Licht en Natuurkunde
Lichtstralen en Schaduw
Lichtstralen bewegen in rechte lijnen, aangeduid met pijltjes.
Bij grotere afstanden divergeren lichtstralen, waardoor het licht zwakker wordt.
Voorwerpen die licht blokkeren creëren schaduw: een gebied waar licht niet kan komen.
Tekenen van een schaduw:
Teken de randstralen (lichtstralen die net niet door het voorwerp heen komen).
Kleur het gebied tussen de randstralen in om het schaduwgebied aan te geven.
Bij meerdere lichtbronnen ontstaan er meerdere schaduwbeelden:
Kernschaduw: het donkerste deel van de schaduw waar schaduwen overlappen.
Halfschaduw: lichter gebied aan weerszijden van de kernschaduw.
Indirect licht ontstaat door reflectie, zoals bij muren.
Diffuus licht:
Gevolg van verstrooiing.
Geeft een zachter licht met minder duidelijke schaduwen.
Licht en Kleur
Voorwerpen die zelf licht geven worden lichtbronnen genoemd.
Natuurlijk: zon, sterren.
Kunstmatig: kaarsen, LED-lampen, TL-buizen.
Witte zonlicht = spectrum (alle kleuren): rood, oranje, geel, groen, blauw, violet.
Zakspectroscoop: gebruikt om de samenstelling van licht te onderzoeken.
Voorwerpen kunnen alleen worden waargenomen door teruggekaatst licht. Dit licht wordt diffuus teruggekaatst.
Voorwerpen absorberen licht:
Gele trui weerkaatst vooral geel, rode trui vooral rood, blauwe trui vooral blauw.
Witte voorwerpen kaatsen bijna al het licht terug; zwarte voorwerpen absorberen het meeste licht.
Infrarode en Ultraviolet Straling
Alle voorwerpen zenden infrarode straling uit (IR-straling). Warmtelampen zenden IR-straling uit samen met wat rood licht.
Toepassingen van IR-straling:
Afstandsbedieningen.
Buitenlampen die reageren op beweging.
Alarminstallaties.
Nachtkijkers.
Zon zendt ook ultraviolette straling (UV-straling) uit; dit kan zonnebrand veroorzaken en het risico op huidkanker verhogen.
UV-lampen zichtbaar in zonnebanken en discotheken.
UV-straling wordt weergegeven in het spectrum als links van violet.
Fluoresentie: stoffen kunnen licht geven bij UV-straling.
Spiegelbeelden
In een spiegel zie je een levensecht spiegelbeeld.
Normaal: lijn die loodrecht op de spiegel staat. Hoek van inval = hoek van terugkaatsing.
Spiegelwet: bij terugkaatsing geldt altijd: hoek van inval = hoek van terugkaatsing.
Tekenen van terugkaatsing:
Teken de normaal.
Bepaal de hoek van inval.
Bepaal de hoek van terugkaatsing.
Teken de teruggekaatste lichtstraal.
Vinden van het spiegelbeeld:
Kies punt L op het voorwerp.
Gebruik de geodriehoek om het beeldpunt B te vinden (zelfde afstand achter de spiegel als L ervoor).
Teken de lijn die vanuit B naar de spiegel gaat voor de terugkaatsing.