Taalvariatie Samenvatting
Taalvariatie
Inleiding
Taalvariatie verwijst naar de diversiteit in taalgebruik binnen een taalgebied, omvattend verschillen in woordenschat, grammatica en uitspraak. We onderscheiden:
Geografische taalvariatie: Onderzoekt nationale en regionale taalverschillen, inclusief dialecten. De dialectologie bestudeert dialecten en brengt deze in kaart.
Sociale taalvariatie
Situationele taalvariatie
Sociale en situationele taalvariatie worden bestudeerd binnen de sociolinguïstiek, die de relatie tussen taal en sociale groepen onderzoekt. Daarbij wordt gekeken naar variabelen zoals klasse, netwerk, subcultuur, leeftijd en geslacht, alsook stilistische variatie en taalgebruik in verschillende situaties. Er zijn twee dimensies van taalvariatie:
Synchrone taalvariatie: Taalvariatie binnen het hedendaagse Nederlands
Diachrone taalvariatie: Taalverandering door de tijd
Geografische Taalvariatie
Nationale Taalvariatie
Dit betreft de divergentie van verschillende natiolecten. Er zijn significante verschillen tussen het Nederlands in Vlaanderen en Nederland. Sinds 1970 zijn er verdere ontwikkelingen geweest, waarbij Vlaanderen een dominante positie verwierf in België, zowel economisch als politiek. Dit leidde tot meer autonomie voor de taalgemeenschappen en een groeiend zelfbewustzijn bij Vlamingen, die steeds vaker een Nederlands met een Belgische inslag spreken. Het Nederlands is daarmee een pluricentrische taal geworden, met twee regio's die elk op hun eigen manier bijdragen aan de ontwikkeling ervan.
Verschillen tussen Belgisch-Nederlands en Nederlands-Nederlands
De verschillen zijn het meest opvallend in de gesproken standaardtaal. Opvallende uitspraakverschillen zijn:
Diftongering van lange klanken: Lange klinkers worden in Vlaanderen lang uitgesproken, terwijl Nederlanders er tweeklanken van maken (bv. reep -> reejp).
Uitspraak van de g: Nederlanders spreken de g hard uit, terwijl Vlamingen een zachte g hebben.
Er zijn ook verschillen in woordvorming (morfologie), bijvoorbeeld het gebruik van -ik in Vlaanderen versus -erd in Nederland (slimmerik vs. slimmerd), en in woordenschat (vijgen na Pasen vs. mosterd na de maaltijd).
Andere verschillen tussen Nederlands-Nederlands (NN) en Belgisch-Nederlands (BN) zijn:
Harde versus zachte g
Stemloze fricatieven in het Nederlands, stemhebbende in het Belgisch
-tie in het Nederlands wordt -tsie, in het Belgisch -sie
Nederlandse r is minder een duidelijke tongpunt-r dan in België
Er zijn woorden en combinaties die alleen in Nederland of België gangbaar zijn.
Regionale Taalvariatie in Vlaanderen
Sinds de jaren 1960 is er een afname van traditionele dialectsprekers. De vrijgekomen taalruimte is deels ingenomen door de standaardtaal. De variëteiten van het gesproken Nederlands in Vlaanderen kunnen worden weergegeven in een variatiekegel. De basis symboliseert de dialecten, de top de standaardtaal vertegenwoordigd door nieuwslezers. Tussen basis en top bevindt zich de tussentaal. Elke Vlaming heeft een persoonlijk taalrepertoire en kan schakelen tussen variëteiten (style shift) afhankelijk van de situatie (taalaccommodatie).
Dialect, Tussentaal en Standaardtaal
Dialect: Vroeger de thuistaal van de meeste Vlamingen, maar nu minder. Er is sprake van dialectverlies. Vlaanderen kent vier grote dialectgebieden: West-Vlaams, Oost-Vlaams, Brabants en Limburgs. Talen lopen geleidelijk in elkaar over, maar worden door politiek van elkaar gescheiden.
Standaardtaal: Algemeen Nederlands (AN), vroeger Algemeen Beschaafd Nederlands (ABN). Het is de taal die algemeen bruikbaar is en gecodificeerd in woordenboeken. Aan het eind van de negentiende eeuw kwamen spreek- en schrijftaal dichter bij elkaar. Na 1970 verdween de eenduidige norm. De term ABN is in onbruik geraakt omdat deze de suggestie wekt dat andere variëteiten niet beschaafd zijn. Binnen de standaardtaal is variatie mogelijk, zowel stilistisch als nationaal.
