrijke vragen waar maatschappelijk debat over bestaat, gaan over welke maatregelen tot het maatschappelijke gewenste resultaat leiden, waarbij er een grote mate van consensus is over het vooropgestelde doel, en het aan de wetenschap is om de beste maatregel te bepalen om dat doel te bereiken.
Rationaliteit: rationele benadering wenst betrouwbare antwoorden te zoeken op vragen. Maar (wetenschaps)filosofen blijven discussiëren over wat een goede wetenschappelijke, rationele argumentatie is. Twee kenmerken die niet als rationeel worden beschouwd:
irrationeel: ideeën die overtuigend weerlegd zijn door wetenschap (bv astrologie, creationisme)
a-rationeel: niet over wetenschappelijke argumentatie vatbaar (bv favoriete sport)
Wetenschappers voelen zich soms bedreigd door pseudowetenschap
Pseudowetenschap: verzameling van opvattingen die worden gepresenteerd alsof ze wetenschappelijk zijn, terwijl dat niet het geval is. Een theorie is wetenschappelijk als het vatbaar is voor empirische toetsing. Dat houdt in dat men uit de theorie hypothesen kan afleiden die al dan niet stand houden bij controle door feiten.
Een belangrijk concept hierbij is de ‘hypothese’:
Hypothese: is een veronderstelling over een mogelijke ‘toestand in de wereld’. In de statistiek = het kwalitatief toetsbare. Een hypothese is altijd een veronderstelling over het groter geheel, een populatie.
Voorspelling: Hypothese is des te interessanter naarmate ze preciezer, en dus minder waarschijnlijk, is. Hoe preciezer, hoe een groter risico het heeft. Het concept wetenschappelijke voorspelling niet verwarren met ik voorspel de toekomst.
Theorie testen: binnen het positivistische paradigma heeft het testen op hypothesen een permanente plaats. Als een belangrijke hypothese in een theorie verworpen wordt na een test, dan is deze theorie vals, niet onwetenschappelijk. Dit is in tegenstelling tot pseudowetenschap, geen falsifieerbar, nauwkeurige voorspellingen uit kan afleiden, of waarbij men vasthoudt aan theorieën die overtuigend weerlegt zijn (wetenschappelijke theorie met beter zijn dan alternatief). Je moet theorieën naar voorschrijven die aannemelijk zijn. Naast testen hypotheses, ook interne en onderlinge consistentie is belangrijk om een goede theorie te herkennen. Sommige 20ste -eeuwse wetenschapsfilosofische stromingen (logisch empirisme, analytische filosofie, kritisch realisme) hanteren een strikte definitie van wetenschap en stellen strenge eisen om theorieën te testen.
Onderscheid tussen:
Verificatie: hypothese of theorie wordt aanvaard indien empirische gegevens de hypothese of theorie bevestigen. Klopt de theorie? Er zijn vrij veel gevallen hoe waren de theorie van klopt. Dus Ik ga ervan uit dat de theorie klopt.
Falsificatie: hierbij wordt theorie verworpen indien er observaties zijn die de theorie tegenspreken. In natuurwetenschappen gaan ze op zoek naar universele wetten die altijd en overal geldig zijn.
1.3 (post)positivisme, critical studies, constructivisme en het participatieve paradigma
Paradigma’s worden beschouwd als ideaaltypes die helpen om structuur en inzicht te brengen in de chaos bestaande uit duizenden wetenschappers en studies. Wetenschap gebeurt door verschillende instanties die ‘werkelijkheid’ verschillend benaderen. Hoe wetenschappers zich verenigen en anderen bekritiseren en al dan niet eenzelfde paradigma hanteren is het onderwerp van de wetenschapssociologie. Paradigma’s hebben ook een sociologisch dimensie die helpt begrijpen hoe paradisma’s opkomen, aan succes inboeten, interageren en naast elkaar bestaan.
1.3.1 Positivisme
Bij positivisme is het idee van waarheid en realiteit belangrijk. Je hebt een realiteit. En wat is een waarheid? Dat is een uitspraak over de realiteit die met de realiteit blijkt te kloppen. We kunnen de realiteit vrij goed kennen en benaderen met de wetenschappelijke methode. En dat is het doel van methodologie en methoden om die realiteit te leren kennen en dus waarheid claims naar voor te schuiven. Dat is een streefdoel, wij gaan ervoor en we gaan er zoveel mogelijk aan doen om dat te behalen.
Een theorie iets onafhankelijk van wie een uitspraak over de realiteit doet en is onafhankelijk van wie er naar kijkt. Dat wordt omschreven: zo zit de wereld in elkaar, kunnen het zo aan andere geven, die gaan dat lezen en zien het zelfde.
Ontologie: positivistische paradigma gaat uit van één realiteit, die bestaat zonder observatie van onderzoeker. Waarheid: er kan een uitspraak worden gedaan die kan worden getoetst met de realiteit. Een uitspraak is waar indien deze een correcte weergave van realiteit geeft.
