Begrippenlijst 104
Ligand-Receptor Interacties
●
Ligand: Een molecuul dat bindt aan een receptor.1234 Dit kan een lichaamseigen stof zijn, zoals een hormoon of neurotransmitter, of een geneesmiddel.2
●
Receptor: Een eiwit dat een specifieke bindingsplaats heeft voor een ligand.125 De binding van een ligand aan een receptor leidt tot een cellulaire respons.2
●
GPCR (G-protein-coupled receptor): Een veelvoorkomende type receptor in het celmembraan dat betrokken is bij signaaltransductie.236 Ongeveer 40% van alle geneesmiddelen werkt via GPCRs.3
●
Bindingsaffiniteit: De sterkte van de binding tussen een ligand en een receptor.17 Dit wordt uitgedrukt in de dissociatieconstante (Kdiss), waarbij een lagere Kdiss een hogere affiniteit aangeeft.89
●
Specificiteit: De mate waarin een ligand aan één specifiek doelwit bindt.1011 Dit wordt bepaald door de moleculaire krachten, functionele groepen, structuur en vorm van zowel het ligand als het doelwit.10
●
Selectiviteit: De voorkeur van een ligand om te binden aan één doelwit boven andere.1011 Een ligand met een hoge selectiviteit zal sterker binden aan het beoogde doelwit dan aan andere doelwitten.10
●
Agonist: Een ligand dat bindt aan een receptor en deze activeert, wat leidt tot een cellulaire respons.12131415
●
Antagonist: Een ligand dat bindt aan een receptor en de activering ervan blokkeert, wat de werking van een agonist remt.12131415
●
Partiële agonist: Een ligand dat bindt aan een receptor, maar slechts een gedeeltelijk effect veroorzaakt in vergelijking met een volle agonist.1213
●
Inverse agonist: Een ligand dat bindt aan een receptor en een effect veroorzaakt dat tegengesteld is aan dat van een agonist.1213
Inhibitie van Receptorbinding en Enzymreacties
●
Inhibitor: Een molecuul dat de activiteit van een enzym of de binding van een ligand aan een receptor remt.161718
●
Competitieve inhibitie: Een type inhibitie waarbij de inhibitor concurreert met het substraat of ligand om binding aan de actieve bindingsplaats.16171819 Dit leidt tot een verhoging van de schijnbare Kdiss of EC50, maar heeft geen effect op de Rtot of Emax.1920
●
Niet-competitieve inhibitie: Een type inhibitie waarbij de inhibitor bindt aan een andere plaats dan de actieve bindingsplaats (allosterische bindingsplaats).171820 Dit leidt tot een verlaging van de Rtot of Emax, maar heeft geen effect op de Kdiss of EC50.20
●
Ki (inhibitieconstante): Een maat voor de affiniteit van een inhibitor voor een enzym of receptor.161921 Een lagere Ki duidt op een sterkere binding van de inhibitor.22
●
IC50: De concentratie van inhibitor die nodig is om de helft van de maximale binding of activiteit te remmen.182324
●
Cheng-Prusoff vergelijking: Een vergelijking die de Ki relateert aan de IC50 en de Kdiss van de ligand.1824
●
Verdringingscurve: Een grafiek die de binding van een gelabelde ligand aan een receptor toont als functie van de concentratie van een ongelabelde inhibitor.23
Enzym Kinetiek
●
Enzym: Een eiwit dat als katalysator fungeert om biochemische reacties te versnellen.1525 Enzymen zijn belangrijke farmacologische doelwitten.25
●
Substraat: Het molecuul waarop een enzym inwerkt.2627 Het substraat bindt aan de actieve plaats van het enzym en wordt omgezet in een product.26
●
Actieve plaats: De specifieke regio op een enzym waar het substraat bindt en de katalyse plaatsvindt.2728
●
Michaelis-Menten kinetiek: Een model dat de snelheid van een enzymatische reactie beschrijft als functie van de substraatconcentratie.293031
●
V0 (initiële reactiesnelheid): De snelheid van de enzymatische reactie aan het begin van de reactie, wanneer de substraatconcentratie nog hoog is.3132
●
Vmax (maximale reactiesnelheid): De maximale snelheid van de enzymatische reactie, die wordt bereikt wanneer alle enzymen verzadigd zijn met substraat.3133
●
Km (Michaelis-constante): De substraatconcentratie waarbij de reactiesnelheid de helft van de Vmax is.3132 Km is een maat voor de affiniteit van het enzym voor het substraat.31
●
kcat (katalytische constante): Het aantal substraatmoleculen dat per enzymmolecuul per tijdseenheid wordt omgezet in product.34 Ook wel bekend als het "turnover number".35
●
Katalytische efficiëntie (kcat/Km): Een maat voor de efficiëntie van een enzym, rekening houdend met zowel de katalytische snelheid (kcat) als de affiniteit voor het substraat (Km).36
Signaaltransductie
●
Signaaltransductie: Het proces waarbij een extracellulair signaal wordt doorgegeven aan het inwendige van een cel, wat leidt tot een cellulaire respons.5373839
●
First messenger: Het extracellulaire signaalmolecuul (ligand) dat bindt aan een receptor.537
●
Second messenger: Een intracellulair signaalmolecuul dat wordt geproduceerd in respons op de binding van een first messenger aan een receptor.2537 Voorbeelden zijn cAMP, IP3 en DAG.
