Dekolonisatie, Congo, Koude Oorlog, Europese Eenmaking, België 1919-1945, Israël en de Palestijnen
Dekolonisatie, Congo, Koude Oorlog
1. Dekolonisatie
A. Inleiding
- Verschillende dekolonisatiegolven:
- Latijns-Amerika (16de-18de eeuw)
- Afrika, Azië, Oceanië (19de eeuw)
- Volledig Afrika, Azië, Oceanië (eind 19de-20ste eeuw)
- Kolonisator: West-Europa
- Redenen voor dekolonisatie:
- Cultuur: In de naam van god
- Economie: In de naam van geld
- Verschillende visies op kolonialisme door standplaatsgebondenheid
- Westerse visie/standpunt:
- Christelijke bekeringsijver
- Beschavingsmissie (White Men’s Burden)
- Superioriteitsgevoel (door technologische voorsprong van de Industriële Revolutie)
B. De toenemende roep om onafhankelijkheid
- WOI en WOII:
- Geen compensaties voor kolonies
- Europa verzwakt
- Rol van de VN:
- Veroordeelt kolonialisme
- Meer lidstaten (etnische kaart in meer deeltjes)
- Staatkundige kaart verandert
- Rol van de VS en Sovjet-Unie:
- Zelf kolonies geweest
- SU: Continentale kolonisatie
- Bandung Conferentie (1955):
- Afro-Aziatische conferentie in Bandung, Indonesië
- Verenigde vertegenwoordigers van 29 Afrikaanse en Aziatische landen
- Authenticatiecampagne:
- Benadrukken van Afrikaanse eigenheid
- Rol van het onderwijs:
- Westerse kennis en principes aangeleerd
- Besef dat de rollen niet eerlijk verdeeld zijn
- 1950s (Azië) en 1960s (Afrika): onafhankelijkheid
C. Dekolonisatie: een complex proces
- Vredevol dekolonisatieproces:
- Gandhi in India
- Zonder geweld minder geweld uitlokken
- Dekolonisatieproces met geweld:
- Meer geweld in Afrikaanse kolonies (bv. Congo met moord op Lumumba)
- Dekolonisatieproces beïnvloed door Koude Oorlog:
- Ex-kolonies gebruikt in de machtsstrijd tussen VS en SU
- Toegang tot grondstoffen
- Toegang tot belangrijke zeeroutes
- De balans van de dekolonisatie:
- Zwarten namen macht over maar niets veranderde = corruptie
- Armoede
- Schulden
- Hulp nodig (derdewereldlanden)
- Speelbal in de nood aan grondstoffen bij Europese landen (bv. Uranium – kobalt)
- Grotere kans op neokolonialisme (zoals de Chinezen nu in Afrika fel aanwezig zijn)
Neokolonialisme
- Moderne vorm van koloniale overheersing waarbij rijke landen ontwikkelingslanden beïnvloeden via economie, politiek en cultuur, zonder directe controle.
- Kenmerken:
- Economische afhankelijkheid
- Grondstoffenextractie
- Handelsongelijkheid
- Politieke beïnvloeding
- Culturele dominantie
- Voorbeelden:
- China in Afrika: investeringen in infrastructuurprojecten leiden tot schuldenlast en afhankelijkheid
- Françafrique: Frankrijk behoudt economische en militaire invloed
D. Dekolonisatie van de geest en openbare ruimte
- Een proces waarbij mensen zich bevrijden van de mentale en culturele erfenis van de koloniale overheersing
- Kolonialisme is niet alleen politieke overheersing en economische uitbuiting maar heeft ook culturele en psychologische effecten op de gekoloniseerde en koloniserende samenlevingen
- Wat doen met Leopoldstandbeelden:
- Duidingsborden bij monumenten
- Wegdoen
- Teruggeven koloniale roofkunst
- Tegenmonument
2. Congo: van kolonie naar onafhankelijke staat
A. Congo-Vrijstaat
- 1885: Congo-Vrijstaat → Leopold II
- 1908: Belgisch Congo → Belgische staat
- 1884-1885: Conferentie van Berlijn
- Congo centraal-Afrika te verdelen, o.a. Congo
- Vrijstaat Congo:
- Niet vrijstaat → onder controle van Leopold II
- 1885 privestaat
- Onbeperkte macht in eigen land te compenseren
B. Het Belgisch koloniaal beleid berust op 3 pijlers (Drie-eenheid)
- Private Belgische ondernemingen:
