5de tw1

notities van textboek + slides

7 - regeling

basistof 1

7.1

homeostatie: het in staat houden van een dynamische evenwicht in het inwendige milieu van organismen

  • normwaarde: geldt bvb voor zuurstofconcentratie en glucoseconcentratie, osmotische waarde van lichaamsvloeistoffen en lichaamstemp; zijn niet altijd prc gelijk, niet te ver afwijken van de normwaarde = dynamisch evenwicht

regelkring: zorgt ervoor dat waarde rondom een normwaarde schommelt

  • negatieve terugkoppeling/negative feedback (binas 89C) : bij een regekring waarin een toename van het resultaat een remming van het proces veroorzaakt (in which an increase in the output causes an inhibition of the process)

    • result stijgt→remming van proces, result daalt→ stimulatie van proces

  • bestaat uit sensor (geeft signaal naar controlecentrum), controlecentrum (meet de waarde met normwaarde), en effector (orgaan die de reactie uitvoert)

positieve terugkoppeling/positive feedback: waarin een toename van het resultaat het proces veroorzaakt

7.2

in- en uitwendige milieu (internal and external environment):

  • meeste cellen hebben geen direct contact met uiwendige milieu (de inhoud van darmen, longen (intestines), en blaas (bladder) hoort hierbij)

  • inwendige mileu: bloed + weefselvloeistof (te vinden tussen cellen van een weefsel (tissue))

  • tussen inw. en uitw. milieu: ten minste één cellaag

7.3.0

hormonen: signaalstoffen (communicatie) die de cellen van hormoonklieren (endocrine glands) afgeven (binas 89a)

  • worden afgegeven aam het bloed dat langs hormoonklieren stroomt die de hormonen aan het hele organisme vervoeren, binden aan receptoren van bepaalde cellen (of weefsels) = doelwitorgaan →de binding kan in deze cellen een reactie op gang bregen of stoppen

  • hormoonreceptoren in hormoonconcentratie (hormoonspiegel) in het bloed: bepaalt mate van reactie van doelwitorgaan

  • doelorganen hebben een receptor voor het hormoon in de cel of op het celmembraan of cytoplasma; wanneer het hormoon op de recepetor klikt, worden er bepaalde celprocessen geactiveerd of geremd (binas 89B)

  • steroïdhormonen: vaak gevormd uit cholestrol, zijn hydrofoob, hebben eigenschappen van vetten (dus zijn daarin oplosbaar)→kunnen het celmymbraan in, receptoren hiervan zijn te vinden in het cytoplasma→hormoon-receptorcomplex

    • hormoon-receptorcomplex: komt via kernporie in kernplasma, kan bepaalde genen in DNA aan- of uitzetten

  • pepide- of eiwithormonen: zijn goed in water oplosbaar→kunnen het celmembraan niet in→binden aan receptor in celmembraan van de cellen van een doelwitorgaan, aan binnen van celmembraan wordt een bepaald signaalmolecuul geactiveerd: second messenger→second messenger geeft signaal in de cel door

klieren (glands): organen die het produceren of transporteren van bepaalde stoffen als doel hebben

  • endocrien (klieren met interne secretie): geven hun product direct af aan het bloed of andere organen binnen

  • exocrien (klieren met externe secretie): geven hun product af door middel van een buisje naar buiten of aan een holte in het lichaam

  • hormoonklieren: zijn klieren die als product hormonen afgeven aan het bloed, hormoonstelsel bestaan uit een aantal van hiervan (binas 89A)

    • hormoonstelsel: 7 belangrijkste hormoonklieren (hormonal glands)

          1. hypofyse

      1. epifyse (slaaphormonen)

      2. schildklier

      3. thymus (ontwikkeling van afveersysteem)

      4. bijnier (stresregulatie)

      5. afvleeskleer / pancreas

      6. eierstoken / ovary

      7. testes

  • verbind tussen sensor/controlecentrum/effector:

    • informatie wordt verzonden van orgaan naar orgaan met impulsen (zenuwcellen) of met hormonen (bloed)

      • impulsen gaan heel snel maar komen enkel bij het doelorgaan uit, dus ideaal wanneer informatie snel naar een speciefieke plek moet

      • hormonen gaan via bloed en komen dus bij iedere cel, maar traag, dus ideaal wanneer informatie op veel plekken moet aankomen en een langzamer reactie of geen snelle actie vereist is

hypothalamus:

