COMPOSITIE / ORDENING
Asymmetrie = niet gelijk
Centraal = in het midden
Diagonaal = schuin
Driehoeks = Een compositie waarbij een duidelijke tweedeling van een diagonale beeld as over het vlak is aangebracht
Dynamisch = bewegelijk
Harmonie = rust
Horizontaal = waterpas met de horizon
Herhaling = patroon dat terug komt
Over-all = algemeen
Symmetrie = gelijk
Richting = een kant die iets op gaat
Ritme = wanneer een of meerdere elementen min of meer regelmatig worden herhaald
Verticaal = loodrecht / 90 graden op de horizon
Beeldvlak = de ruimte waarin beeldelementen worden geplaatst
Kader = gedeelte waar het werk in staat
Plaatsing = plek op canvas
Statisch =een compositie waar geen beweging in zit
Uitsnede = is het resultaat van het wegsnijden van de buitenste delen van een beeld
Vlakverdeling = als een werk in vlakken is verdeeld