Volledig Overzicht Geschiedenis van de Psychologie
Inleiding tot de Geschiedenis van de Psychologie
Definitie van geschiedenis: Geschiedenis is niet simpelweg het verleden, maar een kaart van het verleden, getekend vanuit een specifiek gezichtspunt om nuttig te zijn voor de moderne reiziger.
Motivering voor het vak:
Het kennen van traditionele en hedendaagse visies.
Inzicht in hoe het ontstaan van de psychologie verweven is met de bredere historische context.
Het situeren van hedendaagse discussies (subject- vs. objectgestuurd, erfelijkheid vs. milieu, rationaliteit vs. emotionaliteit).
Het onderbouwen van de psychologie als afzonderlijke discipline.
Sapere aude: Heb de moed om te weten/je eigen verstand te gebruiken.
Opzet en Basisstramien: Het verleden wordt bestudeerd vanuit drie invalshoeken:
Mens: Inhoudelijk werk van grote figuren.
Maatschappij: Sociaal-economische context en het maatschappelijke mensbeeld.
Methode: De wetenschappelijke methodologie.
Invalshoeken en Beperkingen:
Sociaal-economische context: Veranderingen worden vaak aangedreven door de economie (economisch determinisme vs. invloed van het liberalisme).
Maatschappelijk mensbeeld: Toename van individualisering en veranderende zelfbeelden.
Wetenschappelijke ontwikkelingen: Wetenschap is een verworvenheid van individuen; de psychologie spiegelde zich in de 19de eeuw aan de natuurwetenschappen en in de 20ste eeuw aan de geesteswetenschappen.
Moeder en vader: Filosofie is de moeder en fysiologie de vader van de psychologie.
Eurocentrisme en Selection Bias: De focus ligt op Europa en Noord-Amerika, met een vertekening richting de elite en witte, mannelijke onderzoekers (WEIRD people: Western, Educated, Industrialized, Rich, Democratic).
Geschiedschrijving: Wetenschap en Concepten
Hermann Ebbinghaus (1908): "De psychologie heeft een lang verleden, maar slechts een korte geschiedenis." De korte geschiedenis start bij Wundt (1879); het lange verleden bij Aristoteles (4de eeuw v.C.).
Benaderingen in geschiedschrijving:
Traditionele benadering: Doel is de psychologie als wetenschap veiligstellen en vooruitgang aantonen (continuïteit).
Hedendaagse benadering: Verduidelijking van de huidige situatie en kritische bevraging van de discipline (discontinuïteit).
Verschillende visies op het bewustzijn:
Realistische visie: Het bewustzijn was al een vast object voor het bestudeerd werd.
Instrumentalistische visie: Het bewustzijn is een instrument voor het denken; theorieën zijn nuttige gereedschappen.
Constructivistische visie: Het bewustzijn is sociaal-historisch geconstrueerd.
Linguïstisch Determinisme: De taal bepaalt ons denken en hoe we de werkelijkheid percipiëren (bijv. emoties zijn geen natuurlijke categorieën).
Strekkingen:
Internalisme: Focus op interne logica van ontdekkingen en theorieën.
Externalisme: Focus op de invloed van de maatschappelijke context (bijv. WOI-soldaten en intelligentietesten).
Sociaal-constructivisme: Combinatie van interne en externe factoren met aandacht voor wetenschappelijke praktijk en persoonlijkheden.
Grote figuren vs. Tijdsgeest (Zeitgeist):
Mattheus-eOect: Bekende wetenschappers krijgen meer krediet.
Mathilda-eOect: Prestaties van vrouwen worden onderbelicht of aan mannen toegeschreven.
Valkuilen:
Whig-geschiedschrijving: Teleologische visie (geschiedenis als doelgerichte vooruitgang).
Presentisme: Het verleden interpreteren vanuit het nu ("nunc pro tunc").
Simplificatie: Het verleden te eenvoudig voorstellen.
De Renaissance (15de - 16de eeuw)
Kernconcepten: Secularisering (ontvoogding van de kerk), humanisme (nadruk op de rede en individuele vrijheid), en de overgang van kwaliteitenfysica naar kwantiteitenfysica.
Belangrijke Ontwikkelingen:
Boekdrukkunst (1440): Johannes Gutenberg; snellere communicatie en verspreiding van klassieke werken.