Epistemologie: positivisme gebaseerd op het streven naar objectiviteit. Wetenschappers beschrijven realiteit van buiten af, onderzoeker mag geen invloed uitoefenen op resultaat. Interactie met participanten vermijden omdat dit objectiviteit in gedrang kan brengen.
Methodologie: de geijkte manier om kennis te genereren en dichter bij de waarheid te komen. Theorieën worden getest door hypotheses te toetsen aan de realiteit. Falsificatie is daarbij een belangrijk principe.
1.3.2 Postpositivisme
Er is een realiteit en we gaan dat niet ontkennen. Er bestaat een realiteit, ook als ik hier niet ben. Maar het is vrij moeilijk om de realiteit te kennen. En hoe we onze waarnemingen benaderen. We erkennen dat er een realiteit is, we gaan daar ook uitspraken over doen maar we zouden dat niet perfect kunnen doen.
Ontologie: gaat uit van bestaan van realiteit maar ziet meer beperkingen om deze realiteit te kennen.
Epistemologie: mensen kunnen realiteit niet volledig kennen en begrijpen, enkel tot zekere hoogte benaderen. Er is een duidelijke afstand en verschil tussen onderzoeker en hetgene/degene die onderzocht wordt. Onder meer door beperkingen gerelateerd aan het toetsten van een uitspraak aan de realiteit, spelen andere experten een belangrijke rol om de validiteit (geldigheid) van onderzoek te beoordelen.
Methodologie: onderzoekers trachten de realiteit te benaderen in lijn met wetenschappelijke methode, en zo nieuwe kennis creëren en wetenschappelijke ontdekkingen doen.
1.3.3 Critical studies
Gaat veel meer kijken naar hoe het is ingebed in de samenleving. Het gaat over paradigma's, een manier om ze zeggen: ‘Dit is wetenschap, dit zou wetenschap moeten zijn. Zo moet wetenschap te werk gaan’. We zijn wetenschap kritisch maar we doen aan wetenschap.
Is gelijk aan de neomarxistische stroming in de sociale wetenschappen.
Ontologie: strijd om macht staat centraal, waarbij verschillen op vlak van klasse, gender, seksuele voorkeur, etniciteit, etc. het privilegiëren of marginaliseren van personen en groepen bepalen.
Epistemologie: kennis dient om machtsongelijkheden aan het licht te brengen, kritisch bevragen en gemarginaliseerde groepen te emanciperen (meer macht te geven). Daarbij bekritiseert deze machtsstructuren legitimeren en ondersteunen.
4 stellingen die helpen begrijpen wat kritische studies is:
‘kritische theorie is theorie’: analyses maken gebruik van abstracte concepten, methodologieën, generaliseringen, deductie en inductie. Dus niet zomaar activisme, maar analyse. Theorieën zijn het product van de samenleving.
‘kritische theorie is reflexief’: de wetenschappers zijn zich bewust dat hun theorieën mee bepaald worden door de historische omstandigheden waarin ze worden ontwikkeld. Ze reflecteren over de samenhang tussen hun werk en context, en over impact van hun werk op de wereld. Ze benadrukken dat een wetenschapper zich niet buiten de samenleving kan plaatsen. En dus niet neutraal is.
‘kritische theorie houdt een kritiek van de instrumentele rede in’: een afwijzing van een middel-doel rationaliteit waarbij wetenschap een instrument is om bestaande zaken efficiënter en effectiever te maken, waarbij het doel zelf niet in vraag worden gesteld.
‘kritische theorie benadrukt het onderscheid tussen het bestaande en het mogelijke’: kritiek op de bestaande toestand, met oog voor positieve elementen, is verbonden met het idee dat radicaal alternatief mogelijk is. Kritische studies besteden aandacht aan experimenten, revolutionaire actoren en bewegingen die kiemen voor zo’n alternatief in zich dragen. Wat is en wat moet zijn, zijn twee verschillende dingen. Ze analyseren de huidige wereld, hoe de wereld moet zijn kunnen we niet baseren op hoe de wereld nu is. Ze zijn heel kritisch over de huidige samenleving. Sommigen zien het ook als een geloof in de maakbaarheid van de samenleving.
1.3.4 Constructivisme
Één realiteit? We maken, construeren hoe de wereld is en iedereen doet dat op zijn eigen manier. Iedereen kan een eigen realiteit opbouwen. We praten en communiceren maar ik mag er niet vanuit gaan dat wat in uw hoofd zit, dat dat ook zo in mijn hoofd is.
De extreme vormen, er zijn verschillende varianten. Er is niet één realiteit, er zijn verschillende realiteiten.
