Evidence-Based Professional: EBP, Onderzoek en AI-integratie

Definities en Fundamenten van Evidence-Based Practice (EBP)

  • Evidence-Based Professional (EBP): De definitie van EBP is het op een zorgvuldige, uitvoerige en deskundige wijze gebruikmaken van het best beschikbare huidige bewijsmateriaal bij het nemen van beslissingen over de zorg voor een individuele pati!nt.

  • Integratie: EBP integreert klinische expertise met het best beschikbare klinische bewijsmateriaal dat is ontleend aan systematisch onderzoek.

  • De drie pijlers van EBP:

    • Informatie uit wetenschappelijk onderzoek.

    • Klinische ervaring, inzicht en kennis van de zorgprofessional (ZP).

    • Voorkeuren, ervaringen en verwachtingen van de pati!nt (P).

  • Evidence-Based Medicine (EBM): Gebaseerd op dezelfde theorie als EBP, maar specifiek beperkt tot de geneeskunde.

  • Evidence-Based Nursing (EBN): Specifieke term voor het toepassen van evidence-based werken binnen de verpleegkunde.

  • Historische Ontwikkeling:

    • Gordon Guyatt (19911991): Gebruikte voor de eerste keer de term 'EBM'.

    • Authority Based Medicine: De periode v""r EBM, waarin beslissingen hoofdzakelijk werden genomen op basis van de kennis en ervaring van de behandelende arts.

    • Paternalistische relatie: Een relatie waarbij de arts bepaalt wat het beste is voor de pati!nt, waardoor de pati!nt weinig keuzevrijheid heeft en slechts wordt ingelicht wanneer de arts dit nodig acht.

  • Wet op de Geneeskundige Behandelingsovereenkomst (WGBO, 19951995):

    • Legt rechten en plichten vast voor zowel zorgprofessionals als pati!nten.

    • ZP moeten de pati!nt inlichten over onderzoek, behandeling en diagnose.

    • Behandelingen mogen niet zonder uitdrukkelijke toestemming van de pati!nt worden uitgevoerd.

  • Sackett's visie: Volgens Sackett moet het beste bewijsmateriaal uit wetenschappelijk onderzoek gecombineerd worden met de kennis en ervaring van de zorgprofessional.

De EBP-methode en Concepten van Bewijs

  • De vijf stappen van de EBP-methode:

    1. Vertaal een klinisch probleem naar een beantwoordbare vraagstelling.

    2. Zoek bewijsmateriaal dat de vraagstelling zo goed mogelijk kan beantwoorden.

    3. Beoordeel het gevonden bewijsmateriaal op kwaliteit en toepasbaarheid.

    4. Vertaal het resultaat van het onderzoek naar een geschikte toepassing in de praktijk.

    5. Evalueer het resultaat en de toepassing in de praktijk en houd bij of er nieuwe onderzoeken verschijnen.

  • Bewijs versus Bewijsmateriaal:

    • Bewijs: Een bewering die onweerlegbaar is vastgesteld (zwart-wit). Het zal in de toekomst niet veranderen door andere inzichten.

    • Bewijsmateriaal: Een aanwijzing die in een bepaalde richting wijst. Het is niet onomstotelijk en kan een bewering slechts gedeeltelijk vaststellen. In de medische wereld spreekt men over bewijsmateriaal omdat onomstotelijk bewijs vaak onmogelijk is.

  • Groepsgemiddelden versus Individu: Onderzoeksuitkomsten zijn vaak gebaseerd op het gemiddelde effect bij een groot aantal proefpersonen. Bij een individuele pati!nt kan men enkel een uitspraak doen over het verwachte effect.

  • Verschillende vormen van 'Medicine':

    • Practice Based Medicine (PBM): Kennis en ervaring van de ZP staan centraal. Risico: kan te veel overheersen, waarbij landelijke richtlijnen worden genegeerd.

    • Preference Based Medicine (PBM): Wensen van de pati!nt staan centraal. Risico: beslissingen kunnen tegen het eigen belang of tegen de normen van de ZP ingaan.

