Gesciedenis
Historisch referentiekader
Wat is het historisch referentiekader = de basis van elk historisch onderzoek
Voor wat zorgt het historisch referentiekader = Het zorgt dat je een gebeurtenis niet gewoon los ziet, maar begrijpt wanneer, waar, en in welke context ze gebeurde
In welke drie feiten moet je in het historisch referentiekader plaatsen = Tijd, Ruimte en Maatschappelijke domeinen
Tijd
Bij de tijd gebruiken we een westerse indeling van de periodes.
We verdelen de geschiedenis in periodes zo dat het makkelijk is om te spreken over evoluties doorheen de tijd
WESTERSE PERIODISERING (HET COURANTE WESTERSE HISTORISCHE REFERENTIEKADER)
Prehistorie (… - 3500 v.C) = Geen schrift, jagers en verzamelaars
Oude Nabije Oosten (3500 v.C - 800 v.C) = Eerste schrift, landbouw, steden
Klassieke Oudheid (800 v.C - 476) = Griekse en Romeinse cultuur
Middeleeuwen (476 - 1492) = Feodalisme, Christendom, beperkte handel
Vroeg Moderne Tijd (1492 - 1789) = Ontdekkingsreizen, humanisme, Reformatie, absolute vorsten (machten)
Moderne Tijd (1789 - 1945) = Industriële revolutie, Franse Revolutie, modern imperialisme, wereldoorlogen
Hedendaagse Tijd (1945 - nu) = Koude Oorlog, globalisering, digitalisering, EU, klimaatcrisis
Tijdrekening = Manier om tijd te tellen zoals christelijke tijdrekening vanaf geboorte van Christus (vb. Het jaar 1517 lift in de 16e eeuw)
Chronologie = Volgorde van gebeurtenissen in de tijd (vb. Reformatie vóór Franse Revolutie)
Continuïteit = Iets blijft grotendeels hetzelfde (vb. Veel machtsstructuren bleven bestaan na WOII)
Verandering = Iets verandert in de tijd (vb. De Reformatie bracht grote religieuze verandering)
Breuk = Een duidelijke omslag (vb. Franse Revolutie als breuk met het ancien régime)
Ancien régime = Het oude, oneerlijke systeem van macht en samenleving waarin de koning, adel en kerk de baas waren
Verschil tussen ancien régime en absolutisme = Absoluut macht gaat over wie de macht heeft en Ancien régime over hoe de hele samenleving in elkaar zat vóór de Franse Revolutie
Evolutie = Geleidelijke verandering of iets dat langzaam verandert over tijd (vb. Industriële Revolutie als lange evolutie in technologie)
Revolutie = Snelle, ingrijpende verandering (De Franse Revolutie of Russische Revolutie)
Gelijktijdigheid = Gebeurtenissen die zich tegelijk afspelen (Luther stelt zijn stellingen op terwijl de ontdekkingsreizen plaatsvinden)
Ongelijktijdigheid = Gebeurtenissen spelen zich niet tegelijk afspelen (In Europa is het de moderne tijd, elders nog tribale samenlevingen)
Prehistorie (8100 v.C - ca. 3500 v.C) Verklaring einde - Ontwikkeling schrift
Oude Nabije Oosten ( ca. 3500 v.C - ca. 800 v.C) Verklaring einde - stichting van rome
Klassieke Oudheid (ca 800 v.C - 476) Verklaring einde - Val van het WRR (west-romeinse rijk)
Middeleeuwen (476 - 1453 en 1492) Verklaring einde - Val van het Oost Romeinse Rijk en (her)ontdekking van Amerika door Columbus
Nieuwe tijd of vroegmoderne tijd (1453 en 1492 - 1789) Verklaring einde - Franse Revolutie
Nieuwste tijd of Moderne tijd (1789 - 1945) Verklaring einde = Einde WOII
Eigen tijd of Hedendaagste tijd (1945 - …)
Scharnierpunt
Scharnierpunt = een keerpunt in de geschiedenis dat een blijvende invloed had op de wereld
Scharnierpunten in moderne en hedendaagse tijd:
1453: val van Constantinopel → einde van Middeleeuwen, start ontdekkingsreizen.