Bv.: er liepen vroeger een reptielen rond. Maar wat de groep ‘dinosaurussen’ is, is gecreëerd door de mens. Het idee dinosaurus is gemaakt door de mens. En was iets hebben we interpreteren dat allemaal op een eigen manier. Deze manier helpt bepaalde dingen te duiden.
Ontologie: constructivisme is gebaseerd op overtuiging dat kennis geconstrueerd door doorleefde ervaring (lived experience) van mensen, en dat ‘realiteit’ meervoudig is.
Epistemologie: kennis bestaat niet buiten mensen, wordt gevormd door onderzoekers en anderen.
Methodologie: gaat niet zozeer inzetten op onafhankelijke waarnemingen van een objectieve realiteit, maar interactie met hetgeen dat onderzocht wordt door observaties, interviewen van mensen, etc. Interactie is cruciaal, omdat via discours betekenis wordt gegeven aan fenomenen, en omdat groepen (gemeenschappen) die een discours delen een soort consensus bereiken over wat realiteit is.
1.3.5 Het participatieve paradigma
Participatie moeten we ook toepassen op kennisproductie. Kennis produceren we samen en dat is ook noodzakelijk in de samenleving. Samen rond de tafel zitten. Het gaat hier over een paradigma, over hoe de wereld in elkaar zit. Wanneer je de andere bezoekersvragen opstelt of de methodologie vastlegt moet je mensen betrekken. Je moet mensen daarbij betrekken anders ben je niet ethisch bezig. Kennisproductie is een sociaal iets, maak het dan ook een democratisch iets.
Is verwant aan constructivisme, maar aanvaardt dat er een realiteit is (constructivisme neemt bestaan van realiteit niet mee in opbouw van paradigma). Participatie is dat degene die de kennis ontwikkelen altijd deelnemen aan hetgeen ze onderzoeken. Conceptuele kaders die iemand hanteert en ontwikkelt zijn gestoeld op ervaring van participeren in hetgeen er is. Het verwerpt het onderscheidt tussen denken en doen (actie). Onderzoek doen is actie en heeft implicaties voor methodologie. Onderzoek is coöperatief, mensen werken samen, bepalen samen onderzoeksvragen en hoe ze daarmee aan de slag gaan. Onderzoek doen levert ervaringen op die een centrale rol spelen in onderzoek. Wie aan onderzoek doet, onderzoekt zichzelf en eigen ervaring (reflectie).
1.3.6 Paradigma’s en kritisch realisme
Kritisch realisme leunt aan bij het positivisme. We erkennen dat er een realiteit bestaat, onafhankelijk van ons. Maar we zeggen ook, samen met de constructivisme, dat we alles op een andere manier bekijken en dat we moeite hebben met elkaar te communiceren. Ze gaan tussenpositie nemen. Jij ziet realiteit maar we kunnen ze niet ondubbelzinnig kennen. De ene groep leunt meer aan bij het constructivisme en de andere bij critical studies of post positivisme. Niet vaak zo zuiver, meestal wat gemengd.
In praktijk zijn de meest specifieke onderzoeksprojecten en studies elementen te vinden van diverse paradigma’s. Het integreren van verschillende paradigma’s in hun zuivere vorm in één kader is niet mogelijk omdat dit stuit op contradicties. Wetenschappers hanteren impliciet (gesuggereerd) of expliciet (nadrukkelijk) een kader met posities en overtuigingen uit diverse paradigma’s.
Pragmatische visie → kritisch realisme: wordt geassocieerd met postpositivisme.
Ontologie is die van het realisme: realiteit bestaat, onafhankelijk van onze waarnemingen en theorieën. Maar wetenschap, ideeën en onderzoek vormen in het algemeen mee de samenleving en de realiteit.
Bv.: groep ontkent opwarming aarde maar toch is het zo. Dit illustreert ook dat theorieën een impact kunnen hebben. Mensen gebruiken wetenschap om natuurlijke hulpbronnen te ontginnen en verbranden, met de productie van broeikasgassen als gevolg. Theorieën beïnvloeden ook het beleid.
Epistemologisch vlak leunt het kritisch realisme aan bij het constructivisme. Hoe mensen de wereld begrijpen is een constructie, geen objectieve waarneming of beschrijving van de realiteit. Wetenschap en onderzoek blijven mensenwerk, het gaat over zoeken naar consensus (volgens wetenschapssociologie), we kunnen er niet vanuit gaan dat de wetenschap ons de absolute waarheid leert kennen.
1.4 Ontwerp en wetenschap
Wetenschap: “een menselijke activiteit die erop gericht is tot gesystematiseerde en betrouwbare kennis te komen. […] een geheel van uitspraken, wetten of theorieën betreffende een enigszins samenhangend probleemgebied, die aan de volgende eisen beantwoorden:
(a) men kan ze mededelen (communiceren) aan andere mensen,
(b) ze vertonen een systematisch (geordend) karakter, en
(c) er bestaat een controle op de betrouwbaarheid ervan.”
