VWO ECO- domein G begrippen

Risico-aversie

De mate van afkeer van risico’s.

Risico

De kans op een gebeurtenis met een negatieve (financiële) impact.

Asymmetrische informatie

Een situatie waarbij de verstrekker van informatie meer weet dan de ontvanger van informatie.

Averechtse selectie

De situatie waarbij de slechte risico’s door asymmetrische informatie de goede risico’s van de markt verdrijven.

Eigen risico

Het bedrag dat niet door een verzekeraar wordt vergoed, maar voor rekening van de verzekerde blijft.

Individuele verzekering

Verzekering waarvoor je zelf kan kiezen, zoals een aanvullende tandartsverzekering.

Moral hazard (moreel wangedrag)

Het verschijnsel dat mensen zich risicovoller gaan gedragen zodra ze een verzekering hebben afgesloten.

Premiedifferentiatie

Een verschillende premie vragen aan verschillende doelgroepen voor dezelfde verzekering, op basis van bijvoorbeeld leeftijd of geslacht.

Sociale verzekering

Verzekering waar iedereen in de maatschappij aan mee moet doen, zoals de zorgverzekering.

Bonus-malussysteem

Systeem waarbij verzekerden die voorzichtig zijn en een aantal jaren geen schadeclaims invoeren worden beloond met een lagere premie.

Solidariteit

Het principe dat iedereen dezelfde premie betaalt, ongeacht kenmerken als leeftijd, gezondheidstoestand of ziektekansen.

Verzekering

Contractuele overeenkomst die beschermt tegen de financiële gevolgen van een risico.

Eigen vermogen

Het eigen kapitaal van een onderneming, inclusief het aandelenkapitaal en de reserves.

Vreemd vermogen

Het vermogen dat door derden aan een onderneming beschikbaar is gesteld, oftewel alle schulden van een onderneming.

Onderpand

Iets dat je (tijdelijk) geeft aan iemand die iets aan jou uitleent, als zekerheid dat hij het terugkrijgt.

Principaal-agentrelaties

Relaties waarbij er sprake is van een agent die door een principaal wordt ingeschakeld om een bepaalde taak uit te voeren en er sprake is van asymmetrische informatie. De agent heeft een informatievoorsprong ten opzichte van de principaal.

Kapitaalmarkt

Het geheel van vraag naar en aanbod van financiële middelen met een lange looptijd.

Aandeel

Een bewijs van eigendom van een bedrijf.

Belegging

Een investering (van een consument) met als doel om er financieel voordeel uit te behalen.

Obligatie

Een effect in de vorm van een schuldbewijs, met een vaste looptijd en rente.

Rendement

De opbrengst van een investering of belegging, welke kan worden uitgedrukt in geld of als percentage van het beginbedrag.