Tussentaal: Algemene, informele omgangstaal in Vlaanderen. Minder algemeen dan de standaardtaal, maar wordt in steeds meer situaties gebruikt. Het is niet vrij van regionale klanken, maar wel bovenregionaal. Het wordt vaker gebruikt door mobiliteit en langeafstandscommunicatie. Tussentaal is de moedertaal van veel Vlaamse jongeren geworden. Het is de taal waarin we ons vlot en verstaanbaar uitdrukken. Het gebruik hangt af van de situatie. De VRT blijft de normverspreider van Algemeen Nederlands, maar maakt ook plaats voor tussentaal.
Hebben dialecten nog toekomst?
Als dialect gedefinieerd wordt als een lokale variëteit gesproken door de oudere generatie, dan is de toekomst beperkt. Echter, als het ruimer gezien wordt als regionaal gekleurd taalgebruik, dan is er een goede kans op overleven. Er zijn twee soorten dialectverlies:
Functioneel verlies/domeinverlies: Minder gebruik van dialect in minder omstandigheden.
Structureel verlies: Verlies van typisch lokale kenmerken.
Dialectverlies treedt op door horizontale nivellering (dialecten groeien naar elkaar toe) en verticale nivellering (dialecten groeien naar de standaardtaal toe). Factoren die dialectverlies veroorzaken zijn mobiliteit, industrialisering, democratisering van het onderwijs en de komst van radio en televisie. Subjectieve factoren zijn het lage prestige van dialecten in vergelijking met de standaardtaal, waardoor ouders hun kinderen minder in dialect opvoeden.
Sociale Taalvariatie
Binnen het Standaardnederlands bestaat veel verscheidenheid. Factoren die van spreker tot spreker verschillen zijn sekse, sociale klasse, opleiding en beroep, accent, intonatie, tempo, articulatie en idiolect (bv. stopwoord). Mensen laten door hun taalgedrag zien tot welke groepen ze behoren. Het is echter evident dat strikte afbakeningen onmogelijk zijn en dat de verschillende 'groepen' elkaar doorkruisen.
Klasse
Taalgebruik is essentieel in de beroepspraktijk van ouders. Kinderen uit 'talige' milieus worden meer geconfronteerd met impliciete bevelen, die vaak een 'regulerend' karakter vertonen. In 'talige' milieus wordt meer nadruk gelegd op individuele maatstaven. Sociale groepen onderscheiden zich van andere door fonologische, syntactische en lexicale kenmerken in hun taal. Vroeger kwamen dergelijke sociolecten ook in Vlaanderen voor. Nu zijn sociolecten alleen nog te vinden in enkele stedelijke dialecten, waar de variant direct in verband gebracht wordt met de sociale status van de gebruiker.
Beroep
Elke beroepssector heeft zijn eigen terminologie (vakttaal). Communicatie met de buitenwereld kan lastig zijn, waarbij vakspecialisten in jargon vervallen. Soms vinden woorden en uitdrukkingen uit vaktalen hun weg naar de algemene taal.
Voorbeelden van uitdrukkingen afkomstig uit de wereld van de scheepsbouw, scheepvaart en visserij zijn:
iemand aftuigen: iemand in elkaar slaan, naar beneden halen
iets voor de boeg hebben: iets op de planning hebben staan
achterbaks: achter de rug om, vals, heimelijk
een wildebras: iemand die altijd heel wild is
overstag gaan: van mening veranderen
iemand de volle laag geven: iemand vernederen en dingen verwijten
Het loopt de spuigaten uit: het is te veel, moet weg, situatie loopt uit de hand
ruimschoots: meer dan voldoende
Het wielrennen beschikt over een behoorlijk uitgebreid jargon. Nederlandse uitdrukkingen uit dat jargon die teruggaan op Franse zijn:
l'homme au marteau = man met de hamer
fermer la porte = binnenkant bocht
mettre une dent de mieux = tandje bijsteken
chasse patate = groepje probeert uit het peloton weg te rijden
demarreren = versnellen om weg te rijden van de rest
en danseuse = op de pedalen staan en de fiets gaat heen en weer
Met doping zitten we in de taboesfeer. Voor alles wat met doping te maken heeft, wordt een hermetisch jargon gebruikt. Als renners zeggen dat er na de wedstrijd een 'receptie' wordt georganiseerd, dan hebben ze het over een dopingcontrole.
