Geschiedenis van het Britse Rijk en de VS
Geschiedenis
Kenmerkende Aspecten Tijdvak 5 tot 10
Rood: Examenstof, verplicht.
Blauw: Handig om te weten.
Historische Contexten (3 onderwerpen)
Britse rijk (1585-1900) + tijdvakken 7 en 8.
Duitsland in Europa (19018-1991) + tijdvakken 9 en 10.
Nederland (1948-2008) + tijdvakken 5 t/m 10.
Het Britse Rijk (1585-1900)
Leidende Vraag: Ontwikkeling van Engelse Koloniën in Amerika (1585-1833)
Hoe de eerste koloniën van Engeland tot stand kwamen.
Welke koloniën Engeland in Amerika had.
Welke gevolgen de komst van de Engelsen had voor de oorspronkelijke bevolking van Amerika.
Het aandeel van de Engelsen in de driehoekshandel.
Hoe de onafhankelijke verenigde staten van Amerika ontstonden.
Hoe slavenhandel en slavernij werden afgeschaft.
1.1 Het Begin: Sir Walter Raleigh (1552-1618)
Sir Walter Raleigh stichtte in 1585 de eerste kolonie op Roanoke Island in het huidige North Carolina (V.S).
Doel: De kolonie moest binnen tien jaar uitgroeien tot een basis voor het kapen van de Spaanse vloten door de Engelsen.
Raleigh kreeg eigendomsrechten over alle nieuw ontdekte gebieden en stuurde in 1585 honderden mannen naar het eiland om zich daar te vestigen.
1.1 Het Begin: John Smith (1580-1631)
Stichtte in 1607 de eerste succesvolle Britse kolonie: Jamestown (vernoemd naar koning James).
Deze stad groeide uit tot de kolonie Virginia.
In 1606 reisde hij als lid van de Virginia Company naar Amerika; het doel was om Engelands positie in de 'nieuwe wereld' te vestigen, goud en zilver te zoeken, en een doorvaart door Azië te vinden.
1.1 De Pilgrim Fathers
In 1620 werd de Engelse kolonie ‘New England’ gesticht, waar de kolonisten een nieuwe samenleving volgens calvinistische ideeën wilden opbouwen.
Deze kolonisten worden ook wel de Pilgrim Fathers genoemd.
1.1 Twee Kolonisatie Stromen
Virginia (zuidelijk):
Plantation-economieën: Producten als tabak en katoen worden voor export verbouwd.
Economisch gewin.
Vrijgezelle avonturiers; plantage-eigenaren krijgen een machtige positie in de kolonie (aristocratie).
New England (noordelijk):
Vestigingskoloniën: Gericht op landbouw, handel en nijverheid.
Religieuze motieven.
Gezinnen en dorpen onder leiding van dominees.
1.1 Dertien Koloniën
Uiteindelijk creëerden de Britse kolonisten 13 koloniën aan de oostkust van Amerika.
1.1 Caribisch Gebied
Naast de 13 koloniën aan de oostkust koloniseerden de Britten enkele landen in het Caribisch gebied.
Voorbeelden zijn Barbados (1627) en Jamaica (1655).
1.1 Gevolgen Kolonisatie
Ontstaan van de Columbian Exchange: wereldwijde transport van voedsel, planten, dieren, mensen, en ziektes tijdens de kolonisatie van Amerika.
Producten:
Planten:
Van Amerika: maïs, aardappelen, tomaten, pompoen, ananas, tabak en cacaobonen.
Van Afrika: bananen, yamswortel.
Van Europa: graan, rijst, haver.
Dieren:
Van Amerika naar Europa: kalkoen.
Van Europa naar Amerika: koeien, paarden, schapen en varkens.
Ziektes:
Van Europa naar Amerika: waterpokken, mazelen.
1.1 Gevolgen Kolonisatie voor Oorspronkelijke Bevolking
Decimering: Sterfte door ziektes.
1.1 Ontstaan van de Trans-Atlantische Driehoekshandel
Plantages (bijv. suikerriet en tabaksplantages) vereisten veel personeel.
Personeelsgebrek: grote sterfte onder inheemse bevolking, Europeanen wilden niet zelf werken op plantages.
Hoge vraag naar (goedkope) arbeidskracht, leidend tot de vraag naar Afrikaanse slaven.
Redenen voor de Aanschaf van Afrikaanse Slaven
Afrikanen waren immuun voor Europese ziektes.
Veel Afrikanen hadden ervaring in de landbouw.