De positivistische kijk wenst onderscheidt te maken tussen enerzijds wetenschap en anderzijds ideeën, overtuigingen en uitspraken.
Pseudowetenschap: die wielrenner is het beste, kijk maar naar hoe vaak hij gewonnen heeft. Er wordt vaak naar wetenschap verwezen om een pseudowetenschap te onderbouwen.
“Kennis die niet vatbaar is voor communicatie en controle, of die niet gesystematiseerd is, kan geen aanspraak maken op het statuut van ‘wetenschap’”.
Experimentele methode: modellen testen met experimenten (bewijzen).
→ er zit soms een willekeurig, weinig systematische kant aan. Bv ik liep daar en werd geïnspireerd. Dat is geen probleem voor wetenschap. Inspiratie van ergens haalden is geen probleem, maar het gaat erover hoe je het daarna aanpakt.Ondubbelzinnige formulering van theorie → als A dan B.
Strenge controle door feiten
De experimentele methode wordt dikwijls als referentiekader gebruikt. Bekendste methode is medicatie. Je hebt 100 zieke mensen. Geef 50 mensen een pil en 50 mensen placebo. En kijk wie het snelst geneest. Ze weten het niet van zichzelf of niet van elkaar of ze de pil hebben.
Maar in ruimtelijke planning wijkt heel wat onderzoek af van deze norm, en dit geldt eveneens voor disciplines als antropologie, sociologie,…
Hoe wetenschappelijk is stedenbouw en ruimtelijke planning dan?
cf. urban design ~ pseudo-science?
Over de eigenheid van ‘ontwerp’ en de verschillen en gelijkenissen met andere ‘wetenschappen’ wordt al lang gedebatteerd
Discussie werd terug actueel met de ‘Academisering ‘ van ontwerpwetenschappen
Bologna proces → Bachelor-Master systeem
Inkanteling hogeschoolopleidingen in universiteiten
In de discussie tussen wetenschappelijke en artistieke benadering van ontwerp wordt het begrip ‘wetenschap’ vrij ongedifferentieerd benaderd. → voorstanders van de wetenschap pleiten voor een verwetenschappelijking van de ontwerpmethode.
Refereren hoofdzakelijk aan ‘natuurwetenschappelijk model’, maar ook vergelijking met menswetenschappen wenselijk, die verschillen van de natuurwetenschappen en een vergelijkingsbasis hebben met ontwerpwetenschappen.
Sommigen maken volgende opdeling van ideeën en ‘theorieën’ om aan te geven wat ontwerpwetenschappen en urban design theory omvatten:
Hoe de wereld in elkaar zit en ‘werkt’ → substantieel (wezenlijk)
Hoe de wereld zou moeten zijn → normatief
Hoe van 1 naar 2 te gaan → procedureel
Substantiële theorieën komen overeen met meer traditionele wetenschappelijke disciplines en kunnen op hun wetenschappelijke karakter worden gecontroleerd. Normatieve theorieën zijn bekend in de ethiek en moraalwetenschappen, en ontwerpwetenschappen. Onderscheidt tussen 1 en 2 is relevant omdat er verwarring kan ontstaan of een concept gebruikt wordt om de realiteit te beschrijven, of om een gewenste toestand te schetsen. Dit is het onderscheidt tussen planconcepten en empirische concepten).
Coppens en Van Geel (2012) gebruiken 4 dimensies van wetenschappelijke praktijk:
Epistemologie (kennisleer)
Theorie
Methoden en technieken
Morfologie
Natuurwetenschappen: De exacte wetenschappen in natuurwetenschappen zijn op zoek naar de waarheid. Dus hypotheses formuleren en gaan testen. Ze zijn op zoek naar een wetten die universeel geweldigste zijn. Informele is exact, die kun je niet fout interpreteren.

Sociale wetenschappen: daar zie je een soort analyse, een uitspraak over de realiteit. Een verklaring gaat op zoek naar causale (die of dat een oorzaak heeft) verbanden. Maar ook het verstehen, begrijpen, als betekenis te achterhalen.

Ontwerpgericht: ze kunnen analyse doen, dan zijn ze bezig zoals sociale wetenschappers. Het is hoe iets zou moeten zijn. Hoe ziet de wereld in elkaar in hoe moeten we die veranderen.

1.4.1 Empirische concepten en planconcepten
Experimentele, nomothetische, idiografische,… methodes zijn gericht op verklaren, beschrijven en begrijpen. Disciplines als ruimtelijke planning zijn gericht op doelbewust handelen.