    • Real Evidence Based Practice: De synthese van EBP, Practice Based Medicine en Preference Based Medicine.

Rol van de Pati!nt: Ervaringskennis en Participatie

  • Abraham Maslow (19601960): De eerste psycholoog die aandacht gaf aan ervaringskennis.

  • Ervaringskennis: De voorkeuren, ervaringen en verwachtingen van de pati!nt. Het zijn inzichten ontwikkeld op basis van reflectie op concreet ervaren beperkingen.

  • Drie soorten ervaringskennis:

    • 'Weten hoe': Vaardigheden aangeleerd door de ziekte.

    • 'Weten dat': Feitelijke en wetenschappelijke kennis over de ziekte (symptomen, prognose).

    • 'Vertrouwd zijn met': Persoonlijke ervaringen met de ziekte en de zorg daaromheen.

  • Vormen van ervaringskennis: Kan gericht zijn op de ziekte zelf, op de pati!nt (persoonlijke betekenis) of op de verhouding tussen individu, ziekte en maatschappij.

  • Ervaringsdeskundigheid: Het in de praktijk inzetten en uitwisselen van ervaringskennis met anderen (bijv. lotgenoten).

  • Pati!ntenparticipatie: Het combineren van de ervaringsdeskundigheid van pati!nten met de wetenschappelijke en ervaringskennis van zorgprofessionals om gezamenlijk een besluit te nemen.

  • Wettelijk kader participatie:

    • WGBOWGBO (19951995).

    • Wet klachtrecht cli!nten zorgsector (WKCZWKCZ, 19951995).

    • Wet medezeggenschap cli!nten zorginstellingen (WMCZWMCZ, 19961996).

    • Kwaliteitswet zorginstellingen (KZIKZI, 19961996).

    • Wet marktordening gezondheidszorg (WMGWMG, 20062006).

  • De Participatieladder:

    1. Informeren: ZP neemt beslissingen, P wordt ingelicht.

    2. Raadplegen: ZP vraagt mening van P, maar behoudt de keuze.

    3. Adviseren: ZP neemt mening P mee in het (niet-bindende) besluit.

    4. Partnerschap: Gelijkwaardige relatie, gezamenlijk besluit.

    5. Regie bij de pati!nt: P bepaalt, ZP adviseert.

  • Kwaliteit van ervaringskennis beoordelen:

    • Geloofwaardigheid: Is het beeld realistisch en niet enkel gebaseerd op verwachtingen?

    • Verplaatsbaarheid: Zijn resultaten toepasbaar in een andere context?

    • Plausibiliteit: Hoe aannemelijk is de kennis gezien de huidige informatie?

    • Verifieerbaarheid: Kan de kennis op inhoud worden nagekeken?

Rol van de Zorgprofessional: Professionele Kennis

  • Professionele kennis: De bundeling van wetenschappelijke kennis, persoonlijke kennis en ervaring/vaardigheden.

  • Expliciete kennis: Gedocumenteerde feitenkennis die eenvoudig overdraagbaar is (bijv. uit een boek).

  • Impliciete kennis: Vaardigheden en ervaringen die moeilijk over te dragen of te verwoorden zijn.

  • Professionele evidence: Het proces waarbij impliciete kennis expliciet wordt gemaakt door documentatie en toetsing.

  • Expert Opinion: Het vertrouwen op de mening van een individuele expert. Dit helpt het gat tussen onderzoek en individuele zorg te overbruggen.

  • Best Practice: Beslissingen op basis van consensus tussen deskundigen wanneer wetenschappelijk bewijs ontbreekt.

  • PDCA-cyclus: Wordt gebruikt bij Best Practice: Plan (besluit), Do (uitvoeren), Check (evalueren), Act (bijsturen).