1789: Franse Revolutie → einde van absolute macht, begin van burgermaatschappij.
1750: Industriële Revolutie → machines, fabrieken, groei van steden.
1914 & 1939: Wereldoorlogen → politieke herschikking van de wereld.
1989: val van de Berlijnse Muur → einde Koude Oorlog, globalisering.
Scharniermomenten markeren overgangen tussen periodes, maar de veranderingen gebeuren meestal geleidelijk
De val van de Berlijnse muur is een symbool van verandering, namelijk het einde van de Koude Oorlog en het
begin van de hereniging van Duitsland en Europa. Het wijst op een breuk met de naoorlogse verdeeldheid in
Oost- en West-Europa.
Ruimte
De geschiedenis speelt zich af op verschillende schalen:
Lokaal: je eigen stad of streek.
Nationaal: binnen één land.
Continentaal: binnen een werelddeel (zoals Europa).
Mondiaal: wereldwijd of op wereldschaal, vooral sinds de ontdekkingsreizen. (vb. wereldhandel, imperialisme, WOI en WOII)
In de moderne tijd breidt het Westerse wereldbeeld zich uit:
Europa ontwikkelt zich economisch en technologisch snel.
Door kolonisatie (16e–19e eeuw) beïnvloedt Europa andere continenten.
Niet-westerse samenlevingen (zoals Afrika en Azië) worden vaak bekeken vanuit Europees perspectief — dat heet eurocentrisme.
Voorbeeld:
De Belgische kolonisatie van Congo (1885–1960) is niet enkel een Belgisch verhaal, maar deel van het wereldwijde imperialisme.
(West-)Europees = gebeurtenissen of gebieden in West- Europa (vb. Reformatie in Duitsland, industrialisatie in Engeland)
Westers = Gebaseerd op Europeses waarden (liberalisme, democratie, kapitalisme) (vb. Verenigde Staten, Europa)
Niet-westers = Gebieden buiten het westerse invloedssfeer (vb. Kolonies in Afrika, Azië)
Stedelijk = Gebonden aan de stad (vb. opkomst fabriekssteden in de 19e eeuw)
Ruraal = Gebonden aan het platteland (vb. Landbouwsammenlevingen)
Maritiem = Gebonden aan zee of scheepvaart (vb. Groot-Brittanië als zeemogendheid)
IMPERIALISTISCHE AMBITIES VAN WILHELM II (KEIZER VAN DUITSLAND)
Gebeurtenis: Duitsland onder Wilhelm II (1888–1918) streefde naar “een plaats in de zon” : koloniale expansie.
Gebieden:
• Afrika: Duitse koloniën in Namibië, Tanzania, Kameroen, Togo
• Oceanië: delen van Nieuw-Guinea
• China: Pachtgebied in Qingdao (Tsingtao)
Beoordeling:
• Niet enkel Europees, maar duidelijk mondiaal → Wilhelm II wilde een wereldwijd rijk, zoals het Britse
en Franse rijk.
• Rijk strekte zich uit over meerdere continenten = mondiaal imperialisme
• Gebeurtenissen in niet-westerse gebieden (Afrika, Azië)
Maatschappelijke Domeinen
Elke samenleving kan je analyseren via vier domeinen.
Ze hangen altijd samen — verandering in één domein beïnvloedt de andere.
Politiek = Alles wat te maken heeft met macht, bestuur, wetten, oorlog en afspraken tussen mensen of landen (Vb. Democratie, oorlog, wetten, koning, parlement)
Sociaal = Alles wat te maken heeft met de relaties tussen mensen, sociale groepen, rollenpatronen (VB. Adel, boeren, arbeiders, vrouwenrechten)
Economisch = Alles wat te maken heeft met produceren, verdelen, verhandelen en gebruiken van goederen (Vb. Landbouw , handel, industrie, geld, arbeid)
Cultureel = Alles wat te maken heeft met denken en creëren (vb. Religie, wetenschap, kunst, onderwijs, taal)
VOORBEELD: SITUEREN VAN DE GOTIEK
Historisch kenmerk: Gotiek is een bouwstijl in Europa tussen ca. 1150 en 1500.