Empirische concepten: zegt iets over de wereld, hoe dat iets is.
bv. regionale woonmarkt
Planconcepten en planningstheorieën beschrijven hoe iets zou moeten zijn: het zijn normatieve theorieën. Opgelet: andere theorieën zijn niet waardenvrij en observaties zijn steeds waarde geladen. Het grootste verschil is dat ze in de eerste plaats de werkelijkheid willen beschrijven, begrijpen en verklaren, in de tweede orde die kennis willen gebruiken om de werkelijkheid te veranderen (wat meestal buiten theorie valt).
bv. armoede onderzoek begrijpen en verklaren omdat men iets aan het probleem wil doen, maar waarom en hoe dit moet gebeuren is niet de kern van de theorie.
bv. 15 minuten stad: alles moet op 15 minuten bereikbaar zijn.
1.4.2 Intentionele oriëntatie
Verschil empirische en normatieve elementen (zie hierboven) is verwant aan het verschil in intentionele oriëntatie tussen ontwerp en wetenschappelijk onderzoek.
Een sociale wetenschapper die kijkt naar de wereld en die ziet alleen maar krotten als woningen. Die gaat dat analyseren en maakt een aanname ‘dat zijn allemaal krotten’. De aanname gaat naar de realiteit kijken, het klopt, de theorie is bevestigd. Die kijkt in een andere buurt. De huizen zijn geen krotten dus aanname wordt verworpen. De wetenschapper kijkt of de beschrijving klopt met de realiteit, zo niet gaat hij/zij hun beschrijving aanpassen.
Ontwerpers gaan kijken, zijn geen krotten? Die zeggen ‘nee, geen krotten.’, komt er de uitslag overheen met de realiteit. Ze zeggen: ‘we moeten dit aanpassen, dit moeten deftige woningen worden’. Hun intentie is om de situatie te veranderen. Je wilt de realiteit zelf veranderen. We gaan de huizen aanpassen, niet mijn beschrijving.
Probleemstelling
Vraag naar de relatie (verschillen, gelijkenissen) tussen ontwerp (design) en (wetenschappelijk) onderzoek (productie van kennis). Wetenschappelijk onderzoek: intentie om theorie te genereren of te testen → De relatie met de wereld.
Invalshoek: psychologisch → hoe werkt onze geest.
Steunend op de theorie van John Searle
Is er een andere intentionele oriëntatie in ontwerpen vs. wetenschappelijk onderzoek?
→ Betreft mentale activiteiten gericht op objecten of processen in de wereld (uitwendige werkelijkheid)
Intentionele toestanden hebben 2 mogelijk ‘directness of fit’
Mind – to – world:
Bv overtuigingen over de uitwendige werkelijkheid (waar of onwaar), zal tevreden zijn als uitspraak overeenkomt met realiteit, anders theorie aanpassen. Psychologische bevrediging als beschrijving overeenstemt met werkelijkheid.
→ mind-to-world intentionele oriëntatie, de intentie is om de kennis over de plek te verbeteren.World – to – mind:
Bv verlangens kunnen vervuld zijn of niet vervuld. De psychologische bevrediging gaat uit van het veranderen van de werkelijkheid.
→ world-to-mind houding, intentie om de wereld aan te passen aan een idee. Het gaat over verlangen (wat kan zijn) ipv overtuiging (over wat is).
Evaluatie van intentie hangt af van:
Cognitieve toestand: gaat over kennis verwerven.
→ Wordt bevredigd wanneer de toestand past met de wereld zoals die is (kennis georiënteerd)
Bv. je denkt in een penthouse te wonen maar je woont in een kelder (cognitieve aanpassing = overtuiging aanpassen)Conatieve toestand (conatief = dispositie tot handelen)
→ Wordt bevredigd wanneer een verlangen vervuld wordt (actie georiënteerd): je bent tevreden als wereld verandert in de zin naar hoe jij het wenst.
Bv. je wenst in een penthouse te wonen maar je woont in een kelder (conatieve aanpassing: je verhuist)
Kennis over ‘wat is’, de bestaande toestand is belangrijk voor ontwerpers, maar is eerder instrumenteel. Het belangrijkste is verandering, gericht op gewenste toestand.
Directness of fit ontwerper versus onderzoeker
Wetenschapper: mind-to-world primeert
Kennisproductie is een doel op zich
Gericht op ‘waarheden’
Ontwerper: world – to – mind primeert (is normatief)
Ontwerpers/planners niet alleen gericht op wat is, maar op wat hoort te zijn (~ normatieve theorieën in planning)
Gericht op betere oplossingen in het alledaagse leven
Productie van kennis kan een bijproduct zijn, kan centraal zijn in sommige fasen van een ontwerpproces. Kennis en concepten helpen om de gewenste toestand te omschrijven en te verbeelden.
Verandering maakt altijd deel uit van de ontwerpende activiteit
Wel nuancering noodzakelijk naargelang ontwerpstadia → gaat over analyse en toepassing. Kennis verwerven is eerder een middel voor een ontwerper.
Waar ligt het essentiële verschil?
