Begrippen
1.1
Glucose = Stof die veel energie bevat, met behulp van deze energie worden allerlei andere stoffen gemaakt
Stofwisseling = Het omzetten van stoffen in andere stoffen
Mitochondriën = Celorganel dat glucose afbreekt
1.2
Verbranding = De afbraak van glucose in cellen
Brandstof = Stof die verbrandt, die je nodig hebt voor verbranding
Warmbloedig = Dieren waarvan de lichaamstemperatuur constant is
Koudbloedig = Dieren waarvan de lichaamstemperatuur ongeveer gelijk is aan de omgevingstemperatuur
Isolatie = Een (vet)laag dat warmbloedige dieren warm houdt
Winterslaap = Een lange periode waarbij de lichaamstemperatuur daalt en de stofwisseling vertraagt
Trek = Het wegtrekken van een groep dieren naar warmere gebieden
1.3
Bronchiën = Deel van het ademhalingsstelsel waarin de luchtpijp zich vertakt
Middenrif = Een stevig, gespierd vlies dat de romp verdeelt in de borstholte en de buikholte
Neusslijmvlies = Slijmvlies in de neus dat uit slijmproducerende cellen bestaat
Trilharen = Organellen die slijm (met stofdeeltjes) van de neus naar de keelholte verplaatsen
Strotklepje = Klepje dat de luchtpijp aflsuit als je voedsel inslikt
Huig = Klepje dat de neusholte aflsuit als je voedsel inslikt
Luchtpijp = Een holle buis die aansluit op de onderkant van het strottenhoofd
Longblaasjes = ‘Trosjes‘ met kleine bloedvaatjes aan het uiteinde van de luchtpijptakjes
Longhaarvaten = Een netwerk van kleine bloedvaatjes rondom de longblaasjes
1.4
Gaswisseling = De opname en afgifte van zuurstof en koolstofdioxide via de longblaasjes
Ademhalingsspieren = De spieren die nodig zijn om adem te halen
Borstademhaling = Ademhaling waarbij de ribben en het borstbeen bewegen
Buikademhaling = Ademhaling waarbij het middenrif en de buikwand bewegen
1.5
Smog = Luchtvervuiling die vooral bestaat uit fijnstof
Ventilatie = Het vervangen van oude lucht met verse lucht
Hooikoorts = Allergie voor stuifmeelkorrels
1.6
Tracheeën = Sterk vertakte buisjes in het lichaam van een insect
Stigma’s = Openingen waardoor lucht de tracheeën instroomt
Kieuwen = Organen waarmee vissen zuurstof opnemen vanuit het water
Kieuwholten = Plaats achter de kop waar de kieuwen in liggen
Kieuwdeksels = Platen die de kieuwholten bedekken
Kieuwboog = Deel van de kieuw waar kieuwplaatjes aan vastzitten
Kieuwplaatjes = Deel van de kieuw waar kieuwlamellen aan vastzitten
Kieuwlamellen = Deel van de kieuw met daarin een netwerk aan bloedvaten waar zuurstof wordt opgenomen
Tegenstroomprincipe = Stoffen bewegen in de tegenovergestelde richting, waardoor de uitwisseling van stoffen beter gaat
Luchtzakken = Zakken aan de voor- en achterkant van de longen van vogels
1.7
Nicotine = Stof in sigaretten die ervoor zorgt dat mensen verslaafd raken aan roken
Teer = Een stof in tabaksrook die schadelijk is voor de longen
Koolstofmonoxide = Een gas dat, wanneer het in je bloed wordt opgenomen, ervoor zorgt dat er minder zuurstof opgenomen kan worden
Passief roken (meeroken) = Rook inademen die door een ander is uitgeblazen
Geestelijk afhankelijk = Verlangen naar een (verslavend) middel
Gewenning = Steeds meer nodig hebben van een (verslavend) middel om hetzelfde effect te ervaren
Lichamelijk afhankelijk = Verslaving aan een stof, waarbij je lichaam protesteert als je de stof niet binnenkrijgt
THC = De stof in cannabis waar je stoned of high van wordt
CBD = Een stof in cannabis die de werking van THC beïnvloedt
Stoned = Effect van cannabis waarbij je lui en ontspannen wordt
High = Effect van cannabis waarbij je energiek en vrolijk wordt
1.8
Schildkraakbeen = Kraakbeen aan de voorkant van het strottenhoofd
Stembanden = Vliezen in het strottenhoofd die in trilling kunnen worden gebracht
Tongbeen = Botje waaraan de spieren van de tong zijn bevestigd
Bekerkraakbeentjes = Botjes in het strottenhoofd die het mogelijk maken dat de stembanden naar elkaar toe of van elkaar weg bewegen
Stemspleet = Opening tussen de stembanden