Stofwisseling van de Cel
11.3. Anabolisme
- Anabolisme is de synthese van nieuwe eiwitten en nucleïnezuren, essentieel voor de aanwezigheid van enzymen en regulerende eiwitten.
- Benodigdheden voor anabole paden:
- Bouwstenen
- Energie (ATP)
- Reducerend vermogen
Bouwstenen
- Kunnen direct gerecycleerd worden uit reserves in de cel, of opnieuw aangemaakt worden.
- Gluconeogenese: Glucose kan opnieuw aangemaakt worden uit glucogene aminozuren, glycerol of lactaat.
- Glycogenolyse: Glucose kan opgehaald worden uit glycogeen (een glucosereserve opgeslagen in lever- en spiercellen).
- Aminozuursynthese: Sommige aminozuren kunnen zelf gesynthetiseerd worden uit andere aminozuren of intermediairen van de Krebscyclus. Essentiële aminozuren moeten uit de voeding gehaald worden.
- Vetzuursynthese: Vetzuren kunnen zelf aangemaakt worden uit acetylCoA.
- Vetzuren kunnen opgehaald worden uit vetreserves in vetweefsel. Triglyceriden worden eerst gesplitst in glycerol en vetzuren door een lipase.
Vorming van Macromoleculen
- Lever- en spiercellen kunnen een reservevoorraad glucose aanleggen door glucosemoleculen aan elkaar te koppelen (glycogeen). Dit proces heet glycogenese.
- Aminozuren worden aaneengeschakeld tot specifieke eiwitten ter hoogte van de ribosomen. De nucleïnezuursequentie van RNA bepaalt de aminozuurvolgorde in een eiwit (translatie).
- Vetzuren kunnen gekoppeld worden aan glycerol en opgeslagen worden als energiereserve in vetweefsel (adipocyten).
Energie voor Anabole Processen
- De cel haalt energie uit ATP. Bij de splitsing van ATP tot ADP en anorganisch fosfaat (Pi) komt 30 kJ/mol energie vrij.
Reducerend Vermogen
- Wordt geleverd door NADPH, dat ontstaat tijdens de pentosefosfaatweg (hexosemonofosfaatshunt).
11.4 Ribonucleotiden als Metabole Dragers
- Het katabolisme is gebaseerd op het omzetten van potentiële energie in voedingsstoffen naar biologisch bruikbare chemische energie in ATP (adenosinetrifosfaat).
- Voedingsstoffen worden gereduceerd, en de vrijgekomen energierijke elektronen worden tijdelijk gedragen door de ribonucleotiden NADH, NADPH, FADH2.
- Co-enzym A is een ribonucleotide dat optreedt als drager van acylgroepen, belangrijk bij de synthese van vetzuren.
Functies van Ribonucleotiden
- ATP: Energietransfer (Adenine-ribose-Pi-Pi-Pi)
- NADH: Elektronentransfer (Adenine-ribose-Pi-Pi-ribose-nicotinamide)
- FADH2: Elektronentransfer (Adenine-ribose-Pi-Pi-ribose-flavine)
- Acyl-CoA: Acyltransfer (Adenine-ribose-Pi-panthotheenzuur-acylgroep)
11.4.1 ATP
ATP is de universele drager van energie van alle cellen.
Een energierijke verbinding is een molecule waarin energie opgeslagen zit.
ATP (adenosinetrifosfaat) is een nucleotide met drie gefosforyleerde fosfaatgroepen (α, β en γ).
In fysiologische omstandigheden (pH = 7,4) zijn de fosfaatgroepen gedeprotoneerd en negatief geladen, wat leidt tot afstoting.
Het kost 30 kJ/mol om ATP te vormen.