Cognitieve toestanden in een ontwerpproces zijn middel tot…
Ontwerpen is van productieve aard: een verlangen eerder dan een overtuiging ligt aan de basis van een ontwerpactiviteit
Kennis is voorondersteld in een ontwerpproces:
Als middel om een doel te bereiken
Kennis levert het conceptueel gereedschap en de visie om het doel te representeren. Kennis is nodig om een bepaald doel te bereiken. Kennis in conceptueel gereedschap om uw visie te realiseren in weer te geven.
Formuleren van theorieën in thesis staan minder centraal. De theorie ontwikkelen om kennis te vergroten is niet meer de essentie. Ontwerpend onderzoek past daar moeilijk in. Ben je aan het werk is om iets mooi te maken? Nee, ik ontwerp iets om bij te leren. Ontwerpend onderzoek is in die zin minder ontwerp meer onderzoek. Ik maak ontwerpen voor inzicht te krijgen, is meer kennis onderzoek.
Ontwerp en ontwerpend onderzoek?
Ontwerp: world – to – mind
Ontwerpend onderzoek: mind-to-world?
Maar: markant verschil met wetenschappelijk onderzoek: niet theorie gedreven
Het is een methode, geen ‘paradigmatische ‘ context
1.4.3 Artistiek onderzoek
Sommige ontwerpbenaderingen benadrukken de artistieke dimensie. Kan enerzijds resulteren in het afwijzen van het idee dat ontwerp een wetenschappelijke onderzoeksactiviteit is, anderzijds kan dit het toepassen van een artistieke onderzoek benadering behelzen, staat bekend als ‘artistic research’ en ‘art-based research’.
Kunst wordt veel gebruikt omdat kunst die gemaakt is door andere, helpt een samenleving te typeren. Iets gebruiken om de samenleving te typeren van waar de kunst is gemaakt, is geen artistiek onderzoek. Het is onderzoek dat de kunst analyseert. Men kan kunst gebruiken als bronnenmateriaal om bij te leren over andere periodes en andere plaatsen.
Sociale wetenschappers gebruiken kunst als bronnenmateriaal:
op basis van romans, schilderijen,… een fenomeen of periode beter begrijpen
Onderzoekers maken zelf ook foto’s, grafieken, animaties, kaarten,… om iets beter te begrijpen en om hun inzichten te communiceren
Wetenschappelijk schrijven, de gebruikte retoriek, heeft ook een artistieke dimensie
Maar de artistieke onderzoeksbenadering is toch nog iets anders
(retoriek: manier van spreken waarbij je veel mooie woorden zonder veel inhoud gebruikt)artistieke onderzoeksbenadering (‘artistic research’, ‘art-based research’,…): artistiek onderzoek dat kunst gaat gebruiken.
gericht op produceren van kennis
betekenis en ervaring belangrijker dan het zoeken naar de waarheid (bij constructivisme is omgekeerd)
onderzoeker zelf het belangrijkste instrument, niet de microscoop of de statistische software
emotionele aspect belangrijk → methode wordt persoonlijker en meer contingent (bijdrage).
niet anderen hun werk gebruiken om te reflecteren, maar zelf in een artistiek proces stappen om eigen ideeën te ontwikkelen → Het is belangrijk dat de onderzoeker zelf de kunst genereert.
vorm en stijl zijn open → de methode wordt persoonlijker en meer contingent
het algemene zoeken in het specifieke in plaats van een specifiek geval te willen generaliseren
Een artistiek proces is academisch onderzoek wanneer het gaat om een origineel onderzoek dat gericht is op het genereren van kennis, inzicht en/of begrijpen
→ niet elke kunstenaar doet aan artistiek academisch onderzoekInnovatie is een centraal begrip in heel wat opvattingen over wetenschap, het opzoeken en verleggen van grenzen hoort daarbij
Artistieke onderzoeksbenaderingen gaan hier nog verder in
Het in vraag stellen van conventies, bestaande praktijken, opvattingen,… is prominent aanwezig
Om tegemoet te komen aan de eisen van de academiseringslogica, werden tijdschriften opgericht waar ‘artistiek onderzoek’ kan worden gepubliceerd
→ Bv. Journal for Artistic Research (JAR)
1.4.4 Is ‘urbandesign’ een pseudowetenschap?
Debat over wetenschappelijke status van ontwerp en ontwerpend onderzoek. We benadrukken dat bij het toepassen van dergelijke methodologieën expliciet gemaakt dient te worden welke benadering wordt gevolgd. Belangrijk omdat elke methode en methodologie eigen regels heeft.
Science, pseudo-science and urban design
Is ‘Urban Design Theory’ pseudowetenschappelijk?
Kritiek op ‘Urban Design Theory’:
Geen wetenschappelijke grond, niet gebaseerd op ‘feiten’
Niet coherent en systematisch
Omdat afbakenen en definiëren van concepten belangrijk is in wetenschap, werd ook urban design gedefinieerd, meer bepaald als ‘an art or technical practice involving the physical organisation of buildings and spaces, towards a civic purpose’. Dit hoort meer te zijn dan concepten die uit andere disciplines worden geïmporteerd, dient vorm aan te nemen van eigen coherente, geïntegreerde theorie.
