economie

1.1

Kun jij kopen wat je wilt?

Je leert in deze paragraaf:

  • wat het verschil is tussen primaire behoeften en secundaire behoeften

  • wat het bij economie betekent als iets schaars is

  • wat welvaart is en hoe je welvaart kan toenemen

  • hoe je met een percentage een getal kunt uitrekenen

Heb je dat echt nodig?

Besef je weleens hoeveel behoeften je hebt? De noodzakelijke levensbehoeften zijn primaire behoeften, zoals voeding, kleding en woonruimte. Je noemt ze ook wel basisbehoeften.

Daarnaast heb je behoefte aan van alles wat je leven beter of prettiger maakt. Deze overige behoeften noem je secundaire behoeften.

Niet iedereen heeft dezelfde behoeften. Verschillen in behoeften worden onder andere veroorzaakt door: budget, leeftijd, gender, reclame en mensen in jouw omgeving zoals vrienden en familieleden.

Het is er niet vanzelf

Om in je behoeften te voorzien zijn er maar enkele goederen waar je zomaar over kunt beschikken. Dit is het geval bij vrije goederen, zoals frisse lucht, zonlicht en regenwater.

Alle andere goederen noem je in de economie schaars, omdat ze niet onbeperkt beschikbaar zijn. Er zijn middelen nodig om ze te maken. Schaars is in de economie dus niet hetzelfde als zeldzaam. Brood is niet zeldzaam, want er is best veel van. Brood is wel schaars, want het is er niet vanzelf. Boeren gebruiken hun tijd en hun land om graan te telen. Graan wordt gemalen en bakkers maken er brood van. Door het inzetten van dit soort middelen moet je voor schaarse goederen een prijs betalen. Als goederen schaarser worden, gaat de prijs ervan omhoog.

In meer behoeften voorzien

Welvaart is de mate waarin je in je behoeften kunt voorzien. Je welvaart neemt toe als je inkomen stijgt, want dan kun je meer kopen en in meer behoeften voorzien.

Omdat vrijwel alle goederen schaars zijn, moet je prioriteiten stellen. Je bepaalt dan welke behoeften jüj het belangrijkst vindt en waar jj je tijd en geld aan wilt besteden. Door het maken van de juiste keuzes kun je beter in je behoeften voorzien. Daarmee neemt je welvaart toe.

Ook door zelfvoorziening kan je welvaart toenemen. Je kunt bijvoorbeeld zelf je fietsband plakken of een taart bakken. Hiermee voorzie je in een behoefte zonder iets te kopen.

1.≥ Hoe word je beinvloed?

Je leert in deze paragraaf:

  • hoe bedrijven proberen je meer te laten kopen

  • welke verschillende soorten reclame je kunt onderscheiden

  • dat bedrijven zich bij de verkoop op bepaalde groepen richten

  • wat voor merken er zijn

  • hoe je een percentage kunt berekenen

Wie bepaalt wat jjj koopt?

Koop jij graag merkkleding? Geef jij meer uit aan hobby's of aan kleding? In wat voor winkels koop jüj het liefst? Dit alles zegt iets over jouw koopgedrag.

Je koopgedrag wordt beinvloed door mensen in je omgeving, zoals familie of vrienden. Je noemt dit sociale invloed. Als fabrikanten en winkeliers je proberen over te halen om iets te kopen, is dat commerciële invloed.

Bedrijven doen er alles aan om hun product te verkopen. Dit noem je marketing. Daarbij maken zij gebruik van marketinginstrumenten. Deze kun je onthouden als de 6 P's: productbeleid, prijsbeleid, plaatsbeleid, promotiebeleid, personeelsbeleid en presentatiebeleid. Als de 6 P's in combinatie met elkaar worden ingezet, noem je dat de marketingmix.

Reclame heeft een doel

Met reclame wordt je aandacht gevraagd voor een product of boodschap.

De reclame door winkeliers en fabrikanten is commerciële reclame. Die is erop gericht om meer producten te verkopen om daarmee geld te verdienen.

Commerciële reclame kun je onderverdelen in:

  • informatieve reclame met als doel: informatie geven over de eigenschappen en de prijs van een product;

  • merkreclame met als doel: een positieve indruk geven van het merk en de merknaam bekender te maken.

Naast commerciële reclame bestaat er ook ideële reclame. Die is bedoeld om mensen te laten nadenken over hun ideeën zodat zij hun gedrag veranderen.

Ideële reclame wordt onder andere door de overheid gebruikt. Die werkt daarbij vaak samen met SIRE (Stichting Ideële Reclame).

Voor wie is het bestemd?

Kijk maar om je heen

Hloud jc ogen heel goed open

Vind je lichtpuntjc en durf te hopen

Bij marketing moet je bepalen voor wie een product of een boodschap

bedoeld is. Dit noem je de doelgroep. Voor veel bedrijven züjn jongeren een belangrijke doelgroep, want:

  • jongeren hebben vaak veel geld vrij te besteden

  • jongeren hebben thuis invloed op wat er wordt gekocht als ze eenmaal klant zijn, blijven ze ook in de toekomst vaak klant

Welk merk kies je?

Bij productbeleid spelen merken een grote rol. Zo zijn er A-, B- en huismerken.

  • Een A-merk is een algemeen bekend merk met een goede naam en straalt kwaliteit uit.

  • Een B-merk wordt ook wel een budgetmerk genoemd. Het is goedkoper en minder bekend dan een A-merk, maar de kwaliteit hoeft niet minder te zijn.

  • Een huismerk is van een winkelketen en wordt alleen in eigen winkels verkocht.

Hoeveel procent is het?