Afrikanen zouden, eenmaal op een ander continent of land, niet snel ontsnappen vanwege onbekendheid met taal en cultuur.
Afrikanen zijn vanwege huidskleur gemakkelijk herkenbaar, wat het vangen bij ontsnapping vergemakkelijkt.
1.1 Middle Passage
Slaven werden vervoerd via de driehoekshandel, waarvan de middle passage de route van Afrika naar Amerika was.
1.1 Slavernij in de Britse Koloniën
Verschillen tussen de Britse koloniën in Noord- en Midden-Amerika.
In de jaren 1770 maakten Afrikanen bijna 96% van de bevolking uit op Dominica, Grenada, Saint Vincent en Tobago; bijna 94% op Jamaica; 89% op de Leeward eilanden; en ruim 78% op Barbados.
Tussen 1451 en 1870 werden naar Barbados 387.000 Afrikanen en naar Jamaica 747.500 Afrikanen vervoerd. Tot eind 18e eeuw werden ook indianen tot slaaf gemaakt.
De Britten voerden zelfs indianen als slaven uit naar hun koloniën in het Caribisch gebied.
1.1 Royal African Company
Engelse regering gaf in 1672 het monopolie op de slavenhandel aan de Royal African Company, die meer slaven vervoerde dan enige andere organisatie, zoals de Nederlandse WIC.
Monopolie verloren in 1698; slavenhandel werd vrijgegeven met 10% belasting op handel met West-Afrika. De eerste tien jaar werden er 2 tot 4 keer zoveel slaven vervoerd.
1.1 Amerikaanse Onafhankelijkheid
Groei inwoneraantal Britse koloniën; steeds meer generaties geboren en opgroeiend in Amerika.
Verminderende band met Groot-Brittannië, onder invloed van ideeën over:
Trias politica.
Volkssoevereiniteit.
Natuurlijke grondrechten.
1.1 Bestuur in de Koloniën
Officieel Brits-Amerika en Brits West-Indië.
Elke kolonie had eigen parlement en (gekozen) bestuurders; boven hen stond een Britse gouverneur.
Kolonies waren Brits bezit; wetten bepaald door Engelse koning, regering, en afgevaardigden van bevolking.
Kolonisten niet vertegenwoordigd in Brits Parlement; geen inspraak in beslissingen die hen aangingen.
1.1 Onafhankelijkheidsstrijd
Begin van verzet tegen verhoogde belasting.
Boston (Massachusetts) wordt een belangrijk centrum van verzet.
5 maart 1770: Boston Massacre; Britse soldaten schieten 5 mensen dood.
1773: Boston Tea Party.
1.1 De Onafhankelijkheidsstrijd: Oorzaken (1775-1783)
Gevoel van afstand: Kolonisten voelen zich niet Brits.
Hoge belastingdruk en bemoeizucht van Groot-Brittannië, vooral na de Franse en Indische oorlog.
Geen inspraak in Londen over koloniale zaken.
Ideeën van de Verlichting, m.n. volkssoevereiniteit en natuurrechten.
1.1 Een Nieuwe Grondwet
Oorlog gewonnen; ontwerp grondwet voor nieuwe staat in 1787.
Elke kolonie werd een staat; samen vormden ze de Verenigde Staten (VS). De belangrijkste bepalingen in de grondwet:
Unie wordt een federale staat.
Trias politica (scheiding der machten).
Garandeert gelijke rechten voor burgers.
1.1 De Verenigde Staten 1783-1865
Inwoneraantal steeg van 3 miljoen naar 35 miljoen.
13 staten langs de oostkust; uiteindelijk 37 staten en territoria.
Groot deel van Amerika nog onbekend, bevolkt door indianen.
De unie breidde landinwaarts uit naar het westen; opschuiven van de ‘frontier’ als Godgegeven opdracht (manifest destiny).
1.1 Verschil Tussen Noord en Zuid VS
Geografisch: Kustlijn in twee gedeeld door praktische overwegingen.
Economisch: Zuidelijke staten rijk door katoen, tabak, rijst, en indigo. Noordelijke staten minder vruchtbaar, richtten zich op industrie.
Religie: Vrijzinnige kolonisten in het zuiden, puriteinen in het noorden.
Slavernij: Ongelijke spreiding door economische verschillen; slaven voornamelijk op plantages in het zuiden.
1.1 Eindresultaat Burgeroorlog
Zuiden zag het als een onafhankelijkheidsstrijd, noorden als opstand.