Analyse van 4 standaardwerken:
The Image of the City (Lynch, 1960);
Townscape (Cullen, 1961);
The Death and Life of Great American Cities (Jacobs, 1961);
A City is not a three (Alexander 1965)
Kernideeën Lynch:
A city has a public image – or perhaps a series of public images’ -held by its citizens
The city images can be ‘conveniently classified into five types of elements
These elements may be useful as ‘buildings blocks for the urban designer
‘The image of the city: 5 elementen (paths, edges, districts, nodes and landmarks) komen voort uit theorie. Meestal kritiekloos gebruikt zonder te testen op stedenbouw.
Townscape – Cullen: De hypothese van Cullen is dat plekken die bewust zijn samengesteld een betere beleving kunnen geven dan plekken waarvan de afzonderlijke onderdelen (bijvoorbeeld gebouwen, wegen, bomen) apart zijn geplaatst.
→ niet wetenschappelijk bedoelt maar wel zo gebruikt.
The Death and Life of Great American Cities – Jane Jacobs: bevat duidelijke testbare hypotheses, maar wordt zelden naar empirische testen verwezen. Een vb van hypothese:
Om een uitbundige diversiteit in de straten en wijken van een stad te genereren, zijn vier voorwaarden onontbeerlijk:
De wijk … moet meer dan één primaire functie vervullen....
De meeste blokken moeten kort zijn ….
De wijk moet gebouwen mengen die variëren in leeftijd en staat….
Er moet een voldoende dichte concentratie van mensen zijn ….
A City is not a Tree – Alexander: het ‘natuurlijke’ (semilattices) tegenover ‘artificiële’ (treesà steden, stelt dat geplande steden ‘natuurlijke’ steden niet kunnen imiteren. Planners kunnen zich geen complexe semilattices (visueel) voorstellen.
Conclusie van het onderzoek naar het gebruik van de 4 klassiekers op de stedenbouwkundige literatuur is dat:
‘klassiekers eerder als bronnen voor wijsheid (soort heilige teksten?) worden gebruikt dan als wetenschappelijke studies.
Suggesties gebruik wordt gemaakt van kennis
Kritiek vooral betrekking heeft op normatieve uitspraken
Er weinig pogingen worden ondernomen om uitspraken te testen
Standaardwerken zijn op zich misschien niet pseudowetenschappelijk, literatuur die ernaar verwijst misschien wel. Hoe moeten we met dergelijke situatie omgaan?:
Ontwerp zien als vorm van kunst die niet wetenschappelijk hoeft te zijn?
Urban designers gebruiken vooral inzichten uit andere disciplines?
Het substantiële deel van een geïntegreerde urban design theorie wordt verder verwetenschappelijkt, terwijl het normatieve luik haar eigen logica behoudt
→ artikel kiest de laatste optie. De bijhorende boodschap is dat u oog dient te hebben voor het onderscheid tussen substantiële, het procedurele en het normatieve en de daarbij horende methoden en agrumentatiewijzen.
Planners doen beroep op wetenschappelijke kennis die via geschikte methodes is onderzocht. Een goed vb van een overzicht is te vinden in ‘place quality’ die refereert bv naar de reeks studies die de relatie onderzochten tussen hoe plaatsen en buurten ontworpen zijn, en gezondheid:
‘Het gezondheidsbewijs was opmerkelijk consistent in de reisrichting, wat aantoont dat de manier waarop plaatsen zijn ontworpen een belangrijke rol kan spelen bij het leveren van plaatswaardezorg van het brede scala aan positieve gezondheidsvoordelen die kunnen worden geleverd. Waaronder:
Betere fysieke gezondheid: minder zwaarlijvigheid, minder diabetes type 2, lagere bloeddruk, minder hartaandoeningen, minder astma en luchtwegaandoeningen, sneller herstel van ziekte en van vermoeidheid.
Betere geestelijke gezondheid: minder stress en meer psychologische rust, minder depressie, angst en woede, minder psychose.
Betere algemene conditie: meer wandelen (voor zowel reizen als recreatie), meer bewegen, sport en recreatie, en meer fietsen.
Meer dagelijks comfort: minder luchtvervuiling, hittestress, verkeerslawaai en slechte sanitaire voorzieningen, en minder blootstelling van lagere sociaal-economische groepen aan de effecten van slopende buurten.
Verbeterde kwaliteit van leven: meer gevoel van emotioneel welzijn en tevredenheid, meer geluk, minder angst en hogere energieniveaus
→ wanneer wetenschappelijke claims worden gemaakt zoals bestaan causaal verband tussen de inrichting van een straat of buurt en gezondheidseffecten, dan dienen deze wetenschappelijk onderbouwd te worden.
