frans
La liste des verbes irréguliers et leurs traductions Verbes irréguliers types Traduction Dérivés Traduction 1.Acquérir verwerven conquérir veroveren 2.Aller gaan 3.S’asseoir gaan zitten 4.Battre slaan, kloppen se battre combattre vechten bekampen/vechten 5.Boire drinken 6.Bouillir koken (aan de kook brengen) 7.Conclure besluiten exclure inclure uitsluiten invoegen 8.Conduire rijden met, besturen construire détruire déduire introduire produire traduire (op)bouwen vernietigen afleiden inleiden produceren vertalen 9.Connaître kennen apparaître disparaître paraître reconnaître verschijnen verdwijnen schijnen/lijken herkennen 10.Coudre naaien recoudre opnieuw (aan)naaien 11.Courir lopen parcourir secourir doorkruisen/doornemen ter hulp komen (redden) 12. Couvrir (be)dekken découvrir offrir ouvrir souffrir ontdekken aanbieden openen lijden 13. Craindre vrezen atteindre éteindre joindre peindre plaindre se plaindre (de) bereiken uitdoen/doven verbinden schilderen klagen klagen (over) 14.Croire geloven 15.Cueillir plukken accueillir ontvangen/onthalen 16.Cuire bakken, braden 17.Devoir moeten 18.Dire zeggen interdire prédire maudire verbieden voorspellen vervloeken 19.Ecrire schrijven décrire prescrire inscrire beschrijven voorschrijven inschrijven 20.Envoyer zenden 21. Faire doen défaire refaire satisfaire à losmaken herhalen/opnieuw maken voldoen aan 22. Falloir moeten 23. Fuir vluchten 24. Haïr haten 25. Joindre aansluiten rejoindre zich voegen bij 26. Lire lezen élire relire verkiezen (>verkiezingen) herlezen 27. Mettre plaatsen admettre commettre permettre promettre remettre toelaten begaan toestaan beloven overhandigen/uitstellen 28. Mourir sterven 29. Mouvoir bewegen émouvoir ontroeren 30. Naître geboren worden 31. Nuire benadelen 32. Ouvrir openen couvrir découvrir offrir souffrir bedekken ontdekken aanbieden lijden 33. Plaindre beklagen se plaindre de klagen (over) 34. Plaire behagen 35. Pleuvoir regenen 36. Pouvoir mogen Puis-je ? mag ik? 37. Prendre nemen apprendre comprendre entreprendre surprendre leren begrijpen ondernemen verrassen 38. Résoudre oplossen 39. Rire lachen sourire glimlachen 40. Rompre verbreken interrompre onderbreken 41. Savoir weten 42. Suffire volstaan 43. Suivre volgen poursuivre achtervolgen 44. Se taire zwijgen 45. Tenir (vast)houden appartenir à contenir entretenir maintenir obtenir retenir soutenir toebehoren aan bevatten onderhouden volhouden verkrijgen onthouden/weerhouden ondersteunen 46. Vaincre overwinnen convaincre overtuigen 47.Valoir waard zijn, gelden 48. Venir komen convenir devenir intervenir prévenir revenir se souvenir de passen (goed uitkomen) worden tussenkomen verwittigen/voorkomen terugkomen zich herinneren 49.Vivre leven, wonen survivre à overleven 50. Voir zien prévoir revoir voorzien terugzien 51. Vouloir willen