- Verantwoordelijk voor de ontginning en economische uitbouw
- Winsten ten koste van Congolese arbeiders
- Missionering, gezondheidszorg en onderwijs:
- Christelijk geloof vertellen
- Uitbouw van koloniale administratie, infrastructuur en veiligheid
C. Weinig realiteitszin
- Door:
- Gebrek aan hoger onderwijs
- Sterke segregatie
- Geen inspraak Congolezen
- Overheid: Belgen
- Dipenda (30/06/1960):
- DRC
- President: Kasavubu (C)
- 1ste minister: Lumumba (P)
D. 1965-1990: Mobutu
- Boudewijn:
- Positief beeld
- Beschaving, om economische relaties te blijven onderhouden
- Lumumba:
- Negatief beeld
- Uitbuiting
- Authenticiteits campagne, identiteit
- Opstanden/rellen, moord op Lumumba
- Zaïre – Congo naam onder leiding van Mobutu
- Kleptocratie:
- Kleine groep machthebbers rooft het eigen land leeg
3. De Koude Oorlog
A. Tijd, ruimte en domeinen op een rijtje
B. Ontstaan van de Koude Oorlog
- Tijd: 1947-1991 (van Trumandoctrine tot val Sovjet-Unie)
- Ruimte: Wereldwijd (VS, SU, Europa, Azië, Afrika, Latijns-Amerika)
- Domeinen:
- Politiek: kapitalisme vs. communisme
- Economisch: vrije markt vs. planeconomie
- Militair: wapenwedloop
- Cultureel: propaganda
- Bipolaire wereldorde
- Betekenis: Geen openlijk conflict tussen beide grootmachten (VSA en SU)
- Doel: Egalitaire maatschappij (communisme) versus individuele rijkdom (kapitalisme)
- Politiek systeem: Dictatuur (comm) versus democratie (kapitalisme)
- Wie stuurt: De staat (comm) versus burgers met inspraak (kap)
- Oorzaken:
- SU onder communistisch gezag (vanaf 1922) → wantrouwen en angst in het Westen
- WOII: VS en SU bondgenoten, maar ideologische verschillen blijven
- Roosevelt wil samenwerking voortzetten → na zijn dood 1945 wordt Truman anticommunist
- SU breidt invloed uit in Oost-Europa → communistische regimes loyaliteit aan Moskou
- Churchill en diplomaten waarschuwen voor SU-expansie → ‘IJzeren Gordijn’ ontstaat
Reactie VS: containmentbeleid
- 1947: Trumandoctrine → hulp aan landen tegen communistische dreiging
- VS breekt met isolationisme → actief ingrijpen wereldwijd
- 1947: Marshallplan → economisch herstel Europa, communisme indammen EN militair door verbond NAVO
- SU weigert Marshallhulp → versterking Oostblokbinding
C. Verloop van de Koude Oorlog
- Verdeling Europa:
- Duitsland en Berlijn verdeeld in 4 zones
- Spanningen door verschillen in bestuursvorm en economie
- 1948-49: Berlijnse blokkade door SU → luchtbrug VS, blokkade mislukt
- 1949: BRD (West-Duitsland) en DDR (Oost-Duitsland) ontstaan
- 1961: Berlijnse Muur gebouwd door SU → symbool Koude Oorlog
- Militaire allianties:
- 1948: Pact van Brussel (Benelux, Frankrijk, VK) niet kennen
- 1949: Oprichting NAVO (VS, West-Europa, Canada) → wederzijdse verdediging
- 1955: SU richt Warschaupact op als reactie op NAVO en West-Duitse toetreding
- Mondiale conflicten (proxy-oorlogen):
- 1949: Communisten in China aan macht → VS verliest belangrijke bondgenoot
- 1950-53: Koreaoorlog → Noord-communistisch, Zuid-kapitalistisch, VS en China betrokken
- 1954: Franse nederlaag in Indochina → splitsing Vietnam
- 1965-73: Vietnamoorlog → VS vecht tegen communistisch Noorden, uiteindelijk verlies
- VS volgt ‘dominotheorie’ → bang voor communistische verspreiding in Azië
Crisis en ontspanning = detente
- 1962: Cubacrisis → Sovjet-raketten op Cuba → bijna nucleaire oorlog → compromis → détente
- Jaren 60-70: wapenbeheersingsverdragen en dialoog
- 1979: Sovjetinvasie Afghanistan → einde détente, VS verhardt onder Reagan
D. ‘Koude’ Oorlog
- Geen directe oorlog tussen VS en SU door dreiging van kernwapens (MAD-principe).
