Samenvatting Geschiedenis Semester 1

Samenvatting Geschiedenis Semester 1

1. Europa Tussen Links en Rechts

1.1 Definities en Concepten
  • Macht: Het vermogen om het gedrag van anderen te sturen of te bepalen, zelfs tegen hun wil.

  • Autoriteit: Macht die door mensen als legitiem wordt ervaren.

  • Legitimiteit: De mate waarin macht wordt aanvaard als eerlijk, rechtvaardig en wettig.

1.2 Democratie
  • Democratie: Bijna alle landen claimen democratisch te zijn, maar de mate van democratie verschilt.

    • World Democracy Index: Rangschikt landen van minst naar meest democratisch.

      • Top drie: Noorwegen, Nieuw-Zeeland, Zweden.

      • Laatste drie: Afghanistan, Myanmar, Noord-Korea.

    • De oorsprong van het woord: "demo" (volk) + "kratein" (heersen) = het volk heerst.

    • Particratie: Politieke partijen beheersen de macht.

Voorwaarden voor Democratie
  1. Vrije en eerlijke geheime verkiezingen.

    • Indirecte democratie: volksvertegenwoordigers.

    • Directe democratie: referendum.

  2. Vrije meningsuiting.

  3. Politieke participatie: deelname van de bevolking aan politieke processen.

  4. Rechtsstaat: Iedereen gelijk voor de wet.

  5. Scheiding der machten: bevoegdheden verdeeld over verschillende instanties.

    • Rechtelijke macht: Rechtbanken.

    • Uitvoerende macht: Regering en ministers.

    • Wetgevende macht: Parlement.

  6. Pluralisme: Vertegenwoordiging van diverse sociale groepen.

  7. Bescherming van minderheden.

  8. Respect voor de mensenrechten.

  9. Regels vastgelegd door de meerderheid.

Grondwet en Rechten
  • Grondwet: waarborgen van rechten en vrijheden.

    • Bevat twee fundamentele zaken:

    1. Democratische rechten en vrijheden van de burgers.

    2. Staatsstructuur (organisatie en bestuur van het land).

1.3 Scheiding der Machten
  • Bevoegdheden verdeeld om te veel concentratie van macht in één instantie te voorkomen.

Issuums in de Praktijk
  • Rechterlijke macht, uitvoerende macht, en wetgevende macht zijn in de praktijk niet volledig gescheiden.

  • De vierde macht: de pers, die zorgt voor vrije meningsuiting en onafhankelijk moet werken.

1.4 Nadelen van de Democratie
  • Democratie kan traag zijn.

  • De meerderheid wordt vaak als altijd gelijk beschouwd.

  • Politici zijn soms geneigd om naar kortetermijnplannen te kijken (tot aan de volgende verkiezingen).

  • Er ontstaat een plutocratie waarbij de macht bij de rijken ligt.

2. Het Communisme

2.1 Theoretische Basis
  • Karl Marx: Schreef Das Kapital; bekijkt geschiedenis vanuit een materialistisch standpunt.

  • Menselijke geschiedenis wordt gedreven door eigendomsverhoudingen.

    • Jagers en verzamelaars deelden alles en waren gelijk; privébezit leidde tot ongelijkheid.

  • Klassenstrijd: de strijd tussen rijk en arm, bourgeoisie (rijk) versus proletariaat (arm).

Klasses
  • Bourgeoisie: Rijken, bezitten de economische en politieke macht; uitbuiting van arbeiders.

  • Proletariaat: De arbeiders en boeren; zij zijn degenen die daadwerkelijk produceren.

2.2 Communistische Revolutie
  • Doel: Een klasseloze samenleving creëren door revolutie.

    • Fasen naar communisme:

    1. Proletariaat moet zich bewust worden van hun kracht; moeten zich verenigen en in opstand komen.

    2. Politieke macht door arbeiders; herverdeling van middelen.

    3. Volledige automatisering van industrieën; de afschaffing van geld en grenzen.

Verspreiding van het Communisme
  • Oktoberrevolutie (1917, Rusland) en de Chinese Revolutie (1949) zijn belangrijke voorbeelden van communistische ideologieën die aan kracht winnen.