Uiteindelijke overgave van het zuiden in 1865; slavernij wordt met amendement op de grondwet afgeschaft in de VS.
Het Bestuur van Britse-Indië
1.2 Bestuur van Britse-Indië
Door groei Britse invloed kwam men in contact met Indiase cultuur.
Britten zetten zich af tegen plaatselijke rituelen; beschouwden Britse normen en waarden als beschaafder.
Bestuur over miljoenen Indiërs gebeurde door een kleine groep Britten; weinig migratie vanuit Groot-Brittannië naar India.
1.2 Royal Navy
Royal Navy is de militaire vloot van het VK, met sterke investeringen vanuit de middeleeuwen; de sterkste vloot van Europa/wereld.
Bescherming van Britse handel op wereldzeeën en creëren van het Britse rijk dankzij kracht van de vloot.
1.2 Opstanden
Incidentele opstanden werden snel neergeslagen; in 1857 kwam een deel van de Indiase soldaten in opstand (Indian Rebellion).
Indian Army bestond tot 1857 uit ongeveer 300.000 Indiërs tegenover 40.000 Europeanen, bekend als sepoys.
1.2 Gevolgen van de Opstand
Opstand werd onderdrukt; aanpassing van Brits beleid:
Britse regering neemt gezag over van East India Company; koningin Victoria wordt keizerin van India.
Religies, gewoonten en gebruiken moeten gerespecteerd worden; verwestering moet geleidelijk.
Brits-indisch leger werd georganiseerd; regionale leger eenheden met Indische militairen, Britse officieren.
Meer overleg met Indiase overheid; Britse controle door combinatie van direct bestuur, samenwerking met lokale machthebbers, en militaire controle.
Infrastructuuruitbreiding door aanleg van spoorwegen, wegen, en kanalen.
1.2 De Waarde van de Kolonie India
Politiek: Wereldheerschappij en aanzien in Europa.
Militair: Constant volwaardige inzet van het Britse leger en de Royal Navy.
Economisch: Plantages in India voor handelsgewassen, vooral katoen en als afnemer van Britse producten.
1.2 Gevolgen van de Britse Overheersing voor de Bevolking van India
Import van Britse producten leidde tot concurrentie voor Indiase huisnijverheid; belastingpolitiek veroorzaakte verdeeldheid en armoede.
Bewoners ondergingen veranderingen in taal, rechts- en onderwijssysteem vanuit een gevoel van superioriteit.
1.2 Indian National Congress (1885)
Hoogopgeleide Indiërs richtten in 1885 de Indian National Congress op; afgevaardigden van diverse religieuze achtergronden om toekomstwensen te bespreken.
Jaarlijkse bijeenkomsten in december; eerste bijeenkomst georganiseerd met instemming van de Britten in Bombay.
Werkplaats van de Wereld (1750-1900)
1.3 Leidende Vraag: Rol van de Koloniën in Sociaaleconomische Ontwikkelingen in Groot-Brittannië (1750-1900)
1.3 Economie en Samenleving
Economische welvaart zorgde voor investeringen en technische ontwikkeling: betere ziektebestrijding, verbeterde landbouw, voedseloverschotten, minder vraag naar werkkracht in de landbouw.
1.3 Industriële Revolutie
Ingrijpende verandering in productiemethoden: handarbeid vervangen door machines.
Voorbeeld van machines: Spinning Jenny, die in 1784 met stoomkracht werd aangedreven.
1.3 Gevolgen van de Industriële Revolutie (Binnenland)
Transportrevolutie bevoordeelt verdere industrialisatie.
Ontstaan industriële samenleving;
Groei van steden door urbanisatie;
Toename katoenproductie leidend tot meer winst voor ondernemers en industriële kapitalisme.
1.3 Industrieel Kapitalisme
Kapitalisme: Investeren en groeien; investeringen van winsten in uitbreiding van industrie.
Opkomst van een klasse van industriële kapitalisten die invloed op samenleving en politiek hadden.
Streven naar een liberale markteconomie met minimale overheidsbemoeienis.
1.3 Reform Bill (1832)
Aanpassing van kiesdistricten in Britse districtenstelsel voor zetelverdeling parlement.
Uitbreiding kiesrecht; aantal kiezers steeg slechts met 5% tot 7%.
1.3 Arbeiders
Urbanisatie leidde tot opkomst van een nieuwe sociale klasse van arbeiders.
Slechte leef- en werkomstandigheden leiden tot sociale kwestie.