- Conflict verliep via proxy-oorlogen, politieke druk, spionage en ideologische strijd.
E. Wapenwedloop
- Beide kampen ontwikkelden en testten massaal kernwapens.
- Ontstaan van militaire allianties: NAVO (West) vs. Warschaupact (Oost).
F. Vijf strijdmethodes
- Space Race: technologische concurrentie (bijv. Spoetnik, maanlanding).
- Olympische Spelen: sport als prestige, propaganda, doping en boycots.
- Propaganda: films, posters, muziek, ontwikkelingshulp.
- Spionage: CIA vs. KGB met geheime operaties.
- Bondgenoten zoeken: steun aan ex-kolonies en conflicten wereldwijd.
G. Het einde van de Koude Oorlog
- Jaren 1980:
- SU-economie in diepe crisis → olie-inkomsten dalen sterk
- Binnenlandse onvrede neemt toe (tekort consumptiegoederen, gebrek aan vrijheid)
- Gorbatsjov (1985):
- Introduceert hervormingen:
- Perestrojka (economische hervormingen)
- Glasnost (politieke openheid en meer vrijheid)
- Zoekt ontspanning met het Westen → vermindert spanningen
- Sovjets trekken zich terug uit Afghanistan
- Introduceert hervormingen:
- Gevolgen van hervormingen:
- Toegenomen onrust en tegenstand in Oost-Europa
- 1989: Communistische regimes vallen één voor één
- November 1989: Neerhalen van de Berlijnse Muur (symbool einde Koude Oorlog)
- 1991:
- SU valt uiteen in 15 onafhankelijke staten, waaronder Rusland
- Communistische monopolie eindigt → officiële beëindiging van de Koude Oorlog
H. 4 visies kennen in volgorde
- Orthodoxe visie: Schuld bij SU
- Revisionisme: Schuld bij VS
- Post revisionisme: Schuld ligt bij VS en SU
- New cold war history: Geschiedenis moet herzien worden strijd is niet alleen tussen de groot machten
De Europese eenmaking
1. Evolutie
A. De evolutie van de Europese eenmaking
- Einde WOII
- Europa verzwakt door beide wereldoorlogen
- Koude oorlog splitst europa in 2 blokken o Com en kap o Grote verdeelheid
- 1951 voorstel tot samenwerking door
- Schuman ( idee Churchill)
- Oprichting EGKS o Europese gemeenschap voor kolen en staal
- Door 6 landen FR, IT, BE, NL, West- D, Lux -> nu 27 leden
- 1957 verdragen van Rome zorgt voor
- EEG: Europese Economische Gemeenschap
- Euraton: samenwerking op vlak van atoomenergie
- 1967: naamverandering naar EG
- Europese gemeenschap want op alle domeinen gaat men samenwerken
- 1992 verdrag van maastricht zorgt voor
- Een europese 1 gemaakte markt met vrij verkeer van goederen , diensten, kapitaal, etc
- 1993 naamsverandering naar EU: europese unie
- 1999
- het idee van een goedkeuring van een europese munt
- 2009 verdrag van lissabon zorgt voor
- Hervormingen:
- Permanente voorzitter
- Het veranderen van de methode rond beleidsbeslissingen
- Hervormingen:
2. Criteria
A. Voor het EU-lid-maatschap zijn volgende criteria
- A - Democratie naleven
- B - Respecteren van het mensenrecht
- C - Economische stabiliteit
3. Europese instellingen
A. De 7 europese instellingen
- De europese raad
- Algemeen beleid europese top in brussel (staatleiders)
- De raad van de europese unie
- Minister raad (wetgevende macht) per bevoegdheid
- De europese commissie
- Brussel uitvoerende macht
- Het europees parlement
- Wetgevende macht, brussel
- Het hof van justitie
- Rechterlijke macht luxemburg
- De rekenkamer
- Luxemburg
- De europese centrale bank
- frankfurt
4. Extra
A. Een paar extra dingen
- Europadag
- 9 mei ledverkalaring shuman
- Europese vlag
- Blauw, 12 sterren -> perfectie
- Europese hymne
- 9 symphonie van beethoven
- Intergouvernementele besluitvorming
- Elk land en zijn regering kiest zijn eindbeslissing
- Supranationale besluitvorming
- Elk land bezit autonomie
- Bedenkingen over toekomst en werking
- Grotendeels positief omwille van de vredesstrijd maar door het kosten plaatje ook euroscepticisme
- Actualiteit
- Rearme Europa: alle lidstaten moeten gezamenlijk investeren in defensiecapaciteiten, innovatieve technologieën en het versterken van gezamenlijke strategieën
België 1919 – 1945
1. Hoofdstuk 1
A. Referentie kader
- Tijd
- Moderne-hedendaagse tijd
- Ruimte
- België
B. Conflicten en domeinen
- Conflicten
- Communautair conflict: Nederlands-Frans
- Economisch sociaal conflict: rijk-arm
- Levensbeschouwelijk conflict
- Domeinen
- Economie
- Cultuur
- Politiek
twee pacten brengen rust
1. sociaal pact
A. Het Sociaal Pact (1944)
- Doel:
- Samenwerking tussen werkgevers en werknemers om sociale zekerheid te bevorderen.