2.3 Praktische Aspecten van het Communisme

Voor- en Nadelen van Communisme

Voordelen:

  • Gevoel van saamhorigheid; geloof in vooruitgang; gratis onderwijs en gezondheidszorg; trots op het land.
    Nadelen:

  • Partij controleert informatie; armoede en schaarste; spionage en gebrek aan individuele vrijheden; angst heerst er om fouten te maken.

Planeconomie

Voordelen:

  • Efficiëntie, veel vooruitgang in de periode van 1920 tot 1970.
    Nadelen:

  • Gebrek aan innovatie door afwezigheid van concurrentie; lange rijen voor winkels zijn het gevolg.

3. Fascisme

3.1 Oorsprong en Kenmerken
  • Verschijning in Italië: Na de Eerste Wereldoorlog.

  • Benito Mussolini richtte de Fasci di combattimento op in reactie op communisme.

Kenmerken van Fascisme
  • Geloof in nationale trots, sterk leiderschap, en een ordelijke samenleving.

  • Tegen liberalisme en socialisme.

  • Anticommunistische bewegingen groeien; gebruik van geweld en intimidatie door knokploegen (zwarthemden).

3.2 Fascisme in Italië
  • Mussolini grijpt de macht in Italië door de Mars op Rome (1922).

  • Richt overheid naar een fascistische staat; parlementaire democratie wordt uitgezet.

4. Duitsland en de Opkomst van Hitler

4.1 Invloeden van het Verdrag van Versailles
  • Verdrag resulteerde in verlies van grondgebied en herstelbetalingen; leidde tot economische crisis en instabiliteit.

4.2 Kenmerken van de Nationaalsocialistische Ideologie
  • Autoritair, nationalistisch, gewelddadig en antidemocratisch.

4.3 Begin van de Tweede Wereldoorlog
  • 1 september 1939: Duitsland valt Polen binnen onder het voorwendsel van een aangevallen grenspost.

4.4 Blitzkrieg Tactiek
  • Duitsers maken gebruik van de blitzkrieg-tactiek voor snelle overwinningen, starten met een combinatie van tanks en luchtaanvallen.

5. De Eerste Fase van WO II: Overwinningen van Duitsland

5.1 De Inval in Polen
  • Polen wordt binnen drie weken ingenomen; schemeroorlog met weinig actie van Groot-Brittannië en Frankrijk.

5.2 De Val van Frankrijk
  • Mei 1940: Duitsland viel de Benelux-landen binnen, leidde tot chaos in het Franse leger.

  • Slag om Duinkerke: evacuatie van 338.000 Britse soldaten.

5.3 Battle of Britain
  • Luftwaffe versus RAF; de Britten hadden het voordeel van radartechnologie.

6. Groeien van de Geallieerde Overwinning

6.1 Noord-Afrika en Stalingrad
  • Slag om Stalingrad wordt een van de keerpunten van de oorlog; eindigt met een Duitse overgave.

6.2 D-Day en de Laatste Fase van de Oorlog
  • 6 juni 1944: D-Day, lancering van een massale invasie door geallieerden in Normandië.

  • 8 mei 1945: Einde van de oorlog in Europa (V-Day); Japan geeft zich over na de atoombombardementen op Hiroshima en Nagasaki.

7. Ethos van de Oorlog

  • De oorlog leidde tot 55 miljoen doden, met vele slachtoffers onder de burgerbevolking. De Holocaust diende als een schokkende herinnering aan de gruwelijkheden van deze periode.

7.1 Het Beleg van Leningrad
  • Van oktober 1941 tot januari 1944 werd de stad gebombardeerd, leidde tot extreme hongersnood en dramatische overlevingsstrategieën onder de bevolking, waaronder kannibalisme.