Val van Constantinopel (1453): Vlucht van Griekse geleerden naar Italië met klassieke kennis.
Buskruit: Bevorderde de vorming van naties en de noodzaak voor ballistiek (wiskunde).
Ontdekking van Amerika (1492): Christokel Columbus; start van kolonialisme, slavenhandel en democratisering van grondbezit.
Reformatie (1517): Maarten Luther; 95 stellingen tegen aflaten; nadruk op Solo scriptura (bijbel), Sola fide (geloof) en Sola gratia (genade). Dit leidde tot individualisering en nationale volkstaal.
Mensbeeld en Humanisme:
Desiderius Erasmus: Nadruk op de vrije wil en satire op wantoestanden (Lof der zotheid).
Michel de Montaigne: Scepticisme (universele twijfel) en de mens als zelfstandig individu met een "achterkamertje" voor vrijheid.
Wetenschap:
Vesalius (1543): Grondlegger van de anatomie; verbeterde Galenus (bijv. evenveel ribben bij man en vrouw).
Copernicaanse Revolutie (1543): Nicolaas Copernicus; heliocentrisme (zon centraal) vs. geocentrisme (aarde centraal).
Leonardo da Vinci: Homo universalis; gebruikte tekeningen en de camera obscura.
Atomisme: Herintroductie van de deeltjesleer van Democritus.
De Mechanisering van het Wereldbeeld (17de eeuw)
Hoofdgedachte: De natuur is een clockwork universe, een machine die door God is ontworpen en door de mens via wiskunde begrepen kan worden.
Physica en Biologie:
Johannes Kepler: Planeten draaien in ellipsen; beschrijving van de werking van het oog als lens.
Galileo Galilei: Vader van de moderne fysica; focus op meetbaarheid. "Het boek van de natuur is geschreven in de taal van de wiskunde."
Isaac Newton (1687): Principia Mathematica; wet van zwaartekracht en drie bewegingswetten. Grondlegger van de klassieke mechanica.
William Harvey: Beschrijving van de bloedsomloop; hart als hydraulische pomp.
Antoni van Leeuwenhoek: Microscoop; ontdekking van spermacellen en zaadcellen.
Wetenschappelijke Methodologie:
René Descartes: Rationalisme; methodische twijfel ("Cogito ergo sum"). Onbetwijfelbare kennis via deductie en aangeboren ideeën.
Francis Bacon: Empirisme; inductie als enige ware weg. Waarschuwde voor de idolen van het verstand (stam, grot, markt, theater).
Psychologische Concepten:
Descartes’ Dualisme: Onderscheid tussen Res extensa (lichaam/machine) en Res cogitans (bewustzijn/ziel). Interactie via de pijnappelklier.
John Locke: Tabula rasa; kennis via sensatie en reflectie. Onderscheid tussen primaire (objectief) en secundaire (subjectief) kwaliteiten.
Thomas Hobbes: Hedonisme; mens wordt gedreven door genot en pijn. Maatschappij als sociaal contract onder een soevereine vorst (Leviathan).
Blaise Pascal: Kansenleer en verwachte waarde; rationeel om in God te geloven (De weddenschap van Pascal).
De Verlichting (18de eeuw)
Maatschappij en Economie:
Adam Smith: Liberalisme en de onzichtbare hand; principe van arbeidsdeling als motor voor welvaart.
Jeremy Bentham: Utilitarisme; "the greatest happiness for the greatest number" via de hedonistische calculus.
Nicolas de Condorcet: Vooruitgangsgeloof en belang van de rede.
Wetenschap en Methode:
Immanuel Kant: Synthese tussen rationalisme en empirisme. Gebruik van a-priori categorieën (tijd, ruimte, causaliteit) om fenomenen te filteren.
Lavoisier: Wet van behoud van massa in de scheikunde.
Carl Linnaeus: Systematische taxonomie van planten, dieren en de mens.
Benjamin Franklin & Lavoisier: Wetenschappelijk rapport dat Mesmers dierlijk magnetisme afwees als verbeelding.
Studie van het Psychologische:
Julien de La Mettrie: L’homme machine; radicaal materialisme.
David Hartley: Associationisme; psychofysisch parallellisme gebaseerd op minitrillingen (vibratiuncles).
George Berkeley: Geestelijk monisme; Esse est percipi (bestaan is waargenomen worden). God is de permanente waarnemer.