●
G-eiwit: Een eiwit dat betrokken is bij signaaltransductie, geactiveerd door GPCRs.2353840 G-eiwitten bestaan uit drie subeenheden: α, β en γ.4142
●
Fosfolipase C (PLC): Een enzym dat wordt geactiveerd door Gq-eiwitten en PIP2 splitst in DAG en IP3.4042
●
Diacylglycerol (DAG): Een second messenger die proteïne kinase C (PKC) activeert.4042
●
Inositol 1,4,5-trifosfaat (IP3): Een second messenger die bindt aan receptoren op het ER en de afgifte van Ca2+ in het cytoplasma veroorzaakt.4042
●
Proteïne kinase C (PKC): Een enzym dat wordt geactiveerd door DAG en betrokken is bij verschillende cellulaire processen.4042
Genexpressie
●
Genexpressie: Het proces waarbij de genetische informatie in DNA wordt omgezet in eiwitten.43
●
Transcriptie: Het proces waarbij DNA wordt gekopieerd naar RNA.43
●
Translatie: Het proces waarbij RNA wordt gebruikt als sjabloon voor de synthese van eiwitten.43
●
Transcriptiefactor: Een eiwit dat bindt aan DNA en de transcriptie van genen reguleert.434445
●
Promotor: Een DNA-sequentie die zich stroomopwaarts van een gen bevindt en de bindingsplaats vormt voor RNA polymerase en transcriptiefactoren.45
●
Enhancer: Een DNA-sequentie die de transcriptie van een gen stimuleert.46
●
Silencer: Een DNA-sequentie die de transcriptie van een gen remt.46
●
Chromatine: Het complex van DNA en eiwitten dat chromosomen vormt.46
●
Nucleaire receptor: Een type transcriptiefactor die zich in de celkern bevindt en wordt geactiveerd door de binding van een ligand.4748
●
Histon: Een eiwit dat DNA verpakt en organiseert in chromatine.49
●
Histonacetylering: De toevoeging van een acetylgroep aan een histoneiwit, wat de chromatinestructuur opent en de transcriptie bevordert.50
●
HAT (histonacetyltransferase): Een enzym dat histonacetylering katalyseert.4950
●
HDAC (histondeacetylase): Een enzym dat de verwijdering van acetylgroepen van histonen katalyseert.4950
Overige Begrippen
●
Orgaanbad: Een experimentele opstelling die wordt gebruikt om de effecten van geneesmiddelen op weefsels te bestuderen.4151
●
EC50 (half maximale effectieve concentratie): De concentratie van een geneesmiddel die nodig is om 50% van het maximale effect te bereiken.525354
●
Emax (maximale efficacy): Het maximale effect dat een geneesmiddel kan produceren.535455
●
Potency: Een maat voor de concentratie geneesmiddel die nodig is om een bepaald effect te bereiken.5253 Een hogere potency betekent dat een lagere concentratie nodig is.
●
Efficacy: Een maat voor de maximale respons die een geneesmiddel kan produceren.5253
●
Spare receptors: Receptoren die niet bezet hoeven te worden om een maximaal effect te bereiken.5456
●
Receptorreserve: Het verschil tussen het aantal receptoren dat bezet moet worden om een maximaal effect te bereiken en het totale aantal receptoren.56
●
Receptor drempelwaarde: Het minimum aantal receptoren dat bezet moet worden om een effect te produceren.