Uitgebreide Studiegids: Aardrijkskunde - Beweging van de Aarde, Sferen en Atmosferen en Klimatologie
Beweging van de Aarde: Aardrotatie en Aardrevolutie
Aardrotatie
Definitie: De beweging van de aarde rond haar eigen as.
Aardas: Een denkbeeldige lijn die loopt van de Noordpool naar de Zuidpool.
Dagboog: Het schijnbare pad dat de zon langs de hemel aflegt.
Schijnbeweging: Het concept dat het lijkt alsof de zon beweegt, terwijl in werkelijkheid de aarde draait.
Circumpolaire sterren: Sterren die het gehele jaar door zichtbaar blijven omdat ze in cirkels rond de Poolster lijken te draaien. Ze blijven altijd boven de horizon.
Tijdsduur: Eén volledige rotatie duurt precies etmaal, oftewel uur.
Gevolgen van aardrotatie:
Het belangrijkste gevolg is het ontstaan van dag en nacht.
Het ontstaan van tijdsverschillen over de wereld.
Uurgordels: Er zijn in totaal uurgordels, waarbij de nulmeridiaan als beginpunt fungeert.
Tijdzones: Dit zijn aangepaste uurgordels voor praktisch gebruik.
België: Gebruikt zomertijd ( ) en wintertijd ().
Datumgrens: Ligt op de meridiaan. Bij het overschrijden van deze grens bedraagt het tijdsverschil precies uur.
Dagkant en Nachtkant: Door de rotatie is er altijd één zijde belicht (dag) en de andere zijde onbelicht (nacht).
Draaisnelheid: De snelheid van de rotatie is het hoogst bij de evenaar omdat de omtrek daar het grootst is.
Aardrevolutie
Definitie: De beweging van de aarde in een baan rond de zon.
Vorm van de baan: De baan heeft een ellipsvorm.
Tijdsduur: Eén volledige revolutie duurt exact .
Schrikkeljaar:
Om de jaar wordt een extra dag toegevoegd omdat een jaar iets langer duurt dan dagen.
Regel: Het jaartal moet deelbaar zijn door . Jaren die eindigen op zijn alleen schrikkeljaren als de eerste twee cijfers deelbaar zijn door (bijvoorbeeld het jaar ).
Er is ook een correctie om de jaar.
Posities ten opzichte van de zon:
Perihelium: Het punt in de baan waarop de aarde het dichtst bij de zon staat (dit gebeurt paradoxaal genoeg tijdens de winter op het noordelijk halfrond).
Aphelium: Het punt waarop de aarde het verst van de zon staat.
Eclipticavlak: Het vlak waarin de aarde rond de zon draait.
Seizoenen: Het ontstaan van zomer en winter wordt veroorzaakt door de schuine stand van de aardas.
Klimaatgordels op Aarde
Poolgordels (Blauw):
Kenmerken zich door een koud klimaat.
Er is minstens één dag per jaar sprake van een pooldag (zon gaat niet onder) en een poolnacht (zon komt niet op).
Intermediaire gordels (Groen):
De seizoenen hebben hier een grote invloed.
Er is sprake van sterk wisselende lengtes van dag en nacht gedurende het jaar.
Intertropen (Rood):
De zon staat hier twee keer per jaar loodrecht in het zenit.
Er is zeer weinig verschil tussen de lengte van dag en nacht.
Kenmerkt zich door een warm klimaat.
De Vier Sferen van de Aarde
De aarde is opgebouwd uit vier onderling verbonden systemen:
Atmosfeer: De gasvormige schil rond de aarde (lucht, wolken, klimaat).
Hydrosfeer: Al het water op, in en rond de aarde (oceanen, ijs, waterdamp).
Geosfeer: De vaste bestanddelen van de aarde (gesteenten, vulkanen, bergen, aardlagen).
Biosfeer: Het geheel van alle levende organismen.
De Geologische Tijdschaal en het Ontstaan van de Sferen
Cruciale tijdstippen:
Oerknal (Big Bang): Ongeveer .
Ontstaan zon: Ongeveer .