Leeftijd
Mensen van verschillende leeftijden spreken verschillend. Jongerentaal is het gevolg van leerplicht, waardoor jongeren veel met elkaar omgaan en elkaar verbaal beïnvloeden. Taal fungeert als groepscode. Gesettelde volwassenen nemen vaak het 'jonge' taalgebruik van de jeugd over. Jongeren passen hun taal aan aan hun leeftijd (age grading) en aan hun omgeving (sociale correctie). Ouderen keren soms terug naar taalgewoonten uit de kindertijd. Jongerentaal is geen echte leeftijdsvariëteit, maar een tijdelijk verschijnsel.
Straattaal
Kenmerken van straattaal:
Lexicaal: Veel leenwoorden uit andere talen, aanpassing van bestaande Nederlandse woorden en nieuwe woorden.
Non-verbaal: Gebaren, lichaamshoudingen en gezichtsuitdrukkingen.
Prosodie: Ritme, intonatie en klemtoon verschillen van de standaardtaal.
Het doe-het-zelfgehalte is belangrijk voor de gebruikers omdat het de creativiteit van straattaalgebruikers benadrukt en het groepsgevoel versterkt. Als het te veel wordt gebruikt, maken ze nieuwe woorden. Het draagt bij aan de identiteit van jongeren omdat het een manier is om zich te onderscheiden en hun eigen culturele en sociale identiteit te vormen. Grammaticale veranderingen worden minder snel opgemerkt. Straattaal is een informele variant waar het Nederlands wordt verrijkt door zelfbedachte woorden en leenwoorden die vooral door jongeren wordt gebruikt, naast andere woorden bevat het ook specifieke gebaren en het wordt gebruikt om zich te onderscheiden van buitenstaanders.
Sekse
Vrouwen leggen over het algemeen meer beleefdheid aan de dag dan mannen, maar die beleefdheid wordt minder uitgesproken wanneer de 'kinderopvoedingsperiode' achter de rug is. Vrouwen zouden een minder brutale bek opzetten als bepaalde lichaamsfuncties of seksuele handelingen ter sprake komen. Het hoffelijker taalgedrag van vrouwen blijkt ook tijdens vergaderingen. Vrouwen conformeren zich aan een overgeleverd stereotiep gedrag waarbij ze zich liefst van hun beminnelijkste kant tonen. De vrouw speelt een beslissende rol bij de overgang van dialect naar standaardtaal. Mogelijke verklaringen hiervoor zijn:
Vrouwen hebben traditioneel een belangrijkere rol in de opvoeding van het kind en daardoor worden ze gevoeliger voor (taal-)gedragsnormen.
Over het algemeen wordt ruig, regelovertredend gedrag van mannen gemakkelijker geaccepteerd dan van vrouwen, en dat geldt ook voor het taalgedrag.
Vrouwen worden van jongs af aangespoord om zich correcter, rustiger en beleefder ('als een dame') te gedragen.
Afkomst - etniciteit
Marokko is een meertalig land. De taalachtergrond van Marokkaanse inwijkelingen is niet eenduidig. Als zij in Vlaanderen of Nederland met elkaar communiceren, kiezen ze door die meertalige achtergrond dan ook sneller voor het Nederlands dan pakweg Turkse immigranten. Het Marokkaans-Nederlandse etnolect is geen eenheidstaal. Het fungeert ook als sociolect, bijvoorbeeld door Marokkaanse jongeren die zich willen afscheiden van of profileren als Marokkaans. Het Marokkaans-Nederlands heeft meer Nederlandse woorden dan het Turks-Nederlands omdat de Marokkaanse gemeenschap een diversere achtergrond heeft en uit meerdere talen bestaat.
Situationeel bepaalde taalvariatie
Afhankelijk van de situatie (context) waarin sprekers zich bevinden, lijkt de taal een lichte of sterke verandering te ondergaan. De algemene naam voor taalgebruik dat door de situatie wordt bepaald, is stijl. De verschillende stijlen zijn niet mooi afgebakend; ze vormen als het ware een continuüm van de meest informeel/los tot de meest formele stijl. Om het taalgebruik dat specifiek is voor bepaalde situaties aan te duiden, gebruikt men de term register. In tegenstelling tot stijlen zijn ze duidelijk afgebakend. Veelal kan men ze van elkaar onderscheiden op lexicaal niveau. Het is meestal de terminologie die bij een bepaalde situatie past die een vorm van taalgebruik tot register maakt.
Pragmatiek
De pragmatiek bestudeert de sociaal en cultureel bepaalde aspecten van taalgebruik. Een 'taaldaad' bestaat uit:
een locutief aspect (de letterlijke inhoud)
een illocutief aspect (de taalhandeling)
een perlocutief aspect (het beoogde effect)