1.3 Robert Owen
Invloed van ondernemers zoals Robert Owen leidt tot overheidsbemoeienis met leven en werken van arbeiders.
1.3 Factory Acts (1833)
Fabriekswetten stelden richtlijnen voor werktijden, kinderarbeid, en veiligheid vast.
Controle door arbeidsinspectie; geringe effectiviteit echter, ondernemers waren ontevreden.
1.3 Nederlands Voorbeeld: Johannes van den Bosch
Richtte 'koloniën van weldadigheid' op om kansarmen een kans tot ontwikkeling te bieden.
1.3 Industrie en Imperialisme
Groot-Brittannië werd economische en politieke grootmacht door verspreiding van de industriële revolutie.
Londen bleef het centrum van wereldfinanciën.
1.3 Wereldtentoonstelling 1851
Groot-Brittannië toont successen op technische en culturele gebied tijdens de wereldtentoonstelling, georganiseerd door prins Albert, de echtgenoot van koningin Victoria.
tijdvak 7 tijd van pruiken en revoluties 1700-1800
Verlichting -> nieuwe manier van denken -> mensen gaan wetenschappelijk kijken naar niet wetenschappelijke terreinen
(politie/religie/tradities)
verlichte denkers/filosofen
->Voltaire -> vrijheid van religie
-> Locke -> “sociaal contract” democratie
-> Rousseau -> “sociaal contract” Algemene wil = directe democratie
->Montesquieu -> trias politica = scheiding der machten
Algemene kenmerken van verlichting
Vrijheid (vrijheid van meningsuiting/ religie/ drukpers…)
Gelijkheid ( geen standen maatschappij meer, posities op basis van competentie)
Democratie -> inspraak van het volk
Grondrechten
2 Ancien regime
->Absolute vorst
-> stonden samenleving
Verlicht absolutisme
-> een absolute vorst
-probeert ‘goed’ te doen voor het volk en vorst een aantal verlichte ideeën in
-> beter gezondheidszorg
-> meer vrijheden toestaan
-> GEEN inspraak
3 Democratische revoluties
-Amerikaanse revolutie -> HC Britse rijk
-Franse revolutie
-Bataafse revolutie (Nederland)
-> eis om meer inspraak
-> revoluties zorgen voor verwijdering bestuurder
-> Beide revoluties komen tot een einde met Napoleon
4 Abolitionisme
->Verbranding van plantages in de koloniën -> HC Britse Rijk
-> Trans-Atlantische slavenhandel -> HC Britse Rijk
-> Afschaffing slavernij -> HC Britse Rijk
Tijdvak 8: tijd van Burgers en stoommachines 1800-1900
1 Industriële revolutie -> HC Britse Rijk
-> overgang van handkracht / handwerk naar machinaal kracht/werk
Ontstaat:
-> agrarische revolutie
-> bevolkingsgroei
-> medische revolutie
bevolkingsgroei:
- meer behoeftes
-snellere productie nodig
-meer mensen beschikbaar om te werken -> ‘specialiseren’ -> arbeiders
-> transportrevolutie
zorgt voor een industriële samenleving
2 ontstaan politiek-maatschappelijke stromingen
-Liberalisme -> vrijheid
-Nationalisme -> Natie
-Conservatisme -> bij het oude behouden
-Socialisme -> gelijkheid
-> Communisme -> (revolutie)
-> Sociaal- democratie (reformisme) -> (sociale wetgeving)
3 Democratisering -> HC Britse rijk -> reform bill 1832
-> beschrijving hoe in de 19e eeuw steeds meer Europese landen een democratie werden
-> steeds meer mensen krijgen stemrecht en gaan zo deelnemen aan het politieke partij
Voorbeeld Nederland
-> 1815 Nederland bestuurd door koning Willem I
er is wel een parlement (volksvertegenwoordiging)
Maar deze heeft weinig macht en is geen afspiegeling van de Nederlandse maatschappij/ bevolking
1848 Nieuwe grondwet
-> censuskiesrecht (=alleen welgestelde mogen stemmen)
-> meer bevoegdheden voor parlement
-> maken van wetten
-> controleren ministers
1917: algemeen mannenkiesrecht
1919: algemeen kiesrecht
4 Emancipatiebewegingen
emancipatie= strijden voor gelijkberechtiging
Feminisme -> Vrouwen
Confessionalisme -> Christenen (katholiek en protestant)
Socialisme -> Arbeiders
gevolg: In Nederland -> verzuiling
5 Sociale kwestie -> HC Britse rijk -> factory acts 1833
-> discussie over de slechte leef- en werkomstandigheden van de arbeiders (als gevolg van de industriële revolutie)
6 Modern imperialisme -> HC Britse rijk
-> Europese landen leggen koloniën aan / of breiden koloniën uit vanwege
-economie / industrie: kolonie gebruiken voor grondstoffen en als afzetmarkt
-politiek van wereldrijk/imperium voor aanzien/macht
HC Britse rijk +tijdvak 7&8 toets sc:
1.1
Waarom wil Engeland koloniën hebben in Amerika?
