Alles



Marketingplanning examen

Hoofdstuk 1

-Effectieve vraag: De concrete vraag naar een product, aantal producten dat daadwerkelijk

wordt verkocht.

-Potentiële vraag: Vraag is nog niet effectief, bijv. het is niet zo iedereen die in dat jaar een

auto had kunnen kopen, dat ook werkelijk heeft gedaan.

-Generieke vraag: Het streven naar het bevredigen van een behoefte, bijv. behoefte vervoer.

-Primaire vraag: Vraag naar een eind product, vraag naar een bepaald product in een

bepaalde periode, bijv. vraag naar auto’s in een bepaald jaar.

-Afgeleide vraag: Is afgeleid van de primaire vraag en is een rechtstreeks gevolg. Vraag naar

bijv. onderdelen van een auto.

-Secundaire vraag: Vraag naar bijv. jouw merk auto’s. Ook wel marktaandeel, kan ook in

percentage aangegeven worden.

-Initiële vraag: Kopers die een product voor het eerst aanschaffen, bijv. wanneer iemand nog

geen auto bezit en op een bepaald moment besluit een auto aan te schaffen.

-Vervangingsvraag: Een product vervangen, je beschikt al over een auto maar die gaat stuk.

-Additionele vraag: Als een product al aanwezig is maar er nog een hetzelfde product wordt

aangeschaft, bijv. een tweede auto kopen.

-Inhaalvraag: Aankoop die uitgesteld is inhalen.

-Penetratiegraad: Geeft aan welk percentage van de totale bevolking of van het aantal

huishoudens een bepaald product bezit.

-Cumulatieve penetratie: (Bezitsgraad) Alle personen of huishoudens die een bepaald

product een keer gekocht hebben, hoeft niet op het moment van de meting in huis te zijn.

-Macro-economie: Economie van een land als geheel, economie op grote schaal (landelijk).

-Micro-economie: Afzonderlijke bedrijven en afzonderlijke huishoudens.

-Meso-economie: Heeft betrekking op een bepaalde bedrijfstak of branche.

-Verkopersmarkt: Macht ligt bij de verkopers, zij bepalen de prijs. Meer vraag dan aanbod.

-Kopersmarkt: Kopers hebben de macht, er is meer aanbod dan vraag. Marketing en

promotie zijn in deze fase van groot beland.

-Monopolie: Bedrijf dat enige aanbieder van een product of dienst is en die geen

concurrentie heeft.

-Homogeen oligopolie: Markt met veel vragers en een beperkt aantal aanbieders, alle

aanbieders verkopen dezelfde producten of diensten. Je kunt hier geen te hoge prijs vragen,

aanbieders houden elkaar scherp in de gaten (grondstoffen, ruwe olie, staal, cacao, suiker)

-Kartel: Er worden onderlinge prijsafspraken gemaakt, een overeenkomst tussen het aantal

aanbieders van gelijksoortige producten. Dit is in het algemeen verboden.

-Heterogeen oligopolie: Markt met veel vragers en een beperkt aantal aanbieders,

verschillende producten. Je kunt hiervoor verschillende prijzen vragen (smartphones).

-Monopolistische concurrentie: Markt met veel aanbieders en heterogene producten.

-Volledige mededinging: Markt met veel aanbieders en vragers en homogene producten

(groenten, fruit, granen).

-C4-index: Gezamenlijke marktaandeel van de vier grootste aanbieders.

Document gaat hieronder verder