  • zenuweefsel→neurosecretie (neuronen (zenuwcellen) produceren neurohormonen: 2 typen)

    • RH (releasing hormonen): stimuleren endocriene cellen in de hypofysevoorkwab om bepaalde hormonen te produceren

    • IH (inhibiting hormonen): zorgen ervoor dat de endocriene cellen in de hypofysevoorkwab geen hormonen meer produceren

  • regelt secretie van hormonen; reguleert: lichaamstemp, bloeddruk, hartslag honger, dorst, slaap-waakritme, seksuele opwinding (neurotransmitters in de

hypofyse: in verbinding met hypothalamus: 2 delen -

  • voorkwab: maakt hormonen, igeeft deze af aan het bloed na activatie door RH (releasing-hormonen) van de hypothalamus.

    • ACTH (adrenocorticotroop hormoon): wordt geproduceerd bij stres, bevordeert aanmaak van hormonen door bijnierschors

    • GH (groeihormoon): stimuleert de groei van beenderen in de puberteit, te veel→reuzengroei, te laag→dwerggroei

    • FSH en LH: prodcutie van geslachtscellen, zetten de geslachtsorganen aan tot het produceren van geslachtshormonen

    • ADH (antidiuretisch hormoon): regelt de resportie van water in de nieren bij de vorming van urine

  • achterkwab: geeft door hypothalamus gemaakte neurohormonen af aan bloed

schildklier:

  • ligt in de hals, voor het strottenhoofd (larynx) en tegen de luchtpijp, produceert onder andere schildklierhormoon (thyroxine)

  • jodium (uit voeding) is noodzakelijk voor de vorming van T4

spijsverteringsklieren (digestive glands):

  • kliercellen in de alvleesklier en de maag- en darmwand (intestinal wall) die de spijsvertering beïnvloeden

eilandjes van langerhans:

  • endocriene functie, alpha-cellen produceren glucagon, beta-cellen produceren insuline (deze hormonen zorgen ervoor dat de glucoseconcentratie in het bloed min of meer constant blijft)

  • glucoseconcentratie = bloedsuikerspiegel, wordt uitgedrukt in mmol/L, bij gezond person is dit tussen 4.0 - 8.0 mmol/L (normwaarde is 5.0 mmol/L 0.9 g/L)

  • regulatie van glucosegehalte in het bloed wanneer glucosegehaalte > normwaarde:

    wanneer glucosegehaalte van het bloed stijgt, beta cellen produceren meer insuline

    →transport van glucose door celmembraan wordt versneld, en glucose wordt omgezet in vetten en eiwitten en in de lever en spieren in glycogeen

    →glucosegehaalte in het bloed daalt

  • wanneer glucosegehaalte < normwaarde is:

    →alpha-cellen produceren meer glucagon→in lever en spieren wordt glycogeen omgezet in glucose→glucose wordt afgegeven aan het bloed

    →glucosegehaalte van bloed stijgt\

7.3.1 het zenuwstelsel

zenuwstelsel: communicatienetwerk dat alle delen van het lichaam verbindt

  • CW (centrale zenuwstelsel): grote hersenen, kleine hersenen, hersenstam, ruggenmerg

  • PW (perfiere zenuwstelsel): zenuwen (motorische + sensorische)

  • animale zenuwstelsel: regelt vooral bewuste reacties en de houding en beweging van het lichaam

  • autonome/vegatieve zenuwstelsel: regelt vooral werking van inwendige organen (bvb hartslagfrequentie, werking van spijsverteringsorganen…)

prikkel (stimulus) vs impuls:

  • prikkel is een invloed uit het milieu op het organisme

  • impulsen ontstaan in zintuigcellen (receptoren) onder invloed van prikkels, en zijn elektrische signalen, en worden naar de hersenen geleid

  • signaalverwerking: opvangen van prikkels uit de omgeving:

    1. zintuigcellen (receptoren) vangen prikkels en zetten deze om in impulsen

    2. zenuwcellen geleiden de impulsen naar CZ en van CZ naar spieren en klieren

    3. spieren reageren op deze door zich samen te trekken/ontspannen; spieren reageren op deze door stoffen af te scheiden

neuronen:

