Samenvatting: Welvaart en Duurzame Ontwikkeling - Conjunctuurbewegingen en Internationale Instellingen

Deel 2: Conjunctuurbewegingen

1. Conjunctuur
  • Wat is conjunctuur?

    • Korte termijn: Schommelingen van de economische groei.

      • Hoogconjunctuur: Perioden van sterkere groei.

      • Laagconjunctuur: Perioden van tragere groei.

    • Lange termijn: Gemiddelde groei van de economie over de lange termijn = trendmatige groei.

  • Schematische voorstelling:

    • X-as: Tijd

    • Y-as: Productievolume of economische groei

    • Hoogconjunctuur: Conjunctuurlijn boven de trendlijn.

    • Laagconjunctuur: Conjunctuurlijn onder de trendlijn.

  • Conjunctuurfasen:

    1. Economische expansie: Opgaande lijn in de conjunctuurcyclus.

    2. Recessie: Neergaande lijn in de conjunctuurcyclus.

      • Definitie: Groei van het BBP gedurende 2 opeenvolgende kwartalen negatief.

    3. Economisch herstel: Begint nadat de economie in een depressie haar dieptepunt heeft bereikt.

  • Overige begrippen:

    • Economische crisis: Overgang van hoog- naar laagconjunctuur.

    • Baisse: Bedrijven beginnen mensen te ontslaan vanwege de economische crisis.

    • Depressie: Langdurige en sterke daling van de productie binnen een economie tijdens een recessie.

2. Conjunctuurindicatoren
  • Wat is een conjunctuurindicator?

    • Geeft een aanwijzing/indicatie over de ontwikkeling van de economie.

    • Moet zo snel en zo goed mogelijk de huidige en toekomstige economische activiteit registreren.

  • Waarom conjunctuurindicatoren?

    • Economische spelers (overheid, banken, bedrijven, economen, consumenten, etc.) willen weten hoe de conjunctuur zich gaat ontwikkelen.

    • Op basis daarvan worden economische beslissingen genomen.

    • Het zijn verschijnselen in de maatschappij die economen meten om economische veranderingen te voorspellen.

  • Voorbeeld: Verwachting van een crisis:

    • Banken: Minder snel kredieten verstrekken.

    • Bedrijven: Minder snel investeren.

    • Overheid: Minder belastingontvangsten, maar meer werkloosheidsuitkeringen.

    • Consumenten: Meer sparen, minder uitgeven (vanwege onzekerheid).

  • Soorten indicatoren:

    • 2.1. Op basis van al dan niet gelijklopend met de economie

      • 2.1.1. Vooruitlopende indicator: Consumentenvertrouwen, bouwaanvragen, orders/bestellingen bij bedrijven.

      • 2.1.2. Gelijklopende indicatoren: Consumptie, investeringen, elektriciteitsverbruik, import, export.

      • 2.1.3. Achterlopende indicatoren: Werkgelegenheid, faillissementen.

    • 2.2. Op basis van vertrouwen of op basis van economische/arbeidscijfers

      • 2.2.1. Vertrouwensindicatoren: Consumentenvertrouwen, producentenvertrouwen.

        • Meer vertrouwen in de economie -> meer zekerheid -> meer geld uitgeven -> economie groeit -> conjunctuur stijgt.

      • 2.2.2. Economische indicatoren: Rente, BBP, export, consumptie, investeringen.

        • Stijgende rente: Aanbod van geld is laag en de vraag is hoog.

        • Voorbeeld bij hoogconjunctuur:

          • Mensen sparen minder -> banken hebben weinig aanbod van geld.

          • Mensen willen meer kopen -> meer geld lenen -> veel vraag naar geld.

      • 2.2.3. Arbeidsmarktindicatoren: Werkgelegenheid, werkloosheid.

        • Langdurige laagconjunctuur: Bedrijven ontslaan 'overtollige' werknemers.

        • Minder vraag -> minder verkoop -> minder productie.

  • Praktische oefeningen:

    • Lees de krantenartikels van De Tijd.

    • Zoek en som de conjunctuurindicatoren op.

    • Vermeld bij elke conjunctuurindicator over welke soort het gaat.

3. Evolutie van de Indicatoren tijdens de Conjunctuurfasen
  • Outputgap:

    • Het verschil tussen het reële BBP (Y0Y_0) en het potentiële BBP (YY^*).

    • Potentiële BBP: Het BBP dat mogelijk is als alle beschikbare middelen zo volledig mogelijk worden ingezet.

    • 100% bezetting is niet haalbaar door machinebreuk, ziekte, uitval, etc.

    • Een bezetting van de productiecapaciteit van ongeveer 80% wordt als normaal beschouwd.

    • Potentieel BBP = BBP als 80% van de productiecapaciteit benut wordt.

