Samenvatting TV Opvoedkunde
Menselijke Interactie
Factoren:
Intern:
Biologische factoren: Lichaam gerelateerd (hormonen).
Psychodynamische processen: Onbewuste gevoelens/gedachten.
Cognitieve processen: Denken, onthouden, beslissingen.
Leerprocessen: Aangeleerd gedrag.
Extern:
Sociaal-culturele factoren: Omgeving, cultuur, media.
Leerprocessen
Klassieke conditionering: Leren door associatie (Pavlov).
Operante conditionering: Leren door beloning/straf (Skinner).
Leren door observatie: Leren door anderen te observeren (Bandura).
Inzichtelijk leren: Plotseling inzicht (Köhler).
Sociale Perceptie
Zelfbeeld: Hoe je over jezelf denkt.
Sociale perceptie: Hoe je anderen ziet.
Context: Omgeving/situatie van contact.
Cognitie: Hoe je denkt en informatie verwerkt.
Attributie
Interne attributie: Oorzaak ligt bij de persoon.
Externe attributie: Oorzaak ligt bij de situatie.
Fundamentele attributiefout: Gedrag toeschrijven aan persoonlijkheid i.p.v. situatie.
Self-serving bias: Succes intern, fouten extern attribueren.
Halo-effect: Positief kenmerk → alles positief zien.
Horn-effect: Negatief kenmerk → alles negatief zien.
Vooroordeel: Negatieve mening zonder de persoon te kennen.
Stereotype: Vast beeld over een groep mensen.
Impact van Attributie op Zelfbeeld
Interne attributie bij succes: Trots, sterker zelfbeeld.
Interne attributie bij falen: Schaamte, lager zelfbeeld.
Externe attributie bij succes: Minder trots.
Externe attributie bij falen: Minder schaamte.
Actief Luisteren
Aandacht geven.
Samenvatten.
Vragen stellen.
Inleven in de ander.
Ik-Boodschap
Vertellen hoe jij je voelt, zonder de ander aan te vallen.
Conflicten
Conflict: Onenigheid en spanning.
Rolpatroon: Verwacht gedrag gebaseerd op rol.
Soorten Conflicten
Instrumenteel: Praktische zaken.
Belangenconflict: Botsende voordelen/doelen.
Sociaal-emotioneel: Gevoelens, misverstanden.
Relationeel: Relatie tussen mensen.
Fasen in een Conflict
Fase 1: Beginfase (discussie).
Fase 2: Standpunten verharden.
Fase 3: Gericht op winnen.
Conflictstijlen
Ontlopen: Vermijden.
Forceren: Mening doordwingen.
Toegeven: Ander laten winnen.
Confronteren: Samen oplossen.
Compromis sluiten: Middenweg zoeken.
Assertief Gedrag
Voor jezelf opkomen, zonder de ander te kwetsen.
Gedragstypen
Subassertief: Niet voor jezelf opkomen.
Assertief: Rustig zeggen wat je denkt/voelt.
Agressief: Aanvallen/domineren.
Relatie Gedragstype en Conflictstijl
Ontlopen/Toegeven: Subassertief.
Forceren: Agressief.
Compromis/Confronteren: Assertief.
Globalisering
Wereld groeit naar elkaar toe (handel, communicatie).
Positieve gevolgen:
Meer handel en werk.
Toegang tot info en cultuur.
Goedkopere producten.
Negatieve gevolgen:
Werkomstandigheden.
Milieuvervuiling.
Verlies van eigen cultuur.
Ongelijke verdeling.
Sociale Stratificatie
Indeling van mensen in lagen (groepen) op basis van kenmerken (geld, status).
Factoren:
Beroep.
SES (inkomen, job).
Geslacht.
Afkomst/etniciteit.
Opleidingsniveau.
Leeftijd.
Maatschappelijke Tendensen
Grote ontwikkelingen/veranderingen in de samenleving.
Invloed op sociale stratificatie:
Migratie.
Milieu.
Armoede.
Vergrijzing.
Genderdenken.
Levenseinde.
Democratisch Systeem
Burgers beslissen mee.
Politieke vertegenwoordiging: Stemmen op politici.
Participatie aan belangengroepen.
Mens en Economisch Systeem
Huisvesting, arbeid, belastingen, verzekeringen, consumentengedrag.
Deel uitmaken van het rechtssysteem: Wetten volgen, hulp zoeken, conflicten oplossen via rechtbank.
Rechtbanken en Hoven
Vredegerecht, politierechtbank, rechtbanken van eerste aanleg, arbeidsrechtbanken, ondernemingsrechtbank, hoven van beroep, arbeidshoven, hoven van Assisen, hof van Cassatie.
Psychologie vs. Mensenkennis
Psychologie: Wetenschappelijk.
Mensenkennis: Ervaring/gevoel.
Factoren in Ontwikkeling
Aanleg, milieu, zelfbepaling.
Fysieke Ontwikkeling
Motoriek (grof en fijn), sensoriek, sensomotoriek.
Psychische Ontwikkeling
Cognitief, dynamisch-affectief, persoonlijkheid, moreel, seksueel.
Sociale Ontwikkeling
Leren omgaan met anderen (relaties, communicatie, regels).
Stadia van Persoonlijkheidsontwikkeling (Erikson)
Oraal-zintuiglijk: Vertrouwen vs. wantrouwen.
Musculair-anaal: Zelfstandigheid vs. schaamte/twijfel.
Motorisch-genitaal: Initiatief vs. schuldgevoel.
Latentiefase: Vlijt vs. minderwaardigheid.
Adolescentie: Identiteit vs. identiteitsverwarring.
Vroege volwassenheid: Intimiteit vs. isolatie.
Middenvolwassenheid: Generativiteit vs. stagnatie.
Late volwassenheid: Integriteit vs. wanhoop.
Kohlbergs Niveaus van Morele Ontwikkeling
Premoreel: Geen besef van regels.
Preconventioneel: Regels om straf te vermijden.
Conventioneel: Regels om erbij te horen.
Postconventioneel: Kritisch bekijken van morele regels.
Piagets Stadia van Cognitieve Ontwikkeling
Sensomotorisch: Leren door zintuigen/motoriek.
Pre-operationeel: Egocentrisch denken.
Concreet-operationeel: Logisch denken.
Post-operationeel: Abstract denken. (bv. over de toekomst)
Vormen van Gehechtheid
Veilige gehechtheid.
Vermijdende gehechtheid.
Afwerende gehechtheid.
Gedesoriënteerde gehechtheid.
Volwassenheid
Relatieproblemen/scheiding, werkloosheid, legenestsyndroom, midlifecrisis, sandwichgeneratie, boemerangkinderen.
Opvoedingsstijlen
Democratisch, autoritair, structurerend, directief, niet-directief, overbeschermend, permissief, onverschillig, verwaarlozend.
Ondersteuningsinstanties
Sociale dienstverlening, gezondheidszorg, educatieve hulpverlening.