Hoe komen ze daaraan en hoe verliezen ze die?
Hoe verliep de kolonisatie van Amerika, waarom willen ze die?
Verschil vestigingskolonien/plantagekolonien?
Pilgrim fathers (1620)
Welke gevolgen heeft het inheemse volk van de Britten?
Hoe verloopt transatlantisch slavenhandel?
Waarom wil Amerika onafhankelijk worden?
Hoe verloopt de onafhankelijksstrijd?
Hoe wordt amerika bestuurd na de onafhankelijkheid
Waarom ontstaat er een burgeroorlog?
Hoe eindigt de burgeroorlog?
Hoe wordt slavernij afgeschaft in Amerika?
1,2
Waarom willen de Britten in India zijn?
Wat is het East India Company?
wat is het verdrag van Allahabad?
Hoe wordt Brits Indië bestuurd?
Wat is de soepoi opstand?
Hoe eindigt de soepoi opstand?
Hoe zit het bestuur in Brits indië er uit na de sepoy opstand?
Wat is het Indian National Congress? (1885)
Wat zijn de economische gevolgen van de komst van de britten
1,3
wat is de industriële revolutie en wat zijn de oorzaken?
Welke rol spelen de koloniën in de industriële revolutie?
Welke politieke verandering vindt plaats in Groot-Brittannië
Wat zijn de factory acts?
Waarom wordt Engeland economisch gezien de centrum van de wereld
Wat is de wereld tentoonstelling en welke doel heeft deze? (1851)
Geschiedenis: Kernpunten & Ezelsbruggetjes
Historische Contexten
De geschiedenis examens richten zich op drie hoofdcontexten (Rood is verplicht, Blauw is handig):
Britse Rijk (1585-1900): Focus op de ontwikkeling van de Engelse koloniën in Amerika, van stichting tot onafhankelijkheid en de afschaffing van slavernij, en het bestuur over Brits-Indië.
Duitsland in Europa (1918-1991): Samen met tijdvakken 9 en 10.
Nederland (1948-2008): Samen met tijdvakken 5 t/m 10.
Het Britse Rijk (1585-1900)
Kolonisatie van Amerika: Begon met Sir Walter Raleigh (Roanoke, 1585), succesvol voortgezet door John Smith (Jamestown, 1607) en de Pilgrim Fathers (New England, 1620).
Twee typen Koloniën: Virginia (Zuid) gericht op plantation-economie (tabak, katoen) en economisch gewin; New England (Noord) als vestigingskoloniën met religieuze motieven.
Gevolgen voor oorspronkelijke bevolking: Decimering door ziektes (Columbian Exchange).
Trans-Atlantische Driehoekshandel & Slavernij: Grootschalige vraag naar goedkope arbeidskracht voor plantages leidde tot de inzet van Afrikaanse slaven via de Middle Passage (Afrika naar Amerika). De Royal African Company had lang het monopolie.
Ezelsbruggetje voor redenen aanschaf Afrikaanse slaven: I-L-O-H
Immuun voor Europese ziektes.
Landbouwervaring.
Onbekend met taal/cultuur (moeilijk ontsnappen).
Huidskleur (makkelijk herkenbaar bij ontsnapping).
Amerikaanse Onafhankelijkheid (1775-1783): Gevoel van afstand, hoge belastingdruk (bijv. Boston Tea Party), geen vertegenwoordiging in Brits Parlement, en Verlichtingsideeën (trias politica, volkssoevereiniteit, natuurlijke grondrechten) leidden tot onafhankelijkheid.
Ezelsbruggetje voor oorzaken onafhankelijkheidsstrijd: BVG
Belastingdruk/Bemoiezucht.
Verlichting (ideeën).
Geen inspraak.
Verenigde Staten (1783-1865): Uitbreiding naar het westen ('manifest destiny'). Grote verschillen tussen Noord (industrieel) en Zuid (plantages, slavernij) leidden tot de Burgeroorlog (1861-1865), die eindigde met de afschaffing van slavernij.