  • in zenuwweefsel bestaat een verhouding van gliacellen (stevigheid, beschermen, maken myliene enz) tot neuronen van 9 : 1

  • geleiden impulsen en geven neurotransmitters (signaalmoleculen) af

  • kunnen impulsen ontvangen en doorgeven

  • bestaan uit: cellichaam→kern, grootste deel van cytoplasma met mitochondriën, ribosomen, en endoplasmatische reticulum (</3 big word for elmo), meeste cellichamen liggen in of dichtbij CZ

motorische neuron

delen van een neuron:   

  • dendriet: de kleine handen, ontvangt impulsen en naar het cellichaam toe geleidt

  • axon: een uitloper die impulsen van het cellichaam af geleidt, zijn meestal sterk vertakt (heavily branched) met de dendrieten, hierdoor kan een neuron contact hebben met andere cellen, de vertakkingen (branches) eindigen in synapsen (een contactplaats waar een impuls van de ene cel naar de andere kan worden doorgegeven)

    • in een synaps kan een impuls worden doorgegeven van de ene naar de andere zenuwcel, of naar zenuwstel naar spiercel, of kliercel

    • wanneer een impuls aankomt in het uiteinde van een axon: versmelten blaasjes met neurotransmitters in het uiteinde van dit axon met het celmembraan

    • de inhoud van de synapsspleet komt hierdoor vrij, de neurotransmitters binden vervolgens aan receptoren in het membraan van de doelwitcel en kunnen daar een reactie beginnen/stoppen

    • door de binding aan de receptoren kunnen bvb impulsen in een andere zenuwcel onstaan (binas 88g)

  • myelineschede (myelin sheath): bestaat uit cellen van Schwann (gliacellen) die versnelt signaaloverdracht, isoleert axon

  • insnoering van ranvier (constrictions): een kleine onderbreking tussen twee opeenvolgende cellen van Schwann

    een cell junction→één van de verschillende manieren die cellen met elkaar zijn verbonden, type cell junction hangt af van het doel van verbinding

typen neuronen:

  • sensorische neuronen (gevoelszenuwcellen): geleiden impulsen van receptor naar CZ, hebben één lange dendriet en één korter axon, cellichaam ligt vlakbij CZ

  • motorische neuronen (bewegingszenuwcellen): geleiden impulsen van CZ naar effector (spier / klier), hebben meerdere korte dendrieten en één lange axon naar een spier / klier, cellichaam liggen in CZ

  • schakelneuronen (schakelcellen): geleiden impulsen binnen CZ

zenuwen:

  • hier liggen de uitlopers van sensorische en motorische neuronen bij elkaar

  • een laag bindweefsel die zorgt voor bescherming

een zenuw

3 typen zenuwen:

  • gevoelszenuw: bevat alleen uitlopers van sensorische zenuwcellen (gevoelszenuwcellen)

  • bewegingszenuw: bevat alleen uitlopers van motorische zenuwcellen (bewegingszenuwcellen)

  • gemenge zenuwen: bevatten zowel uitlopers van sens. neuronen als van motorische neuronen

de hersenen:

  • bestaat uit de grote hersenen, de kleine hersenen, en de hersenstam; en zijn omgeven door drie hersenvliezen (meninges) voor bescherming en bloedvoorziening (blood supply)

  • hersenschors (cerebral cortex): grijze stof→cellichamen van schakelcellen

  • merg (cerebral medulla)→witte stof→axonen van schakelneuronen (witte kleur wordt veroorzaakt door de myelineschede eromheen de axonen)

  • hersenstam: gedeelte tussen ruggenmerg en grote hersenen, geleidt impulsen van de grote en kleine hersenen naar het ruggenmerg (en vice versa), erin liggen verschillende centra die belangrijke lichaamsfuncties regelen, hersenzenuwen uit hersenstam geleiden ook impulsen van receptoren uit hoofd en hals naar grote en kleine hersenen en in omgekeerde richting naar effectoren

    • verlengde merg→onderste deel van hersenstam, waar de impulsbanen elkaar kruisen elkaar, impulsen van linkerhelft worden naar rechterhersenhelft geleid van vice versa

  • grote hersenen: word je bewust van de waarnemingen die je doet, er onstaan de impulsen om spieren aan te sturen voor bewuste bewegingen

    • sensorische gebieden: ontvangen en verwerken sensorische info in de vorm van impulsen van de zintuigen (bewustwording)

