Genotype en Fenotype
Genotype en Fenotype
Chromosomen:
Dunne 'draden' die aanwezig zijn in elke celkern.
Bestaan voor een groot deel uit de stof DNA.
DNA:
Bevat de informatie voor alle erfelijke eigenschappen.
Elke afzonderlijke celkern bevat de complete informatie voor alle erfelijke eigenschappen van een organisme.
Gen:
De specifieke stukjes DNA die samen de informatie bevatten voor één erfelijke eigenschap.
Genotype:
De volledige informatie voor de erfelijke eigenschappen van een organisme.
Alle genen in een celkern vormen samen het genotype.
Het genotype van een organisme ontstaat definitief op het moment van de bevruchting.
Fenotype:
De waarneembare eigenschappen van een organisme, waaronder het uiterlijk.
Het fenotype komt tot stand door een combinatie van het genotype en invloeden uit het milieu (zoals leefstijl en omgeving).
Activeringsniveau en Werking van Genen in Cellen
Selectief gebruik van erfelijke informatie:
Een cel gebruikt uitsluitend de genen die hij daadwerkelijk nodig heeft voor zijn specifieke taken.
De overige genen zijn in die betreffende cel niet actief.
Welke genen actief zijn, hangt direct samen met de specifieke functie van de cel.
Voorbeelden van celspecifieke genactiviteit:
In levercellen staan de genen die verantwoordelijk zijn voor de galproductie aan.
In hoofdhuidcellen staan de genen voor de galproductie uit.
Gradatie in genactiviteit:
De activiteit van een gen is variabel: een gen kan een beetje tot erg actief zijn (dit wordt verwoord als het 'zacht' of 'hard' staan van een gen).