Het Bestuur van Brits-Indië
Brits Bestuur: Grote invloed door kleine groep Britten. Royal Navy cruciaal voor bescherming handel.
Sepoy Opstand (1857): Opstand van Indiase soldaten (sepoys) leidde tot aanpassing Brits beleid:
Britse regering nam gezag over van East India Company (Koningin Victoria werd keizerin van India).
Respect voor religies en gebruiken.
Herorganisatie van het Brits-Indische leger.
Meer overleg met Indiase overheid en infrastructuur uitbreiding.
Waarde van India: Politiek (aanzien), Militair (inzet leger/marine), Economisch (grondstoffen, afzetmarkt).
Gevolgen voor Indiase bevolking: Concurrentie voor huisnijverheid, armoede, culturele veranderingen, maar ook oprichting van het Indian National Congress (1885) door hoogopgeleide Indiërs.
Werkplaats van de Wereld (1750-1900): Industriële Revolutie
Oorzaken: Economische welvaart, technische ontwikkeling, verbeterde landbouw, voedseloverschotten en bevolkingsgroei.
Industriële Revolutie: Overgang van handarbeid naar machines (bijv. Spinning Jenny).
Gevolgen (Binnenland): Transportrevolutie, ontstaan industriële samenleving, urbanisatie, industriële kapitalisme (winstinvesteringen, liberale markteconomie).
Sociale Kwestie: Slechte leef- en werkomstandigheden voor arbeiders. Ondernemers zoals Robert Owen en wetten zoals de Factory Acts (1833) probeerden dit te verbeteren.
Groot-Brittannië als Grootmacht: Economisch en politiek centrum van de wereld, getoond op de Wereldtentoonstelling (1851).
Tijdvak 7: Tijd van Pruiken en Revoluties (1700-1800)
Verlichting: Nieuwe manier van denken, wetenschappelijke benadering op maatschappelijke terreinen (politiek, religie). Belangrijke denkers:
Voltaire (vrijheid van religie)
Locke (sociaal contract, democratie)
Rousseau (algemene wil, directe democratie)
Montesquieu (trias politica, scheiding der machten)
Ezelsbruggetje Verlichte denkers: VL-RM (spreek uit als 'Vel-Rem', van 'een vel papier met een rem erop', want verlichte denkers zetten een rem op oude ideeën)
Algemene kenmerken Verlichting: Vrijheid, Gelijkheid, Democratie, Grondrechten.
Ancien Régime vs. Verlicht Absolutisme: Absolute vorsten vs. vorsten die 'goed' proberen te doen voor het volk met verlichte ideeën, maar zonder inspraak (bijv. betere gezondheidszorg, meer vrijheden).
Democratische Revoluties: Amerikaanse, Franse, Bataafse revoluties, gedreven door eis om meer inspraak. Eindigden vaak met Napoleon.
Abolitionisme: Beweging voor afschaffing slavernij. Verbranding van plantages en Trans-Atlantische slavenhandel speelden hierin een rol.
Tijdvak 8: Tijd van Burgers en Stoommachines (1800-1900)
Industriële Revolutie: Overgang van handkracht naar machinale kracht.
Oorzaken: Agrarische revolutie, bevolkingsgroei (meer behoeftes, snellere productie, arbeidersaanbod), medische revolutie.
Gevolg: Transportrevolutie en een industriële samenleving.
Politiek-maatschappelijke stromingen: Ontstaan van:
Liberalisme (vrijheid)
Nationalisme (natie)
Conservatisme (behoud van het oude)
Socialisme (gelijkheid), met als sub-stromen Communisme (revolutie) en Sociaal-democratie (reformisme).
Ezelsbruggetje politieke stromingen: LNCS ('Links Naar Rechts Samen', symboliseert de verschillende politieke richtingen).
Democratisering: Steeds meer Europese landen werden democratieën, meer mensen kregen stemrecht (bijv. Reform Bill 1832 in VK, censuskiesrecht 1848 en algemeen kiesrecht 1919 in Nederland).
Emancipatiebewegingen: Strijden voor gelijkberechtiging.
Feminisme (vrouwen)
Confessionalisme (christenen)
Socialisme (arbeiders)
Gevolg in Nederland: Verzuiling.
Sociale Kwestie: Discussie over slechte leef- en werkomstandigheden van arbeiders door de Industriële Revolutie.
Modern Imperialisme: Europese landen leggen koloniën aan of breiden ze uit om economische (grondstoffen, afzetmarkt) en polit