    • associatie gebieden: integreren info van diverse delen van het brein

    • motorische gebieden: sturen impulsen naar juiste spieren of klieren (bewuste beweging)

  • kleine hersenen: handhaven van je evenwicht en coördinaten van bewegingen, waarnemingen worden hier afgestemd op je bewegingen

  • hersencentra: centra in de hersenschors

    • gevoelscentra: komen impulsen aan, de plaats in de hersenschors bepaalt de aard van de waarnemingen die je doet, meeste gevoelscentra liggen bij elkaar in hersenschors, primair gevoelscentrum: prikkels, secundaire gevoelscentra (associatiecentra): verband gelegd tussen waarneming en eerdere waarnemingen

    • bewegingscentrum: plaats waar de impulsen onstaan bepaalt welke skeletspieren er gaan bewegen, meeste beweingscentra liggen bij elkaar in hersenschors, een bewegingscentrum voor een bepaald lichaamsdeel ligt vlak bj het gevoelscentrum voor dat lichaamsdeel, primair bewegingscentra: onstaan impulsen voor bwegegingen die je beuwst wil maken, secundaire beewgingscentra: worden de impulsen die venuit de ernaast gelegen primaire bew.c. komen + ontvangen hiervoor ook informatie over de houding van lichaam

    • de hersenhelften zijn qua bouw gelijk , maar hebben geen identieke functie→gezichten herkennen met rechterhersenhelft, spreken→vanuit linkerhersenhelft

het ruggenmerg:

  • ligt bij gewervelden beschermd in wervelkanaal (spinal canal)

  • loopt vanaf bovenste halswervel (de atlas) tot aan 2de lendenwervel (lumbra vertebra)

  • ruggenmergzenuwen zijn gemenge zenuwen: aan rugkant koment uitlopers van sensorische neorinen in gevoelszenuwen bij elkaar

basistof 4

bewuste en onbewuste reacties:

  • bewuste beweging (animale zenuwstelsel): er onstaan impulsen in bewegingscentra van grote hersenen→deze impulsen gaan via schakelneuron naar cellen in de kleine hersenen en vervolgens naar schakelneuronen in de hersenenstam en ruggenmerg→de impulsen gaan via motorische neuronen naar spieren    

  • reflex (vaste, snelle, onbewuste reactie): de weg die impulsen bij een reflex afleggen→ reflexboog (bestaat uit een receptor, conductoren in het zenuwstelsel, en effector (geen grote hersenen)), impulsen van zintuigen worden door sensorische neuronen meetsal eerst naar schakelneuronen in ruggenmerg of in hersenstam geleid→daarna direct naar motorische neuronen doorgegeven; reflexbogen van romp en ledematen (limbs) verlopen via schakelneuronen in ruggenmerg; reflexbogen van hoofd naar hals verlopen via de schakelneuronen in de hersenstam

autonome zenuwstelsel

  • staat niet onder de invloed van de wil, werkt nauw samen met hormoonstelsen en regelt onder andere de werking van de spieren van inwendige organen en klieren, 2 delen: orthosympatisch en parasympatisch (binas 88L)

antagonische werking
  • orthosympatische zenuwstelsel: beïnvloedt organen die met activiteit te maken hebben (eg: versnelling ademhaling, versnelling hartslag, vergoging dissimilatie [verbranding om energie vrij te maken], remt/vertraagt spijsvertering); orthosympatische deel wordt vanuit het ruggenmerg via de grensstrengen naar de organen geleid

  • parasympatische zenuwstelsel: stimuleert organen die met rust te maken hebben (stimuleert spijsverteringsorganen, bevordert assimilatie [vormen organische stoffen voor het opbouw van lichaam], remt/vertraagt hartslag en ademhaling); parasympatische deel wordt vanuit de hersenen via de zwervende zenuw naar de organen geleid

  • beide delen van autonome zenuwstelsel zijn steeds actied, en het hangt van de omstandigheden af welk deel op een bepaald moment de sterkste activiteit vertoont

  • bepaalde centra in hersenstam coördineren de activiteiten van autonome zenuwstelsel, elk doelwitorgaan wordt aangestuurd door twee zenuwen van autonome zenuwstelsel (ortho en para) en hierdoor kan de werking van een orgaan worden gestimuleerd of geremd

basistof 5

impulsgeleiding: Na+ (natriumionen) en K+ (kaliumionen [potassium ions]) vormen de basis hiervoor

