Biologie H4.1 - Bescherming begrippen
Inwendig en uitwendig milieu
Alle dieren hebben fysieke aanpassingen om te voorkomen dat virussen, parasieten en micro-organismen het inwendige milieu binnendringen.
Wat is een infectie?
Infectie = ziekteverwekkers dringen het lichaam binnen en vermenigvuldigen zich
Hoe ontstaat er een infectie/ word je ziek?
Je lichaam kan ziek worden doordat ziekteverwekkers of pathogenen uit de omgeving je inwendige milieu binnendringen. Hierdoor wordt het aangeboren afweersysteem actief.
Wat voor afweersysteem hebben gewervelde dieren?
Gewervelde dieren hebben een verworven afweersysteem dat specifieke ziekteverwekkers herkent en onschadelijk maakt.
Ziekteverwekkers of pathogenen = organisme of virus waar je ziek van kan worden
- Kleine ziekteverwekkers of pathogenen: bacteriën en virussen
- Grote ziekteverwekkers of pathogenen: schimmels en dieren als insecten en wormen
Wat zijn het inwendig en uitwendig milieu?
Inwendig milieu = bloed, lymfe, weefselvloeistof, cytoplasma in de cellen
- Kan alleen bereikt worden door een celmembraan te passeren
Uitwending milieu = omgeving dat zich buiten het lichaam bevindt, maag-damkanaal
Uitwendig en inwendig milieu gescheiden door dekweefsel van de huid, longen en darmen
Roze = inwendig milieu
Lichaamsvreemde stoffen
Hoe kan je ziek worden?
Je kan ziek worden door organismen of stoffen die je inademt of inslikt of die via je huid je inwendige milieu binnendringen.
Infectie = binnendringen van ziekteverwekkers in je lichaam
Wat doet het afweersysteem/ immuunsysteem?
Het afweersysteem/ immuunsysteem beschermt tegen lichaamsvreemde stoffen, cellen en organismen die het lichaam binnenkomen.
Lichaamsvreemde en lichaamseigen stoffen/cellen
Lichaamsvreemd = stoffen of cellen die niet in het lichaam thuishoren
- Ziekteverwekkers zijn lichaamsvreemd en/of geven lichaamsvreemde stoffen af
Lichaamseigen = stoffen of cellen die door het eigen lichaam zijn gemaakt
Virussen
Virus = ziekteverwekker die bestaat uit DNA of RNA met daaromheen een eiwitmantel; hebben een gastheer nodig voor voortplanting
DNA-virus = virus bevat DNA
RNA-virus = virus bevat RNA
Waarom zijn virussen geen levende organismen?
Virussen hebben een gastheercel (andere levende cel van een organisme) nodig om zich te kunnen voortplanten
Hoe vindt de voortplanting van een virus plaats?
1. De eiwitmantel van het virus herkent geschikte gastheercellen en hecht aan receptoren op de gastheercel
2. Virussen dringen een cel binnen en het eiwitmantel wordt hierbij gescheiden van het DNA/RNA
3. Het erfelijk materiaal van het virus-DNA of virus-RNA komt in het cytoplasma van de gastheercel
4. In de gastheercel wordt het virus vermenigvuldigd
5. Het erfelijk materiaal van het virus geeft de gastheercel de opdracht om nieuwe virussen te maken
6. Het doodmaken van nieuwe virussen kan leiden tot dood van de gastheercel, ziekte of dood van het organisme waarvan de gastheercel onderdeel is
Waarom is het belangrijk dat virussen effectief kunnen worden bestreden door het afweersysteem?
Virussen kunnen uiteindelijk leiden tot dood van de gastheercel, ziekte of dood van het organisme waarvan de gastheercel onderdeel is door:
- Cellen doden of beschadigen door eiwit verterende enzymen af te geven
- Geïnfecteerde cellen toxine laten produceren, waardoor de cel beschadigd of doodgaat
De eerste verdedigingslinie
Een ziekteverwekker moet een celmembraan passeren om in het inwendige milieu te komen.
Eerste verdedigingslinie in de bescherming tegen gevaren van buitenaf = de huid, slijmvliezen, trilharen, talg, tranen, urine en maagsap.
Dit bestaat uit mechanische en chemische afweer:
- Mechanische afweer = fysieke aanpassingen om ziekteverwekkers of schadelijke stoffen tegen te houden (bijv huid, slijmvlies)
· De cellen van de huid en slijmvliezen liggen aaneengesloten. Door de aaneengesloten ligging kunnen ziekteverwekkers en schadelijke stoffen niet makkelijk het lichaam binnendringen
· Slijmvliezen produceren slijmen waaraan ziekteverwekkers blijven plakken en trilhaarcellen voeren het slijm af (bijv. in de luchtwegen, het verteringsstelsel, het uitscheidingsstelsel & het voortplantingsstelsel)
· Traanvocht en speeksel spoelen ziekteverwekkers weg
· Er leven veel goede bacteriën op de huid en in de darmen waardoor er geen plaats is voor pathogene (ziekteverwekkende) bacteriën
Binas 84J2
- Chemische afweer = het gebruik van stoffen om indringers buiten te houden
· Maagsap bevat zoutzuur (HCl) met een lage pH (pH = 2) veel ziekteverwekkers worden in de maag gedood
· Door zweet en talg heeft de huid een lage pH (pH = 3 tot 5) bacteriën en schimmels kunnen niet goed in de huid leven
De huid beschermt het lichaam ook tegen:
- Invloeden van buitenaf (beschadiging)
- Waterverlies door verdamping
- DNA-beschadiging door uv straling
In de kiemlaag liggen melanocyten (= pigmentvormende cellen).
Melanocyten vormen het pigment melanine (= pigment dat beschermt tegen schade door uv straling), dit geven ze via hun uitlopers af aan de opperhuidcellen. De vorming van melanine wordt gestimuleerd door blootstelling van de huid aan zonlicht.
Melanine beschermt de delende cellen in de kiemlaag tegen schadelijke invloed van uv straling.