Marshall:
Stedenbouwkundig ontwerp ~ 'een kunst- of technische praktijk waarbij de fysieke organisatie van gebouwen en ruimtes wordt betrokken, met het oog op een maatschappelijk doel'
Marshall ziet de nood aan een eigen coherente, geïntegreerde theorie die meer is dan concepten die uit andere disciplines worden geïmporteerd
Geïntegreerde ‘urban design’ theorie zou iets moeten zeggen over:
(i) hoe de wereld in elkaar zit en ‘werkt’ (substantieel);
(ii) hoe de wereld zou moeten zijn (normatief);
(iii) hoe van (i) naar (ii) te gaan (procedureel)
en niet enkel iets over één van deze elementen
Pseudowetenschap:
Frauduleus, oneerlijk
Theorieën gebruiken die ongeloofwaardig zijn in het licht van andere theorieën en observaties (‘de aarde is plat’)
Zich beroepen op observatie en experiment, maar deze voldoen niet aan de strenge wetenschappelijke criteria (bv. op het vlak van steekproeftrekking): focus van Marshall (2012)
Achteraf een praktijk verantwoorden, die ook zou bestaan zonder de theorie: als je de theorie niet nodig hebt moet je misschien ook niet gebruiken.
Hier is een verschil met alternatieve theorieën. Je moet rekening houden met de kennis die er is en daarop voortbouwen. Als er nooit iets wordt verworpen en wordt gezegd: ‘u beweringen kloppen niet’. Dan is het ook geen wetenschappelijke gemeenschap. Dat leert van discussie een debat en het onderzoeken en nuanceren, dat is wetenschap.
“Thagard suggereert dat iets pseudowetenschappelijk is als het beweert wetenschappelijk te zijn, maar minder vooruitstrevend is dan alternatieve theorieën, en waar 'de gemeenschap van beoefenaars weinig poging doet om de theorie te ontwikkelen naar oplossingen van [openstaande] problemen, toont geen zorg voor pogingen om de theorie te evalueren in relatie tot anderen en is selectief in het overwegen van bevestigingen en ontkenningen'.”
Hieronder zijn 4 standaardwerken. Marshall gaat na welke uitspraken worden overgenomen en geciteerd. Hij gaat kijken of die uitspraken achteraf getoetst zijn. Hij gaat na of er onderzoek is gebeurd op een ernstige manier.

In deze tabel onderscheidt Marshall:
Theorie, belangrijkste hypothese(s) -> uitspraken over hoe iets is
Oorspronkelijke wetenschappelijke onderbouwing
Validering achteraf -> onderzoek achteraf
Gebruik in de stedenbouwkundige literatuur
Vooral het laatste punt is hier relevant
Marshall concludeert dat:
‘klassiekers’ eerder als bronnen van wijsheid (heilige teksten?) worden gebruikt dan als wetenschappelijke studies
Suggesties en hypotheses worden als feiten voorgesteld
Selectief gebruik wordt gemaakt van kennis
Kritiek vooral betrekking heeft op normatieve uitspraken → over hoe het zou moeten zijn. Minder over de analyse en hoe het is.
Er weinig pogingen worden ondernomen om uitspraken te testen
→ Veel literatuur semi-/pseudowetenschappelijk
Hij gaat de ‘klassiekers’, zoals hierboven vermeld, niet afwijzen. Je kan naar de oude werken (die basis hebben gelegd) verwijzen, maar wij moeten ook naar meer recentere werken verwijzen. Dat je voortbouwt op het bestaande.
We doen onderzoek in analyses naar de relatie tussen bebouwde omgeving en menselijk gedrag, etc. Dat is een deel van onze theorie. We hebben de normatief luik, hoe het zou moeten zijn. We baseren ons ook op filosofie, ontwerp theorieën, etc.
Substantiële oorzaken doen over het verklaren, begrijpen en evenaren heeft een eigen logica. Ook het normatieve (hoe moet iets zijn) heeft een eigen logica. Elk onderdeel heeft een eigen logica, Als je dat erkent doe jij een wetenschap.
ways forward?
Ontwerp zien als een vorm van kunst die niet wetenschappelijk hoeft te zijn?
Urban designers gebruiken vooral inzichten uit andere disciplines
Het substantiële deel van een geïntegreerde urban design theorie wordt verder verwetenschappelijkt, terwijl het normatieve luik haar eigen logica behoudt
Boodschap: heb oog voor het onderscheid tussen het substantiële, het procedurele en het normatieve
Als we omringt zijn door goede leefkwaliteiten, ga je minder depressies zien. Meer groen in de omgeving, mensen zijn positiever. En dat moet je onderzoeken. Marshall zegt dat als je onderzoek serieus neemt, dat je daarop moet verder bouwen (zie tabel hieronder).
