Untitled

Samenvatting Module 1 – Doelgroepen in zorg en welzijn

Inleiding

  • Als helpende in zorg en welzijn werk je met verschillende doelgroepen.

  • Belang van mensgericht werken: elke cliënt heeft unieke wensen, mogelijkheden en problemen.

Ontwikkelingsgebieden

Mensen ontwikkelen zich hun hele leven op drie gebieden:

1. Lichamelijke ontwikkeling
  • Betreft de groei en beweging van het lichaam, ook wel motorische ontwikkeling genoemd.

    • Grove motoriek: grote bewegingen zoals lopen of springen.

    • Fijne motoriek: kleine bewegingen zoals schrijven of het oppakken van voorwerpen.

2. Verstandelijke ontwikkeling
  • Dit gaat over denken, leren, begrijpen en onthouden.

3. Sociaal-emotionele ontwikkeling
  • Betreft de manier waarop iemand met anderen omgaat en hoe iemand omgaat met gevoelens.

Levensfasen

Mensen doorlopen verschillende fases in hun leven:

  • Baby (0-1 jaar): Heeft veel zorg nodig, zoals voeding, veiligheid en verzorging.

  • Dreumes (1-2 jaar): Ontdekt de wereld en begint taal te leren.

  • Peuter (2-4 jaar): Nieuwsgierig, wil alles ontdekken, kan driftbuien vertonen (peuterpuberteit).

  • Kleuter (4-6 jaar): Leren samen spelen en rekening houden met anderen.

  • Schoolkind (6-12 jaar): Kan steeds beter nadenken en problemen oplossen.

  • Adolescent (12-25 jaar): Doet ervaring op in de puberteit, jongeren zijn bezig met identiteitsvorming.

  • Volwassenen (25-65 jaar): Grote groep met verschillende situaties en soms hulp nodig.

  • Ouderen (65+): Kunnen lichamelijke en sociale veranderingen ondergaan en hebben soms meer ondersteuning nodig.

Doelgroepen in de zorg

  1. Mensen met een lichamelijke beperking

    • Hebben moeite met bewegen of het gebruik van hun lichaam.

    • Kan ontstaan door hersenletsel, een dwarslaesie of spasticiteit.

    • Soms nodig om hulpmiddelen en hulp bij ADL (Algemene Dagelijkse Levensverrichtingen) te gebruiken.

  2. Zintuiglijke beperking

    • Er functioneren één of meer zintuigen minder goed.

    • Voorbeelden: blind, slechtziend, doof of slechthorend.

    • Aanpassing van communicatie is noodzakelijk, zoals duidelijker praten of dingen goed uitleggen.

  3. Verstandelijke beperking

    • Deze mensen hebben moeite met leren, begrijpen en zelfstandig leven.

    • Diverse niveaus: licht, matig, ernstig en zeer ernstig.

    • Vaak is er hulp nodig bij het begrijpen van informatie, het uitvoeren van dagelijkse handelingen en in sociale situaties.

  4. Ernstige meervoudige beperking (EMB)

    • Zowel ernstige verstandelijke als lichamelijke beperking.

    • Vaak zeer afhankelijk van zorg en communiceren meestal niet verbaal.

  5. Psychiatrische stoornissen

    • Psychische problemen die invloed hebben op het dagelijks leven.

    • Voorbeelden: depressie, angststoornis, psychose, dwangstoornis en verslaving.

    • Hebben vaak hulp nodig van een arts of specialist.

Zorgplan

  • De ondersteuning aan een cliënt wordt gedocumenteerd in een zorgplan.

  • Dit plan bevat:

    • Wat iemand nodig heeft,

    • Welke doelen er zijn,

    • Hoe de zorg wordt uitgevoerd.

  • Als helpende kijk je altijd eerst in het zorgplan en overleg je met collega’s en de cliënt.