- Belangrijke elementen:
- Paritaire comités:
- Overlegorganen tussen werkgevers en werknemers.
- COAS:
- Instelling voor overleg en samenwerking.
- Sociale Zekerheid:
- Indexering van lonen.
- Pensioenen.
- Kinderbijslag.
- Minimumloon.
- Paritaire comités:
B. Stratenrepressie en Bestraffing na de Bezetting
- Stratenrepressie:
- Onrechtmatige bestraffing van collaboratie door niet-bevoegde personen zonder proces.
- Aanzet tot collaboratie:
- De mindere rol van Nederlandstaligen in de samenleving leidde tot een toenemende samenwerking met de bezetter.
- Katholieke, Nederlandstalige Vlamingen waren vaak betrokken.
C. Leopold III en de Koningskwestie
- Rol van Leopold III:
- Autoritaire stijl van regeren.
- Ontmoeting met de Britten tijdens de oorlog, controversieel gedrag.
- Verwijten van terreur, niet in lijn met burgerlijke normen.
- Koningskwestie:
- Referendum in België: "Ja" (57%) voor zijn terugkeer.
- Polarisatie in de samenleving over zijn koningschap.
D. De Verzorgingsstaat
- Uitbreiding van Sociale Voorzieningen:
- Kinderbijslag.
- Pensioenen.
- Minimumloon.
- Indexering van lonen.
2. Het Schoolpact en Onderwijsbeleid
A. Schoolpact:
Doel:
- Oplossing voor conflicten tussen katholieke en neutrale scholen.
Resultaten:
- Schoolplicht ingevoerd.
- Middelbaar en hoger onderwijs toegankelijk gemaakt.
Politieke Verhoudingen:
- 1954: Liberalen winnen ten koste van katholieken, staatscholen krijgen meer aandacht.
- Katholieken herstellen later en behouden beide soorten scholen (katholieke en staatsscholen).
3. Conclusie
- De twee pacten, het Sociaal Pact en het Schoolpact, vormden een basis voor sociale hervormingen en onderwijsbeleid in België, en weerspiegelden de naoorlogse inspanningen om samenwerking en stabiliteit te waarborgen.
de staatsvorming
1. Communautaire Spanningen na het Sociaal Pact en Schoolpact
A. Blijvende conflicten:
- 2 blijvende conflicten
- Taalspanningen tussen Nederlandstaligen (Vlamingen) en Franstaligen.
- Discriminatie van Nederlandstaligen in Brussel en de randgemeenten.
2. Oorzaken van Spanningen
A. Vlaamse Grieven:
- Discriminatie van
- Nederlandstaligen in politieke en sociale structuren.
- Voorbeeld:
- Vlaamse mars op Brussel; protest tegen ongelijke behandeling.
- Tegenbetogingen door Franstaligen met vooroordelen:
- "Alle Vlamingen stinken."
- "Alle Vlamingen zijn dom."
- "Alle Vlamingen zijn collaborateurs."
3. Eerste Aanzet tot Oplossing (1970)
A. Eerste aanzet
- Staatshervorming:
- Invoering van een taalgrens om duidelijkheid te scheppen over de taalgebieden.
- Creëren van faciliteitengemeenten:
- Gemeenten aan de taalgrens waar minderheden rechten hebben om in hun eigen taal geholpen te worden (bv. onderwijs, administratie).
- Doel:
- Spanningen verminderen en wederzijds begrip vergroten.
4. Tweede Aanzet tot Oplossing:
A. Splitsing van Politieke Partijen
- Interne spanningen in politieke partijen:
- Politieke partijen splitsten zich op in Nederlandstalige en Franstalige vleugels.
- Voorbeeld: De Volksunie, later opgegaan in Vlaamse partijen; de PS (Franstalig) en SP (Nederlandstalig).