  • 3 mogelijkheden:

    • Economie is in evenwicht: Y0=YY_0 = Y^*

    • Laagconjunctuur = onderbesteding of onderbenutting: Y_0 < Y^*

    • Hoogconjunctuur = overbesteding of overbenutting: Y_0 > Y^*

  • Evolutie van de indicatoren:

    • Hoogconjunctuur:

      1. Economie doet het goed, conjunctuurlijn ligt boven trendlijn, geaggregeerde vraag is hoger dan de productiecapaciteit.

        • Geaggregeerde vraag: De vraag naar alle producten op alle markten in een land.

        • Er worden meer producten gevraagd dan de ondernemingen kunnen maken.

        • De prijs van de producten gaat stijgen (vraag > aanbod) = inflatie stijgt.

      2. Hoge geaggregeerde vraag + productiecapaciteit volledig benut:

        • Veel mensen nodig om alle producten te produceren.

        • Werkloosheid daalt en de arbeidsmarkt wordt krapper.

        • Lonen stijgen: Producenten moeten meer loon geven om werknemers te overtuigen bij hen te komen werken.

        • Door de zeer grote vraag, stijgt de verkoop van de bedrijven + het is verkoop tegen hoge prijs (omdat V > A).

        • Winst van bedrijven zal stijgen.

    • Laagconjunctuur:

      1. Economie doet het slecht, conjunctuurlijn ligt onder trendlijn, geaggregeerde vraag is lager dan de productiecapaciteit.

        • Er worden meer producten geproduceerd dan er gevraagd worden.

        • De prijs van de producten gaat dalen (aanbod > vraag) = inflatie daalt.

        • Producenten hebben het moeilijk om hun producten te verkopen > prijs verlagen.

      2. Lage geaggregeerde vraag + productiecapaciteit wordt niet volledig benut:

        • Minder mensen nodig om de producten te produceren.

        • Werkloosheid stijgt en de arbeidsmarkt wordt ruimer.

        • Lonen stijgen minder snel of dalen: Producenten hebben meer keuze wanneer ze werknemers zoeken en ze kunnen minder salaris bieden.

        • Door de lagere vraag, daalt de verkoop van de bedrijven + het is verkoop tegen lagere prijs (omdat A > V).

        • Winst van bedrijven zal dalen.

Deel 3: Rol van Internationale Instellingen in Economische Groei

  • De Wereldbank:

    • Opgericht in 1944 door de Verenigde Naties, 190 leden.

    • Zetel in Washington.

    • Doel: Armoede bestrijden en levensstandaard verhogen.

    • Doelgroep: Arme landen en ontwikkelingslanden.

    • Hoe: Ontwikkelingssamenwerking door:

      • Het verstrekken van leningen (financiële hulp).

      • Het bieden van ondersteuning bij grote infrastuctuurwerken (technische hulp).

    • Omvat 5 instellingen, o.a. IBDR en IDA.

      • IBDR: International Bank for Reconstruction and Development >> gericht op minder rijke landen en kredietwaardige ontwikkelingslanden.

      • IDA: International Development Association >> gericht op de allerarmste landen.

      • Beide instellingen zorgen voor leningen, rentevrije kredieten en beurzen zodat deze landen hun onderwijs, infrastructuur en communicatiemiddelen kunnen verbeteren.

      • Waarom? Omdat het voor die landen niet makkelijk is om kapitaal aan te trekken.

  • WTO (Wereldhandelsorganisatie):

    • Opgericht in 1995 met zetel in Genève, komt voort uit het GATT (General Agreements on Tariffs and Trade, 1947).

    • Doel: Bevorderen van de internationale handel door het opheffen van handelsbarrières en beslechten van handelsconflicten.

    • Waarom? Internationale handel is de beste en snelste manier om de wereld welvarender te maken (en daarom moeten hindernissen om handel te drijven opgeruimd worden).

  • WEF (World Economic Forum):

    • Jaarlijkse bijeenkomst, sinds 1971, in Davos (Zwitserland).

    • Wie? Internationale politici, CEO’s van grote bedrijven, vertegenwoordigers van NGO’s, denkers/influencers, voorzitters van centrale banken, internationale werkgevers-en werknemersorganisaties.

    • Waarom? Het is een invloedrijk ontmoetings-en discussieplatform over politiek, economie, klimaat, …

  • OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling):

    • Samenwerkingsverband van 38 landen, opgericht in 1947.

    • Doel: Sociaal en economisch beleid bespreken, bestuderen en coördineren. Proberen gezamenlijke problemen op te lossen en trachten internationaal beleid op elkaar af te stemmen.

    • Opmerking: OESO heeft de BLI (Better Life Index) gelanceerd.

  • IMF (Internationaal Monetair Fonds):

    • Opgericht in 1947, onderdeel van de VN, zetel in Washington. 189 landen zijn lid.

    • Doel: Zorgen voor stabiliteit en samenwerking op monetair gebied.

    • Taken: Kredietverlener aan staten met betalingsproblemen en vrij internationaal betalingsverkeer bevorderen.