Reactie en energie vrijstelling bij hydrolyse:
- ATP + H_2O \rightarrow ADP + Pi, \Delta G = -30 kJ/mol
- ADP + H_2O \rightarrow AMP + Pi, \Delta G = -27 kJ/mol \approx -30 kJ/mol
- AMP + H_2O \rightarrow adenosine + Pi, \Delta G = -9 kJ/mol
Hydrolyse van ATP naar AMP + PPi (pyrofosfaat) levert dezelfde energie als de hydrolyse van 2 mol ATP naar ADP, want PPi wordt verder gehydrolyseerd tot 2 fosfaatgroepen:
- ATP + H_2O \rightarrow AMP + PPi, \Delta G = -30 kJ/mol
- PPi + H_2O \rightarrow Pi + Pi, \Delta G = -27 kJ/mol
Het katabolisme is gericht op het synthetiseren van de juiste hoeveelheid ATP voor energievragende processen.
- Ongeveer 90% van alle ATP wordt geproduceerd via oxidatieve fosforylering in het binnenste mitochondriaal membraan.
- De resterende 10% wordt gevormd door substraatgebonden fosforylering, waarbij een fosfaatgroep van een andere molecule wordt overgedragen op ADP.
- Voorbeelden:
- Omzetting van fosfoenolpyruvaat in pyruvaat, waarbij de afgesplitste fosfaatgroep gekoppeld wordt aan een molecule ADP, met de vorming van ATP.
- Overdracht van een fosfaatgroep van creatinefosfaat op ADP, met de vorming van creatine resp. ATP.
- Voorbeelden:
Creatinefosfaat is een alternatieve energiedrager in skeletspieren, die zorgt voor snelle ATP-synthese tijdens spiercontractie en buffert de ATP-concentratie.
De dagelijkse stroom van ATP naar ADP en vice versa is aanzienlijk (100 mol ATP of 50kg zuivere stof per dag voor een volwassen man van 70kg).
De totale lichaamsvoorraad van ATP is slechts ong. 100g en wordt elke drie minuten volledig opgebruikt en weer heraangemaakt.
11.4.2 NADH, NADPH en FADH2
- Drie adeninenucleotiden (NAD+, NADP+ en FAD) staan centraal als elektronendragers.
- NAD+: nicotinamide adenine dinucleotide
- Tijdens de reductie van NAD+ treedt de nicotinamidering op als acceptor van twee elektronen en een proton.
- NAD+ is een elektronenacceptor in redoxreacties.
- Cofactoren zijn afgeleid van niacine (vitamine B3).
- FAD: flavineadenine dinucleotide
- FAD treedt op als acceptor van twee protonen en twee elektronen.
- Het reactieve deel van FAD is de isoalloxazine ring.
- FAD is elektronenacceptor in redoxreacties.
- Cofactoren zijn afgeleid van riboflavine (vitamine B2).
- De energierijke elektronenparen op NADH en FADH2 worden tijdens de oxidatieve fosforylering in de mitochondria afgegeven aan zuurstof, waarbij energie vrijkomt voor ATP-productie.
- De energierijke elektronen van NADPH dienen als reducerend vermogen tijdens de synthese van biomoleculen (anabolisme).
11.4.3 Co-enzym A
- Co-enzym A is een belangrijke drager van acylgroepen.
- Vitamine B5 (pathotheenzuur) is nodig voor de synthese ervan.
- Co-enzym A (HSCoA) treedt op als co-enzym bij acylgroeptransferreacties.
- Acetylco-enzym A (geactiveerd azijnzuur) ontstaat door verestering van de carboxylgroep met de thiolgroep van co-enzym A.
- Co-enzym A (HSCoA) komt veelvuldig voor in metabole reacties, o.a. in de Krebscyclus (acetylCoA, succinylCoA) en de vetzuursynthese (acylCoA).
11.5 Vitamines als Cofactoren in Enzymatische Reacties
11.5.1 TPP of thiaminepyrofosfaat
- Thiaminepyrofosfaat (TPP) wordt gevormd uit thiamine (vitamine B1) o.i.v. het enzym TPP synthetase.
- TPP is een coënzym bij verschillende enzymatische reacties in het metabolisme van koolhydraten (en in mindere mate ook aminozuren).
- Het katalyseert mede reacties waarbij een C-C-binding wordt verbroken en C wordt afgesplitst onder de vorm van CO_2.