Maatschappelijk domein:
• Cultureel domein – het gaat over kunst en religieuze architectuur (kathedralen zoals de Notre-Dame).
• Vaak ook een religieus aspect (de meeste gotische gebouwen zijn kerken of kathedralen).
SITUEREN IN TIJD, RUIMTE EN MAATSCHAPPELIJKE DOMEINEN
VOORBEELD: FRANSE REVOLUTIE (1789)
• Tijd: Eind 18e eeuw – start moderne tijd
• Ruimte: Frankrijk, verspreiding in Europa
• Domeinen:
o Politiek: Einde absolute monarchie, invoering republiek
o Sociaal: Afschaffing standenmaatschappij
o Cultureel: Ideeën van Verlichting → mensenrechten
o Economisch: Hervormingen in belastingen en eigendom
VOORBEELD: EINDE VAN DE TWEEDE WERELDOORLOG (1945)
• Tijd: 20e eeuw – overgang naar hedendaagse tijd
• Ruimte: Mondiaal – Europa, Azië, VS
• Domeinen:
o Politiek: Start Koude Oorlog, opdeling wereld in machtsblokken
o Sociaal: Vluchtelingenstromen, verwerking van trauma’s
o Cultureel: Naoorlogse herinneringscultuur, vernieuwing in kunst en filosofie
o Economisch: Heropbouw (Marshallplan), groei van consumptiemaatschappij
Beide gebeurtenissen zijn breuklijnen: ze luiden veranderingen in, in meerdere domeinen en op meerdere
plaatsen.
PRINCIPES VAN PERIODISERING
Afbakening op basis van selectie van kenmerken
→ Bv. middeleeuwen = landbouw, feodaliteit, christelijke cultuur
Symbolische begin- en einddatum
→ 1492 (ontdekking Amerika) = symbolisch begin nieuwe tijd
Constructie achteraf
→ Geschiedkundigen kijken achteraf en bepalen breuklijnen
Beperkingen van periodisering
Constructie = Er is geen "echte" grens tussen periodes – evoluties lopen door
Etnocentrisch = Westerse gebeurtenissen krijgen onevenredig veel belang. Vb ontdekking van Amerika (1492): belangrijk in Europa, maar voor inheemse volkeren was dit geen ontdekking, maar uitmoording.
Ruimtelijk beperkt = Focus ligt vooral op Europa, niet op Afrika, Azië of Amerika.
Gebrek aan meerdere perspectieven = Niet alle groepen of regio’s herkennen zich in deze opdeling
Morele maatstaf= Impliceert soms dat vooruitgang "westers" is of superieur. Andere culturen lijken ‘achtergebleven’.
VOORBEELD: PERIODISERING IN CHINA
Kenmerkselectie = Op basis van dynastieën (Han, Tang, Song, Yuan, Ming, Qing)
Symbolische data = Keizerlijke machtswissels als begin/einde
Constructie achteraf = Historici delen het verleden op in dynastieën
Regionaal aangepast = Gebeurtenissen belangrijk voor China (niet voor Europa)
Voorbeeldverschil: Terwijl Europa in de middeleeuwen zat, kende China een culturele en technologische
bloeiperiode (Tang- en Songdynastieën).
VOORBEELD: CONGRES VAN WENEN (1815) ALS SCHARNIERPUNT= EUROCENTRISCH
• In de westerse canon is het Congres van Wenen belangrijk als hertekening van Europa na Napoleon.
• In niet-Europese contexten (bv. Azië, Afrika, Amerika) is dit niet per se een betekenisvol breukpunt.
• Argumentatie:
o Het belang van 1815 is regionaal (Europees machtsevenwicht),
o niet mondiaal: veel wereldregio’s bleven onaangeraakt.
o Het toont dus een eurocentrische blik: Europese macht wordt als maatstaf gebruikt.
Interculturele contacten = Contacten tussen verschillende culturen, mensen met een andere taal, religie, gewoonten of manier van leven die met elkaar in contact komen