Het Onderzoeksproces: Van Klinisch Probleem naar Rapportage

  • Fasering van onderzoek:

    1. Waarneming klinisch probleem: Onderwerpkeuze uit de praktijk.

    2. Literatuuronderzoek: Voorkomen van dubbel onderzoek; zoeken van algemeen naar specifiek.

    3. Inductiefase: Ontwikkelen van een theorie (samenhangend geheel van verklaringen) op basis van waarnemingen.

    4. Onderzoeksvraag-criteria: Onderzoekbaar, Volledig, Eenduidig, Enkelvoudig, Relevant, Eenvoudig, Correct geformuleerd.

    5. Hypothesevorming:

      • Onderzoekshypothese (alternatieve hypothese): Verwacht wel een verschil/effect.

      • Nulhypothese: Verwacht geen verschil/effect.

    6. Deductie: Het afleiden van een hypothese uit een theorie.

  • Variabelen:

    • Afhankelijke / Uitkomstvariabele: Waar het onderzoek om draait.

    • Onafhankelijke variabele / Determinant: Be!nvloedt de afhankelijke variabele direct.

    • Intermediaire variabele: Zit tussen de afhankelijke en onafhankelijke variabele in.

    • Verstorende variabele (Confounder): Kan beide variabelen be!nvloeden.

    • Effect-modificerende variabele: Be!nvloedt de relatie tussen variabelen.

    • Beschrijvende variabele: Geeft context (geen invloed op uitkomst).

  • Populatie:

    • Inclusiecriteria: Voorwaarden voor deelname.

    • Exclusiecriteria: Redenen voor afwijzing.

  • Ethische toetsing: Het onderzoeksplan moet goedgekeurd worden door de Medisch Ethische Toetsingscommissie (METCMETC) volgens de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen (WMOWMO).

  • Informed Consent: Verplichte inlichting over risico's en schriftelijke instemming van de deelnemer.

  • Empirische cyclus en spiraal: Het continu bijstellen van theorie!n door herhaaldelijk onderzoek.

  • Onderzoeksrapport opbouw: Titel, Abstract, Inleiding, Methode, Resultaten, Discussie (interpretatie).

Kwalitatief Onderzoek

  • Kenmerken: Gericht op het begrijpen van fenomenen in hun natuurlijke omgeving, flexibele opzet, hypothese als uitkomst, patroonherkenning.

  • Etnografie (Antropologie): Bestuderen van cultuur (woorden, gedrag, producten).

    • Emisch perspectief: Visie van de 'insider'.

    • Ethisch perspectief: Visie van de 'outsider'.

    • Holistische beschrijving: Beschrijving van de groep als geheel.

  • Fenomenologie: Begrijpen van de essentie van een ervaring.

    • Bracketing: Uitsluiten van eigen vooroordelen van de onderzoeker.

    • Descriptief (Husserl): Zuivere beschrijving van beleving.

    • Interpretatief / Hermeneutiek (Heidegger): Focus op de interpretatie.

  • Grounded Theory (Sociologie): Menselijk gedrag begrijpen 'from the ground up'.

    • Stappen: Open coderen, conceptualisering, identificeren core variabele, selectief coderen, verzadiging (nieuwe data leidt niet tot nieuwe inzichten).

    • Constant comparison: Voortdurend vergelijken van oude en nieuwe bevindingen.

  • Case Studies: Diepgaande analyse van !!n of enkele cases.

  • Dataverzamelingsmethoden:

    • Interviews: Ongestructureerd (diepte-interview), semigestructureerd (vaste onderwerpen), gestructureerd (vaste vragen), focusgroep (5105-10 personen).

    • Participant observation: De onderzoeker neemt deel.

    • Notities: Beschrijvende (feitelijk) en reflectieve (theoretisch, methodologisch, persoonlijk).

Kwantitatief Onderzoek

  • Kenmerken: Numerieke uitkomsten, objectief, vergelijkbaar, reductionistisch (complexe zaken terugbrengen naar elementen), generaliseerbaar.

  • Onderzoek zonder interventie (Observationeel): Beschrijven van frequentie of verbanden zonder actieve ingreep.

  • Onderzoek met interventie (Experimenteel):

    • Interventiegroep versus Controlegroep (placebo of standaardzorg).