Is € 30 korting veel? Op een prijs van € 900 niet, op een prijs van € 75 wel. se kunt de bedragen in verhouding tot elkaar bekijken door ze uit te drukken in procenten. Een percentage kun je op twee manieren berekenen, De eerste manier gaat het snelst. Maar je kunt ook een verhoudingstabel gebruiken.

1,3 Je inkomsten

Je leert in deze paragraaf:

  • hoe je conclusies kunt trekken uit een begroting

  • welke drie soorten inkomens er zijn

  • hoe je gezinsuitgaven in drie groepen kunt indelen

  • hoe je bedragen kunt omrekenen van maand naar week en omgekeerd

  • hoe je een reservering kunt berekenen

Heb je grip op je geld?

Heb je moeite om uit te komen met je geld? Dan kun je advies krijgen van het Nibud, het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting.

Het op elkaar afstemmen van je inkomsten en uitgaven noem je budgetteren.

Als hulpmiddel bij het budgetteren kun je een begroting opstellen. Je maakt dan een overzicht van je verwachte inkomsten en verwachte uitgaven voor de komende periode. Zo kun je zien of je geld tekortkomt en moet bezuinigen.

Of je houdt geld over en kunt sparen.

Verschillende soorten inkomens

De meeste mensen hebben als inkomen loon. Omdat ze daarvoor hebben gewerkt, is loon een inkomen uit arbeid. Je kunt ook inkomen uit bezit hebben, zoals huur en rente. Als je inkomen krijgt zonder dat je er iets voor moet doen, zoals een uitkering, dan heb je een overdrachtsinkomen.

Inkomen krijg je gewoonlijk in de vorm van geld. Maar als je beloond wordt in de vorm van goederen of diensten, dan is dat een inkomen in natura.

Waar gaat je geld naartoe?

Om overzicht te houden over je uitgaven, adviseert het Nibud om die als volgt

in te delen.

  • Dagelijkse uitgaven of huishoudelijke uitgaven: alledaagse uitgaven zoals in de supermarkt, voor persoonlijke verzorging, cadeautjes en uitgaan.

  • Vaste lasten: de uitgaven die je met een vaste regelmaat moet betalen, zoals gas en elektra, huur of hypotheek, verzekeringen en abonnementen.
    Je betaalt ze bijvoorbeeld eens per maand, per kwartaal of per jaar.

  • Incidentele uitgaven: grotere uitgaven die je niet zo vaak doet en niet met een vaste regelmaat. Bijvoorbeeld voor huishoudelijk apparaten, vakanties of kleding. Het is belangrijk om hiervoor geld opzij te zetten.

Van week naar maand en andersom

Vaste lasten betaal je soms eens per week, soms eens per maand. Als je de uitgaven goed met elkaar wilt vergelijken, moet je ze omrekenen naar een zelfde periode. Bij het omrekenen bereken je als tussenstap altijd het bedrag per jaar. Je kunt hierbij een verhoudingstabel gebruiken.

Geld opzijzetten

Als je in de toekomst grote uitgaven verwacht, is het verstandig om geld te reserveren. Je zet dan geld opzij waarvan je later bepaalde uitgaven kunt betalen.

Hoeveel je maandelijks moet reserveren, bereken je als volgt.

1.4 alles word duurder

Je leert in deze paragraaf:

• hoe je een verandering in procenten kunt berekenen

• wat inflatie is

• wat de gevolgen van inflatie zijn voor je koopkracht

•hoe inflatie met indexcijfers berekend wordt

• hoe je berekeningen maakt met behulp van indexcijfers

Een stijging of daling in procenten

Prijzen van goederen en diensten, maar ook lonen kunnen stijgen of dalen.

Een stijging in euro's zegt nog niet zo veel. Eén euro stijging telt harder mee op een prijs van € 5 dan op een loon van € 1.500. Daarom kun je zơn verandering beter in procenten uitdrukken.

Een verandering in procenten kun je met onderstaande formule berekenen.

Hoeveel het eerst was, is 'oud'. Hoeveel het later is, is 'nieuw'.

Stijgen of dalen de prijzen?

In ons land worden prijsstijgingen en prijsdalingen onderzocht door het

CBS (Centraal Bureau voor de Statistiek). Het CBS verzamelt nog veel meer informatie, onder andere over economische onderwerpen.

Een algemene stijging van de prijzen noem je inflatie. Het gevolg van inflatie is dat je voor hetzelfde bedrag na een tijdje minder kunt kopen dan eerst. Je geld wordt hierdoor minder waard.

Het omgekeerde van inflatie heet deflatie. Bij deflatie is er een algemene daling van de prijzen.

Hoeveel kun je kopen met je geld?

Veranderingen van prijzen en inkomens hebben gevolgen voor je koopkracht.

De koopkracht geeft aan hoeveel goederen en diensten je met je inkomen kunt kopen. Als je loon in procenten meer stijgt dan er inflatie is, neemt je koopkracht toe.

Met meer koopkracht neemt je welvaart toe, want je kunt in meer behoeften voorzien dan daarvoor.

Cijfers vergelijken

Hoe je koopkracht zich ontwikkelt, hangt af van de veranderingen van prijzen en lonen. Door indexciifers te gebruiken kun je deze veranderingen makkelijker vergelijken. Een indexcijfer laat een procentuele verandering zien ten opzichte van een afgesproken periode. De afgesproken periode noem je het basisjaar. Het basisjaar krijgt altijd het indexcijfer 100.

Stel dat 2020 het basisjaar is. Dit jaar zijn de lonen 6% hoger dan in 2020.

Het indexcijfer van de lonen is dan dit jaar 106.

Indexcijfers berekenen

Indexcijfers kun je zelf ook berekenen met onderstaande formule. Als je het makkelijker vindt om een verhoudingstabel te gebruiken, kan dat ook.