- De thiazoolring is verantwoordelijk voor deze functie.
- TPP is een coënzym bij:
- De koolhydraatstofwisseling (glycolyse): pyruvaat dehydrogenase complex zet pyruvaat, door oxidatieve decarboxylering, omgezet in acetylCoA, dat vervolgens de Krebscyclus ingaat.
- De pentosefosfaatcyclus: het transketolase enzym
- Alfa-ketoglutaraat dehydrogenase complex: een enzym dat de oxidatieve decarboxylering katalyseert van alfa-ketozuren tot intermediairen van de Krebscyclus.
11.5.2 PLP of pyridoxalfosfaat
- Pyridoxol wordt omgezet tot pyridoxal en tot pyridoxalfosfaat dat optreedt als coënzym bij de transaminasen en decarboxylasen.
- Het is afgeleid van pyridoxine of vitamine B6.
- PLP fungeert als belangrijke cofactor bij:
- Het aminozuurmetabolisme: aminotransferase en serine dehydratase
- De heemsynthese
- Synthese van fysiologisch belangrijke producten als serotonine, noradrenaline, histamine
- De koolhydraatstofwisseling: het glycogeenfosforylase.
11.5.3 Biotine
- Biotine treedt op als cofactor in een aantal carboxylatiereacties.
- Biotine wordt hierbij covalent gebonden aan het aminozuur lysine.
- Op biotine wordt CO_2 gebonden.
- Daarna wordt, in de eigenlijke carboxylatiereactie, de CO_2 overgedragen op het substraat.
- Dit mechanisme is van zeer groot belang in biochemische processen zoals de vetzuursynthese en gluconeogenese (suikerstofwisseling).
- Biotine is vitamine B7.
11.5.4 THF of tetrahydrofolaat
- In het lichaam wordt foliumzuur (vitamine B9) gereduceerd tot tetrahydrofoliumzuur (THF of FH4).
- THF is een co-enzym bij de overdracht van C1-fragmenten o.a. bij de synthese van purines en thymine en bij de synthese van een aantal aminozuren (methionine, glycine, serine) en choline.
11.5.5 Cobalamine
- Het adenosylcobalamine is een coënzym in het aminozuurmetabolisme, voor reacties als transmethylering, splitsing van C-C, C-O of C-N-bindingen.
- Vitamine B12 speelt o.m. ook een rol in de synthese van nucleïnezuren en dus onrechtstreeks in de vorming van rode bloedcellen.
- Daar is het belangrijk bij de demethylering van 5-methyltetrahydrofolaat (zie bij foliumzuur).
- Een tekort zal dan o.m. aanleiding geven tot anemiën maar ook tot permanente neurologische beschadiging.
- Een vlugge erkenning van vitamine B12 tekort is belangrijk.
- De vitamines B2, B6, B9 en B12 zijn allen belangrijke spelers in het zogeheten “1C- metabolisme” in het lichaam.
11.6 Liponzuur
- Liponzuur, ook wel alfa-liponzuur genoemd, is een zwavelhoudende verbinding die door het lichaam wordt gemaakt startend van caprylzuur (C8:0).
- Liponzuur komt zelden zo voor in het lichaam maar is meestal gekoppeld aan een eiwit.
- Die eiwitten zijn dan meestal enzymen, en liponzuur werkt als daarbij als cofactor (“hulpje”).
- Er bestaan twee enantiomeren, maar enkel het R-enantiomeer komt in de natuur voor en is de actief in het lichaam.
- Liponzuur beschermd tegen (schade door) veroudering.
- Daarnaast wordt van liponzuur beweerd dat het de insulinegevoeligheid verhoogt, en zou het dus beschermend kunnen werken bij beginnende type 2 diabetes.
- In Duitsland is liponzuur sedert 1966 op de markt als geneesmiddel tegen diabetische neuropathie: moeilijk te behandelen zenuwpijnen die ontstaan door (langdurige) malregulatie van de glycemie.