  • binnen de cytoplasma van neuronen: veel positief geladen K+ en negatief geladen grote moleculen zoals eiwitten

  • buiten de cel, in intercellulaire ruimte: relatief veel positief geladen Na+ en negatief geladen chloride-ionen

  • bij een neuron dat geen impuls geleidt, direct tegen buitenkant van celmembraan meer Na+→buitenkant van neuron positief geladen

rustpotentiaal: direct tegen binnenkant van het celmembraan zitten er meer moleculen met negatieve lading→verschil in elektrische lading in de binnen en buiten celmembraan→spanningsverschil, rustpotentiaal is deze spanning die bij alle neuronen die geen impuls geleiden ongeveer even groot is (-70 mV)

  • rustpotentiaal wordt in stand gehouden door natrium-kaliumpompen: de transporteiwitten van deze ionenpompen transporteren actief Na+ de cel uit en Ka+ de cel in (benodigde energie voor dit actief transport is uit ATP), sommige getransporteerde ionen diffunderen terug door transport door transportkanalen in celmembraan (passief transport)

het meten van de rustpotentiaal

impulsgeleiding:

  • het binden van neurotransmitters/toedienen van prikkel op bepaalde plaats van celmembraan van neuron→verandering in permeabiliteit van celmembraan van ionen→ionkanalen (bepaalde transporteiwitten) in het celmembraan openen en laten veel ionen door

  • eerst openen Na+-kanalen in het celmembraan→Na+ de cel ingaan→elektrische lading van het cytoplasma in het neuron verandert en membraanpotentiaal wordt minder negatief (depolarisatie)

  • wanneer verschil in elektrische lading afneemt tot de drempelwaarde (~ 50 mV)→impuls/actiepotentiaal (actiefase)

  • bij een impuls: binnenkant van celmembraan krijgt door het ionentransport ~ 1 ms een + lading (~ 30 mV) tov buitenkant

  • na actiepotentiaal: sluiten de Na+-kanalen sluiten en K+-kanalen openen

  • repolarisatie: door het transport van K+-ionen naar buiten→wordt binnenkant van celmembraan weer negatief tov de buitenkant

  • hyperpolarisatie: de K+-kanalen sluiten→elektrische lading < 70 mV→treed er zekfs korte tijd hyperpolarisatie op

  • refractaire periode: vanaf het begin van actiepotentiaal tot herstel van rustpotentiaal→celmembraan voor een korte tijd geen impuls kan geleiden (duurt ongeveer 1 ms)

absolute en relatieve refractaire periode
  • rustpotentiaal is weer bereikt→Na+ en Ka+-ionen zijn anders verdeeld (natrium-kaliumpomp herstelt de normale ionenverdeling weer

impulssterkte en impulsfrequentie

  • heel zwakke prikkel→neuron kan verschil in elektrische lading handhaven (mantain)→te weining Na+-kanalen open→onvol. Na+-ionen binnenstromen→drempelwaarde van -50 mV wordt niet gehaald

  • prikkeldrempel→kleinste sterkte van een prikkel die een impuls veroorzaakt

  • sterk genoeg prikkel→veel Na+-kanalen openen→vol. Na+ naar binnen stromen→drempelwaarde van -50 mV wordt gehaald→neuron kan verschil in elek lading niet meer handhavan→impuls

  • impulssterkte: grootte van de verandering die optreedt in de spanning over celmembraan, is voor alle neuronen gelijk

  • zintuigen verwerken prikkels die in sterkte kunnen verschillen: door een sterkere prikkel→meer impulsel in zintuigcel

  • impulsfrequentie: aantal impulsen die door een neuron worden geleid per tijdseenheid (vaak ms)

  • impulsgeleiding in een ongemyeliniseerde neuronuitloper

  • elek lading van rode plek veranderd→actiepotentiaal onstaat→veel Na+ ionen binnen de cel in stromen

  • op grijze plek depolariseert daardoor ook het axonmembraan→depolarisatie is groot genoeg om drempelwaarde te bereiken→Na+-kanalen opengaan en actiepotentiaal onstaat

  • ondertussen verkeert rode plek in herstelfase en oorspronkelijk elek lading op rood keert terug