Ontstaan aarde: Ongeveer .
Ontwikkeling van de Atmosfeer:
Primaire atmosfeer (): Bestond hoofdzakelijk uit waterstofgas () en helium ().
Secundaire atmosfeer (vanaf ongeveer ): Ontstond door afkoeling en intens vulkanisme waarbij gassen vrijkwamen zoals stikstof (), methaan (), koolstofdioxide () en waterdamp ().
Tertiaire atmosfeer (Huidige atmosfeer): Begon ongeveer toen het zuurstofgehalte voldoende steeg.
Ontstaan van de Geosfeer en Hydrosfeer:
De vaste aardkorst ontstond rond door afkoeling.
Waterdamp condenseerde tot regen, wat leidde tot het ontstaan van de oceanen. Meteorieten hebben waarschijnlijk extra water naar de aarde gebracht.
Ontstaan van de Biosfeer:
De eerste bacteriën, waaronder cyanobacteriën, ontstonden ongeveer bij onderwatervulkanen (zgn. "black smokers").
Deze bacteriën voerden fotosynthese uit: werd omgezet in (zuurstof).
Ongeveer ontstond de ozonlaag, die bescherming biedt tegen UV-straling en een sterke groei van leven op het land mogelijk maakte.
Geologische Era's en Belangrijke Gebeurtenissen
De 4 Hoofd-era's:
Precambrium: Van tot .
Paleozoïcum: Van tot .
Mesozoïcum: Van tot .
Kenozoïcum (Cenozoïcum): Van tot heden.
Significante Gebeurtenissen:
Cambrische explosie: Een plotselinge, enorme toename van nieuw leven tijdens het Cambrium. Organismen ontwikkelden harde delen, wat leidde tot de vorming van fossielen.
Pangaea: Tijdens het Carboon en Perm waren alle continenten verenigd in één supercontinent genaamd Pangaea.
Het Carboon: Periode met enorme bossen waaruit later steenkool is ontstaan. Door massale fotosynthese daalde het -gehalte, wat zorgde voor klimaatafkoeling.
Fauna en de Mens:
Dinosaurussen: Leefden in het Mesozoïcum. Ze ontstonden in het Trias (ca. ) en leefden verder in de Jura en het Krijt.
De Mens: Ontstond pas in het Kwartair, ongeveer . Wij leven momenteel in de periode genaamd het Holoceen.
Massa-extincties:
1e massa-extinctie: Begin van het Siluur (ca. ).
5e massa-extinctie: Zorgde voor het uitsterven van de dinosaurussen.
Wetenschappers waarschuwen momenteel voor een mogelijke 6e massa-extinctie veroorzaakt door menselijk handelen.
Datering en Atmosferische Functies
Dateringsmethoden:
Relatieve datering: Bepaalt de chronologische volgorde (ouder/jonger) op basis van bodem- en gesteentelagen.
Absolute datering: Geeft een exacte ouderdom weer.
C14-datering: Gebaseerd op koolstof-14.
Dendrochronologie: Analyse van jaarringen bij bomen.
IJsboorkernen: Onderzoek naar luchtbelletjes in oud ijs om historische klimaten te reconstrueren (veel broeikasgassen wijzen op een warm klimaat).
De Atmosfeer:
Definitie: Een mengsel van gassen vastgehouden door zwaartekracht.
Functies: Leveren van gassen (), bescherming tegen UV-straling en meteorieten, reguleren van temperatuur en luchtdruk, en het verspreiden van licht.
Ozonlaag: Beschermt tegen UV-straling. Gaten werden veroorzaakt door CFK's (chloorfluorkoolstofverbindingen).
Maan: Heeft geen atmosfeer door te weinig zwaartekracht, wat resulteert in veel kraters en een zwarte hemel.
Lagen van de atmosfeer:
Troposfeer:
Stratosfeer:
Mesosfeer:
Thermosfeer:
Exosfeer: > 600\,km
Pauzes: De overgangszones tussen deze lagen waar parameters zoals temperatuur en luchtdruk veranderen.
