1.1 Gordels en zitplaatsen
Tijdens jouw rijlessen leer je niet alleen hoe je van punt A naar punt B rijdt, maar ook hoe je dat op de veiligste manier doet. Hoe zet je bijvoorbeeld je gordel vast? Op welke manier installeer je een kinderzitje? En wanneer heb je de hoofdsteun goed afgesteld?
Laten we dit even goed doornemen, zodat je snel zelfstandig en veilig kunt rijden.
Bij het examen valt dit onderdeel voornamelijk onder 'veilig rijden met het voertuig' en 'reageren in noodsituaties'.
De gordel
De gordel die in alle auto's wordt gebruikt, is de driepuntsgordel. Deze zit aan 3 punten vast en moet op een specifieke manier worden gedragen: strak op de borst tegen het lichaam.
In de auto is het dragen van de driepuntsgordel verplicht en moet altijd gedragen worden. Dit geldt voor iedereen: zowel de bestuurder als alle passagiers. Een zitplaats zonder werkende driepuntsgordel mag niet worden gebruikt!
Het dragen van de gordel vergroot de overlevingskans bij een verkeersongeval. Daarom is het van levensbelang om de gordel op de juiste manier te dragen. Draag je de gordel niet? Dan ben je strafbaar!
Vanaf 12 jaar ben je zelf verantwoordelijk voor het dragen van de gordel. Is een passagier jonger dan 12 jaar en draagt geen gordel, dan kan jij als bestuurder een boete krijgen. Voor passagiers van 12 jaar of ouder is de boete voor henzelf.
De driepuntsgordel heeft drie bevestigingspunten en is getest als de veiligste manier van dragen. Het is belangrijk om hem dus altijd correct te dragen. Als de gordel op een andere manier wordt gedragen, zoals een heupgordel, werkt hij niet optimaal. Bij een aanrijding kan namelijk het hoofd van de inzittende tegen het stuur of dashboard klappen. Ook een zwangere vrouw mag de gordel niet als heupgordel gebruiken!
Heupgordel Driepuntsgordel
De hoofdsteun
De hoofdsteun in de auto is niet alleen een plek om lekker tegenaan te leunen, maar het is ook een belangrijk veiligheidsmiddel. Het is ontworpen om de impact van een ongeluk op te vangen. Een goed afgestelde hoofdsteun voorkomt dat je hoofd tijdens een botsing te ver naar achteren klapt, waardoor nekletsel wordt voorkomen.
Als de hoofdsteun te ver van je achterhoofd af staat, kan je nek hard naar achteren klappen bij een botsing, wat ernstig nekletsel (zoals een whiplash) kan veroorzaken. Als de hoofdsteun te laag staat, kan je hoofd eroverheen klappen en kan je nek breken.
Net zoals met de autogordel, moeten de hoofdsteunen voor alle inzittenden van de auto goed worden afgesteld. Dat betekent dat de afstand tussen je hoofd en de hoofdsteun zo klein mogelijk moet zijn en de hoogte van de hoofdsteun gelijk moet zijn aan je achterhoofd. Dus niet zoals bij situatie 1, waar de hoofdsteun dichtbij is maar te laag staat.
Het kinderzitje
Als je kinderen vervoert die kleiner zijn dan 1,35 meter, moeten ze altijd in een goedgekeurd kinderzitje zitten. Ze zijn namelijk nog te klein voor de normale autogordel, maar in een kinderzitje kunnen ze veilig worden vervoerd. In zo'n zitje zitten ze hoger, waardoor de gordel niet over hun hals maar strak over hun borst ligt.
Als kinderen te groot zijn geworden voor het kinderzitje, maar de gordel nog wel langs hun hals loopt, moeten ze op een zitverhoger worden geplaatst. Zo ligt de gordel alsnog goed over hun borst. Deze zitverhogers vallen onder dezelfde regel als het kinderzitje. Dus zelfs als een kind 1,30 meter is maar niet meer in het kinderzitje past, moet het op een zitverhoger zitten.
Als een kind groter is dan 1,35 meter, is het kinderzitje niet meer nodig en moet het altijd de normale autogordel gebruiken, ongeacht of het voorin of achterin zit.
Bij het gebruik van een kinderzitje is het belangrijk dat het kind er goed in past. Een te klein kinderzitje biedt niet genoeg bescherming. Net zoals bij een te laag afgestelde hoofdsteun, kan bij een ongeluk de nek van het kind over de rand van het kinderzitje slaan, wat ernstig nekletsel kan veroorzaken.
Vervoer je een kind in een naar achteren gericht kinderzitje, dan moet de airbag voor deze passagiersplaats worden uitgeschakeld. Als dit niet gebeurt, dan schiet het kind naar achteren tijdens een verkeersongeval.
Kinderzitje naar achteren gericht = airbag uit
Airbag
De airbag is een soort luchtzak die bij een harde klap uit het stuur en/of dashboard schiet. Het blaast snel op en fungeert als een kussen, zodat je lichaam op zijn plaats blijft en niet tegen het stuur of door de voorruit wordt geslingerd.
Er is eigenlijk maar één situatie waarbij de airbag moet worden uitgeschakeld, en dat is als je een kind in een naar achteren gericht kinderzitje vervoert. In dat geval moet je de airbag voor die passagiersplaats uitschakelen. Als je een kind in een naar voren gericht kinderzitje vervoert, mag je de airbag ingeschakeld houden.
Om te voorkomen dat het kind door de auto wordt geschoten, hebben alle auto's met een airbag een waarschuwingssticker. Deze sticker betekent niet dat de airbag is uitgeschakeld, maar waarschuwt alleen dat je de airbag moet uitschakelen wanneer je een naar achteren gericht kinderzitje plaatst. De sticker betekent dus alleen: 'je hebt een airbag'.
Wanneer de airbag is uitgeschakeld, gaat er een lampje branden op het dashboard. Dit rode lampje dient ter waarschuwing: “let op, de airbag is uitgeschakeld”.