Fysiologie H1 – Algemene Inleiding (Kernpunten)

Fysiologie vs. Anatomie

  • Anatomie = structuur (macroscopisch / microscopisch); fysiologie = functie.
  • Fysiologie
    Fysica (levenloos), psychologie (geest), anatomie (vorm).
  • Deelgebieden: planten-, vergelijkende-, pathofysiologie.

Ontstaan Moderne Fysiologie

  • Klassiek: Erasistratus (eerste fysioloog, hart functioneert als pomp), Galenus (experimentele fysiologie, rol van de hersenen), Aristoteles.
  • Renaissance: Vesalius (moderne anatomie, observatie telt), Harvey (ontdekking bloedsomloop).
  • Grondlegger: Claude Bernard
    “milieu intérieur” (interne omgeving) & homeostase (handhaving van interne stabiliteit), vivisectie (dierproeven voor fysiologisch onderzoek).

Gedragsneurowetenschappen

  • Materialistisch monisme: gedrag = gevolg moleculen, neuronen, hormonen (geest en lichaam zijn één).
  • Historiek:
    • Descartes (reflex: onvrijwillige reactie; dualiteit: scheiding geest en lichaam).
    • Galvani (elektrische prikkel: spieren reageren op elektrische stimulatie).
    • Müller (specifieke zenuwenergie: elke zenuwvezel geleidt slechts één type sensorische informatie).
    • Flourens (ablatie: verwijdering van hersendelen om hun functie te bestuderen).

Organisatieniveaus

  • Chemisch → cel → weefsel → orgaan → orgaanstelsel → organisme.
  • Uitdaging kleine schaal; van molecuul tot gedrag (vb. mucoviscidose, een genetische aandoening die multi-orgaansystemen beïnvloedt).

Celbiochemie (5 basismoleculen)

  • Koolhydraten: primaire energiebron (bijv. glucose), structurele componenten (bijv. cellulose).
  • Vetten: lange termijn energieopslag, componenten van celmembranen, hormoonsynthese.
  • Eiwitten: enzymatische functies, structurele ondersteuning, transport, signalering, immuniteit.
  • Nucleotiden (DNA/RNA): drager van genetische informatie (DNA), rol in genexpressie (RNA), energiedragers (ATP), co-enzymen.
  • Energierijke fosfaten (ATP): universele energiedrager voor cellulaire processen.
  • Elementair aandeel: O 65\%, C 18\%, H 10\%, N 3\%.

Van DNA → Eiwit

  • Replicatie: proces waarbij DNA wordt gekopieerd om identieke dubbele strengen voor te bereiden op celdeling.
  • Transcriptie: synthese van mRNA op basis van een DNA-template in de celkern.
  • Translatie: synthese van eiwitten op basis van het mRNA-molecuul in de ribosomen van het cytoplasma.
  • Differentiatie: elke cel gebruikt slechts een deel van het genoom, afhankelijk van zijn gespecialiseerde functie.

Celstructuur

  • Cytoskelet: netwerk van eiwitfilamenten.
    • Microtubuli: celvorm, intracellulair transport van organellen en vesikels, componenten van cilia en flagella.
    • Filamenten: mechanische sterkte, celbeweging, spiercontractie (actine en myosine).
  • Mitochondriën: "krachtcentrales" van de cel, dubbele membraan (buitenste en sterk geplooide binnenste membraan met cristae).
    • Citroenzuurcyclus (Krebs-cyclus): vindt plaats in de matrix, produceert ATP, NADH en FADH$^*2$.
    • Oxidatieve fosforylatie: vindt plaats op de binnenste membraan, produceert het grootste deel van ATP via de elektronentransportketen en chemiosmose.
    • Essentieel voor ATP productie (cellulaire ademhaling).
  • ER (Endoplasmatisch Reticulum):
    • Ruw ER: bevat ribosomen, betrokken bij synthese, vouwing en modificatie van eiwitten voor secretie of membraanintegratie.
    • Glad ER: geen ribosomen, betrokken bij lipidesynthese, detoxificatie van medicijnen en gifstoffen, opslag en afgifte van calciumionen.
  • Golgi-apparaat: postkantoor van de cel, ontvangt en verwerkt eiwitten en lipiden van het ER, sorteert ze en verpakt ze in vesikels voor transport naar hun eindbestemming (secretie, lysosomen, celmembraan).
  • Lysosomen: afvalverwerkers van de cel, bevatten hydrolytische enzymen voor de afbraak van afvalstoffen, celorganellen, en macromoleculen (afkomstig van endocytose).
  • Peroxisomen: kleine blaasjes die waterstofperoxide produceren en afbreken, betrokken bij vetzuurafbraak en detoxificatie van schadelijke stoffen in de lever en nieren.

ATP & Energie

  • ATP \rightarrow ADP + P*i geeft energie; resynthese vereist O*2 + brandstof.
  • Fotosynthese: 6CO*2+6H*2O \rightarrow C*6H*{12}O*6+6O*2 (omgekeerd aan celademhaling).

Plasmamembraan & Transport

  • Fosfolipide dubbellaag; permeabel voor lipiden, niet voor hydrofiele stoffen.
  • Mechanismen: diffusie, osmose, gefaciliteerde diffusie, actief transport (Na$^+$-K$^+$-ATPase 3Na^+* {in}\rightarrow out, 2K^+* {out}\rightarrow in), vesiculair transport (endo/exocytose).

Weefsels & Orgaansystemen

  • Vier weefsels: epitheel, bindweefsel, spier (glad, hart, skelet), zenuw.
  • Coördinatiestelsels: zenuw, hormonaal, cardiovasculair; overige: ademhaling, spijsvertering, urine, immuun, voortplanting, musculo-skeletaal, integument.

Homeostase & Feedback

  • Doel: constante ‘milieu intérieur’.

    • Negatieve feedback: sensor → integratiecentrum (bv. hypothalamus) → effector.

    • Voorbeeld lichaamstemp: set-point 37^\circ\text{C}.

    • Positieve feedback: versterkt afwijking (bloedstolling).

  • Belangrijke bloed-setpoints:

    • Glucose 90\,\text{mg\cdot dl}^{-1} (hypo

  • Diabetes = falende glucosere