Temperatuurfactoren en Klimaatregeling
Breedteligging: Hoe dichter bij de evenaar, hoe warmer. Dit komt door de grotere zonnehoogte waardoor energie op een kleiner oppervlak wordt geconcentreerd (bijv. Barcelona (41°N) is warmer dan Torhout (51°N)).
Hoogteligging: De temperatuur daalt gemiddeld met per stijging.
Afstand tot de zee: De zee tempert uitersten. Aan de kust is het in de zomer koeler en in de winter warmer dan landinwaarts.
Zeestromingen:
Warme zeestromen: Zoals de Golfstroom die West-Europa verwarmt.
Koude zeestromen: Zoals de Labradorstroom die Canada afkoelt.
Variabele & Lokale Factoren:
Seizoenen: De zonnestand bepaalt de warmte.
Windrichting: Aanvoer van warme of koude luchtmassa's.
Bewolking: Zorgt overdag voor koelte (reflectie) en 's nachts voor warmte (isolatie).
Bodem: Donkere bodems warmen sneller op; lichte bodems hebben een hoog albedo (weerkaatsing).
Vegetatie: Begroeide grond warmt trager op.
Helling: Een helling gericht naar de zon is warmer.
Luchtdruk, Wind en Luchtvochtigheid
Luchtdruk: De normale druk is .
Hogedrukgebied (> 1013\,hPa): Dalende lucht, wat resulteert in droog weer.
Lagedrukgebied (< 1013\,hPa): Stijgende lucht, wat leidt tot wolken en neerslag.
Wind: Verplaatsing van lucht van hoge naar lage druk. De kracht wordt bepaald door het drukverschil.
Thermische drukgebieden: Bij de evenaar stijgt warme lucht (L), bij de polen daalt koude lucht (H).
Dynamische drukgebieden: Ontstaan door botsingen op (H) en (L) Noorder-/Zuiderbreedte.
Corioliseffect: Door de aardrotatie buigt wind op het noordelijk halfrond af naar rechts (wijzerzin rond H) en op het zuidelijk halfrond naar links (tegenwijzerzin rond H).
Situatie in België: Dominante zuidwestenwind.
Luchtsoorten:
Maritiem: Vochtig (van zee).
Continentaal: Droog (van land).
Arctisch: Zeer koud (uit het noorden).
Tropisch: Warm (uit het zuiden).
Polair: Wisselend (uit oost/west).
Hydrosfeer, Weer en Klimaatmetingen
Thermohaliene circulatie: Wereldwijde oceaancirculatie aangedreven door temperatuur (thermo) en zoutgehalte (halien). Warm, minder zout water is lichter en blijft boven; koud, zouter water is zwaarder en zakt.
Waterkringloop: Bestaat uit verdamping en condensatie.
Luchtvochtigheid:
Absolute: Werkelijke hoeveelheid waterdamp.
Relatieve: Percentage t.o.v. de maximale capaciteit. Bij ontstaan wolken en neerslag.
Drukgebieden vs. Neerslag:
Sahara (): Hogedruk, dalende lucht = droog.
Evenaar: Lagedruk, stijgende lucht = nat.
België (): Lagedruk, stijgende lucht = veel neerslag.
Definities:
Weer: Toestand van de troposfeer op een specifiek moment en plaats.
Klimaat: De gemiddelde toestand over een lange periode (minstens jaar).
Meettoestellen:
Temperatuur: Thermometer
Neerslag: Pluviometer
Luchtvochtigheid: Hygrometer
Luchtdruk: Barometer
Windsnelheid: Anemometer
Windrichting: Windvaan
Isobaren: Lijnen op een kaart die punten met gelijke luchtdruk verbinden. Dicht bij elkaar liggende isobaren duiden op veel wind.
Fronten:
Warmtefront: Warme lucht schuift over koude; geeft langdurige, zachte neerslag.
Koufront: Koude lucht duwt warme bruusk omhoog; geeft korte, hevige buien.
Occlusiefront: Het snellere koufront haalt het warmtefront in; geeft veel bewolking en aanhoudende neerslag, vaak stormachtig.