    • Randomisation: Willekeurige verdeling om toeval te beperken.

    • Randomised Controlled Trial (RCT): De gouden standaard met voor- en nameting.

    • Blindering: Enkelblind (deelnemer weet niets) of dubbelblind (beide weten niets).

  • Tijdsperspectief: Prospectief (toekomst volgen) of retrospectief (terugkijken in data).

  • Hawthorne-effect: Gedragsverandering van mensen omdat ze weten dat ze geobserveerd worden.

  • Dataverzameling: Enqu!tes, gesloten vragenlijsten.

  • Schalen:

    • Likertschaal: Mate van eens/oneens met een stelling.

    • VAS-schalen: Antwoord aanduiden op een visuele lijn.

Richtlijnen, Protocollen en Kwaliteitsinstrumenten

  • Richtlijn: Landelijk, adviserend instrument gebaseerd op wetenschappelijk bewijs ter ondersteuning van besluitvorming.

  • Protocol: Lokaal, handleiding met exacte stappen voor de praktijk.

  • Zorgstandaard: Landelijk, beschrijft minimale multidisciplinaire zorg vanuit pati!ntenperspectief en ondersteunt zelfmanagement.

  • Zorgpad: Lokaal, gericht op samenwerking tussen vakgebieden en optimalisatie van het proces (wie doet wat, wanneer, waarom).

  • Fasen Richtlijnontwikkeling:

    1. Voorbereiding: Onderwerp, doelgroep, beperken van belangenverstrengeling.

    2. Ontwikkeling: Knelpuntanalyse (ZP, P, verzekeraars), opstellen uitgangsvragen, literatuuronderzoek door minstens 22 onafhankelijke onderzoekers.

    3. Afronding: Conceptrichtlijn, commentaarronde, autorisatie, implementatieplan.

  • Kosteneffectiviteit: Verhouding tussen gezondheidswinst en kosten.

  • Kennislacune: Ontbrekend, tegenstrijdig of kwalitatief laag bewijs.

  • Kwaliteit beoordelen:

    • AGREE-2: 2323 kwaliteitseisen verdeeld over 66 domeinen.

    • GRADE: Methode voor het graderen van de kracht van aanbevelingen.

Artifici!le Intelligentie (AI) in de Zorg

  • Werkingsprincipes: AI leert uit data-patronen en werkt met waarschijnlijkheden; AI begrijpt de inhoud niet op menselijke wijze.

  • Hallucinaties: Het genereren van foutieve informatie met grote stelligheid.

  • Valkuilen: Autoriteitsbias (te veel vertrouwen op professioneel klinkende taal) en schijnzekerheid.

  • Privacy & AVG: De zorgprofessional blijft altijd verantwoordelijk voor ingevoerde persoonsgegevens. AI-tools zijn geen beveiligde archiefkasten.

  • Duurzaamheid: AI-gebruik heeft een grote ecologische voetafdruk door hoog energie- en waterverbruik (koeling datacenters).

  • Prompting Strategie (Stappen):

    1. Denk eerst zelf na over de behoefte.

    2. Geef context (niveau, doel).

    3. Stel gerichte, afgebakende vragen.

    4. Stuur vorm en toon (bijv. 'gebruik bullet points', 'maximaal 150150 woorden').

    5. Gebruik wetenschappelijke tools met bronnen.

  • CRAAP-criteria toegepast op AI:

    • Currency (Actualiteit): Kent het AI-model de meest recente richtlijnen?

    • Relevance (Relevantie): Past de output bij de specifieke zorgvraag en context?

    • Authority (Gezag): Zijn de beweringen gebaseerd op erkende bronnen/literatuur?

    • Accuracy (Juistheid): Controleer minstens 22 feiten via betrouwbare bronnen.

    • Purpose (Doel/Toon): Is de toon neutraal of sturend zonder nuance?

  • Perplexity AI: Een AI-gestuurde zoekmachine die bronnen citeert en samenvattingen maakt. Nuttig voor literatuurverkenning, maar niet vrij van hallucinaties en risico op plagi!ren.