  • impulsgeleiding: het doorgeven van het ladingsverschil naar andere delen van het celmembraan = de prikkel heeft een ladingsverschil veroorzaakt, dit prikkelt het aangrenzende stukje celmembraan tot een ladingsverschil, enz…

  • een impuls kan zich naar beide zijden van een uitloper van een neuron uitbreiden maar kan alleen bij het uiteinde van een de zenuwuitloper (bij een synaps) worden overgedragen op een ander neuron of een effector 

sprongsgewijze impulsgeleiding

  • impulsgeleiding is sneller in zenuwcellen waarvan een axon is omgeven door een myelineschede

  • verandering van de elek lading kan bij deze uitlopers alleen plaatsvinden op de plaats van de insnoeringen→een impuls “springt” van insnoering naar insnoering

  • verloopt 50x zo snel als de impulsgeleiding van een zenuwcel zonder myelineschede

  • voordelen: tijdsbesparing

neurotransmitters en impulsoverdracht

  • synaps: cell junction die bestaat uit een presynaptisch membraan (uiteinde van aanvoerende axon) en postsynaptisch membraan (van de doelwitcel), synapsspleet→tussen deze twee membranen

  • geen impuls: heerst zowel bij presyn. als bij postsyn. membraan de rustpotentiaal

  • wel impuls: komen er neurotransmitters in de synaptische spleet terecht→ze binden aan receptoreiwitten op de ionkanalen in het postsyn. membraan van dodelwitcel→hierdoor verandert de ruimtelijke structuur van ionkanalen→ze opengaan en ionen de cel in diffunderen

  • neurotransmitters worden door enzymen afgebroken of weer worden opgenomen door presyn. memrbaan → neurotransmitters blijven zeer korte tijd in synapsspleet aanwezing

  • verandering in de ionenpermeabiliteit van postsyn. membraan duurt maar enkele milliseconden

basistof 6: spieren en klieren

glad spierweefsel:

  • langwierpe spiercellen, elk met celkern

  • zit in wand van holle organen (bvb bloedvaten)

  • wordt aangestuurd door autonome zenuwstelsel

  • contractie verloopt trager dan dwarsgestreept spierweefsel

  • wordt niet snel vermoeid

dwarsgestreept spierweefsel:

  • zit o.a. in skeletspieren, met taaie banden, de pezen, vast aan de botten

  • handhaven van lichaamshouding en bij warmteproductie in lichaam vanwege 

  • bestaat uit spiervezels die onstaan door versmelting van veel spiercellen→spiervezel bevat veel celkernen, wordt aangestuurd met animale zenuwstelsel

  • contractie verloopt snel

  • snel vermoeid

hartspierweefsel:

  • alleen in wand van hart

  • spiercelen vormen ‘vertakkingen’ 

  • wordt aangestuurd met autonome zenwustelsel

skeletspieren (90C)

  • omgeven door een spierschede (muscle sheathe) van bindweefsel (connective tissue)

  • aan uiteinden van spier gaat bindweefsel van spierschede over in bindweefsel van pezen

  • is zich met pezen bevestigd aan delen van het skelet (pees kan niet samentrekken en is slecht doorbloed)

  • bestaan uit aantal spierbundels (die elk ook weer zijn omgeven door laag bindweefsel)

  • spiervezels→spierbundel→skeletspier

  • spiervezels: zijn opgebouwd uit spierfibrillen (myofibrillen) die filamenten (bepaalde eiwitten) hebben

  • dunne filamenten: bestaan uit eiwit actine; dikke filamenten: bestaan uit eiwit myosine

  • actine- en myosinefilamenten liggen en regelmatig patroon gerangschikt→onder miscroscoop dwarse strepen van lichte en donkere banden zichtbaar

  • op spiervezels bevinden zich motorische eindplaatjes: uieinden van vertakkingen van axon van motorisch neuron

  • fijne vertakkingen naar motorische eindplaatjes van verschil. spiervezels

  • meeste spiervezels hebben één motorisch eindplaatjes→die zorgen voor impulsoverdracht naar een spiervezel

  • motorisch eenheid: één motorisch neuron vormt samen met alle spiervezels (die via motorische eindplaatjes in verbinding staan met dit neuron)

acetylcholine

  • komt vrij door de s

contractie en relaxie