5. Resultaat van Spanningen en Hervormingen
A. Van een unitaire staat naar een federale staat:
- 1830:
- België opgericht als eenheidsstaat.
- 1970:
- Eerste stap naar een federale staat met regionale autonomie.
- later
- Federale hervormingen in latere decennia volgden (1980, 1993, 2001, enz.).
6. federale staat
A. federale overheid
B. deelstaten
justitie ( alles rond rechten )
defensie
sociale zekerheid
sociale veiligheid
3 gemeenschappen (persoonsgebonden)
- Onderwijs
- Cultuur
- Wetenschappelijk onderzoek
3 gewesten (plaatsgebonden)
- Verkeer
- Economie
- Milieu
7. Toekomstvisie
A. 5 toekomstvisies
- Confederalisme
- Meer bevoegdheden bij de deelstaten
- Herfederalisme
- Minder bevoegdheden bij de deelstaten
- Unitarisme
- Separatisme
- Ratatachisme
- Bijvoegen ander land
Israël en de Palestijnen
1. inleiding
A. Referentiekader:
- tijd
- Klassieke Oudheid tot Hedendaagse Tijd
- Regio:
- Midden-Oosten (Centraal gelegen in Azië).
- Domeinen:
- Cultuur en Politiek.
B. Hoofdvragen:
- 2 vragen
- Waarom zijn er zoveel spanningen in de regio?
- Welke oplossingen zijn geprobeerd om deze spanningen te verminderen?
2. Oorzaken van Spanningen
A. Klassieke Oudheid:
- 1e-2e eeuw:
- De Romeinen verdrijven de Joden uit hun woongebieden (diaspora).
- Verspreiding van de Joden over de hele wereld.
B. Middeleeuwen:
- Antisemitisme bevorderd door de kerk:
- Joden beschuldigd als Christusmoordenaars, hekserij, raciaal antisemitisme.
- Zelfs geassimileerde Joden worden gediscrimineerd.
C. Nieuwe Tijd:
D. Tussenoorlogse Periode en Nazisme:
E. Na WOII:
- Opkomst van het zionisme:
- Joodse beweging die streeft naar een eigen staat.
- Taktiek: Oprichting van kolonies (kilhoetsen).
- Ottomaanse Rijk (voor WOI):
- Controle over Palestina tot de Eerste Wereldoorlog.
- Balfour-verklaring (1917):
- Groot-Brittannië belooft land aan zowel de Joden als de Arabieren.
- Regio wordt opgedeeld in mandaatgebieden, geen onafhankelijkheid voor Palestina.
- Nieuwe toestroom van Joden:
- Vluchtelingen door het nazisme in Europa.
- De economische crisis en nazisme zorgen ervoor dat de dubbele belofte van Groot-Brittannië niet wordt nagekomen.
- VN-resolutie 181 (1947):
- Plan om het land te verdelen tussen Joden en Arabieren.
- Jeruzalem wordt een gedeeld gebied.
- Reacties:
- Joden blij (meer land, inclusief kustgebied).
- Arabieren verwerpen het plan.
- Onafhankelijkheid Israël (1948):
- Joden verklaren zelf onafhankelijkheid.
- Arabische staten vallen Israël aan → Palestijnse vluchtelingencrisis (Naqba).
3. Escalatie van het Conflict
A. Belangrijke Gebeurtenissen:
- 1967:
- Zesdaagse oorlog → Israël wint en vergroot grondgebied → Toename Naqba.
- 1987:
- Eerste Intifada (Palestijnse opstand) → evolueert naar terroristische daden.
- 1992-1993:
- Israëlische leider Yitzhak Rabin streeft naar vrede.
- Oslo-akkoorden (1993):
- Palestijnen krijgen zelfbestuur, maar geen onafhankelijkheid.
- Interne verdeeldheid: Joden ontevreden over concessies, Palestijnen willen meer.
- 2000-2005:
- Tweede Intifada door uitblijven vredesrealisatie.
- Veiligheidsmuur en controle over Palestijnse hulpbronnen ingesteld.
- Hamas wint aan invloed, verdringt Palestijnse Autoriteit.
4. Pogingen tot Oplossing
A. VN, Bilaterale Akkoorden en Internationale Erkenning:
- Oplossing:
- Twee-staten-oplossing:
- Israël en Palestina als aparte staten.
- Versnelling door erkenning van Palestina door landen zoals Ierland, Spanje, en Noorwegen.
- Twee-staten-oplossing:
- PLO en Israël-akkoorden:
- PLO erkent Israël, en verwerpt terrorisme in ruil voor zelfbestuur.