David Hume: Bundelvisie op het zelf; causaliteit is een gewoonte van de geest en geen direct ervaringsgegeven.
Franz Joseph Gall: Frenologie (hersenknobbeltheorie); lokalisatie van functies in de hersenen op basis van schedelvorm.
Jean-Jacques Rousseau: Romantiek; mens is van nature goed, cultuur corrumpeert. Nadruk op gevoel over rede.
Naar een Moderne Maatschappij (19de eeuw)
Context: Industriële revolutie, verstedelijking, opkomst van marxisme en nationalisme.
Sociaal Management (Foucault): De overheid grijpt in via onderwijs, psychiatrie (mensvriendelijke behandeling door Tuke en Pinel) en volksgezondheid.
Wetenschappelijke Mijlpalen:
Charles Darwin (1859): Evolutieleer; variatie en natuurlijke selectie. Mens is deel van de natuur.
Adolphe Quetelet: L’homme moyen; introductie van statistiek in de sociale wetenschappen (normaalverdeling).
Helmholtz: Mat de snelheid van zenuwgeleiding bij kikkers () en mensen ().
Paul Broca: Ontdekking van het taalcentrum van Broca (linkse frontale kwab).
Auguste Comte: Positivisme; wet van de drie stadia (theologisch, metafysisch, positivistisch).
Wilhelm Dilthey: Onderscheid tussen Erklären (natuurwetenschappen) en Verstehen (geesteswetenschappen).
Wilhelm Wundt (1879): Sticht het eerste laboratorium in Leipzig. Concepten:
Apperceptie: Actieve, selectieve aandacht.
Creatieve synthese: Het geheel is meer dan de som (bijv. melodie).
Psychische causaliteit: Geest heeft eigen wetmatigheden los van fysica.
Psychofysica (Fechner):
De wet van Fechner: . De psychische ervaring is logaritmisch gerelateerd aan de fysische prikkel.
De 20ste Eeuw: Grote Stromingen en de Psychologische Samenleving
Psychoanalyse (Sigmund Freud):
Ontdekking van het onbewuste.
Topologisch model: Bewuste, voorbewuste, onbewuste.
Structureel model: Es (driften), Ich (realiteit), Über-Ich (geweten).
Ontwikkelingsfasen: Oraal, anaal, fallisch, latentie, genitaal.
Behaviorisme:
John Watson: Psychologie als studie van observeerbaar gedrag (S-R). Experiment met Kleine Albert.
B.F. Skinner: Operante conditionering; bekrachtiging (positief/negatief) en straf. Shaping.
Edward Tolman: Latent leren en doelgericht gedrag (S-O-R).
Gestaltpsychologie: Max Wertheimer en Wolfgang Köhler. Het brein werkt volgens zelforganiserende principes; nadruk op gestalten (gehelen).
Cognitieve Psychologie (vanaf jaren ’60):
Ulric Neisser: Informatieverwerkingsparadigma.
Jean Piaget: Fasen van cognitieve ontwikkeling (sensori-motorisch tot formeel-operationeel).
Noam Chomsky: Aangeboren universele grammatica tegenover taalleerwetten van Skinner.
Computermetafoor: De hersenen als hardware, de geest als software.
Praktijkgerichte Psychologie:
Hugo Münsterberg: Grondlegger van arbeids- en organisatiepsychologie.
Alfred Binet: Eerste intelligentietest. IQ-formule (Stern): .
Lightner Witmer: Start klinische psychologie.
Therapeutische stromingen: Gedragstherapie (Wolpe - systematische desensitisatie), Cliëntgerichte therapie (Rogers - empathie, onvoorwaardelijke acceptatie), Cognitieve therapie (Beck en Ellis - ABC-model), Systeemtherapie.
Wetenschapsfilosofie in de 20ste Eeuw
Logisch Positivisme: Eisen van verifieerbaarheid en operationele definities (Bridgman).
Karl Popper: Falsificatie als criterium voor wetenschap.
Thomas Kuhn: Paradigmaveranderingen en wetenschappelijke revoluties.
Paul Feyerabend: "Anything goes"; er zijn geen vaste methodologische regels.
Mario Bunge: Modelopvatting; theorieën verwijzen naar een modelobject als vereenvoudigde versie van de referent (mens).