Examen gedragswetenschappen
Persoonlijkheidspsychologie: Toepassingen
- Arbeids- en organisatiepsychologie:
- Gebruikt bij personeelsselectie om te bepalen welke kandidaten het beste bij een functie en organisatie passen.
- Klinische psychologie:
- Richt zich op onderzoek naar persoonlijkheidsstoornissen.
- Een persoonlijkheidsstoornis is een psychische stoornis waarbij bepaalde persoonlijkheidstrekken in extreme mate aanwezig zijn en het dagelijkse functioneren ernstig verstoren.
- Voorbeeld: borderline persoonlijkheidsstoornis.
Persoonlijkheidspsychologie: Visie op persoonlijkheid
- Twee soorten theorieën over persoonlijkheid:
- Klassieke psychologische stromingen
- Verklarend van aard.
- Proberen de oorzaak van iemands persoonlijkheid te achterhalen.
- Ontstaan vanuit de klinische psychologie en richten zich op de invloed van persoonlijkheid op psychisch lijden.
- Typologieën en trekkenbenaderingen
- Beschrijvend.
- Schetsen de kenmerken van een persoon en de verschillen tussen mensen.
Klassieke stromingen in de persoonlijkheidspsychologie
- Verschillende stromingen binnen de persoonlijkheidspsychologie leggen de nadruk op verschillende factoren die de persoonlijkheid beïnvloeden, zoals interne psychische processen en sociale interacties.
- Belangrijkste stromingen:
- Biologisch perspectief
- Psychoanalyse (Sigmund Freud)
- Sociaal-cognitieve theorieën
- Humanistisch perspectief (Abraham Maslow en Carl Rogers)
Biologisch perspectief
- Richt zich op biologische factoren die de basis van de persoonlijkheid vormen.
- Persoonlijkheidskenmerken zijn grotendeels aangeboren en beïnvloed door:
- De werking van de hersenen
- Neurotransmitters zoals dopamine
- Hormonen zoals testosteron
- Drie benaderingen:
- Neurobiologie: focus op zenuwstelsel en hersenwerking
- Gedragsgenetica: onderzoekt de relatie tussen genen en persoonlijkheidskenmerken zoals vriendelijkheid en verlegenheid
- Evolutionaire psychologie: bekijkt persoonlijkheid als een product van evolutionaire processen; bijvoorbeeld agressie als aangeboren neiging om de soort in stand te houden
Psychoanalyse (Sigmund Freud)
- Freud zag de eerste vijf levensjaren als cruciaal voor de psychoseksuele ontwikkeling en daarmee de basis van de persoonlijkheid.
- Hij verdeelde de menselijke geest in drie lagen:
- Bewuste: alles waarvan je je bewust bent (het topje van de ijsberg)
- Voorbewuste: zaken die je gemakkelijk kunt herinneren, net onder de oppervlakte
- Onbewuste: het grootste deel, bevat verdrongen gedachten, wensen, en agressieve en seksuele impulsen die je niet bewust zijn, maar wel gedrag beïnvloeden
Freud’s persoonlijkheidsstructuur
- De persoonlijkheid bestaat volgens Freud uit drie onderdelen:
- Es:
- Bevat biologische, agressieve en seksuele driften
- Werkt volgens het lustprincipe: vermijden van pijn en nastreven van direct plezier
- Is impulsief en zoekt onmiddellijke bevrediging, zoals een baby die honger heeft en direct wil eten
- Ich:
- Het rationele, bewuste zelfbewustzijn dat zich ontwikkelt bij peuters
- Werkt volgens het realiteitsprincipe, zoekt evenwicht tussen de driften van de Es en de eisen van de buitenwereld
- Bijvoorbeeld peuters leren te eten op vaste tijden, ook al willen ze zelf op andere momenten eten
- Über-Ich:
- Ontwikkelt zich rond vijf à zes jaar en vormt het geweten
- Bestaat uit normen, regels en idealen die het kind zich eigen heeft gemaakt
- Streeft perfectie na en kan het Ich onder druk zetten
- Bijvoorbeeld een kind dat anderen corrigeert bij het overtreden van regels
- De Ich speelt een bemiddelende rol tussen de impulsen van de Es en de morele eisen van de Über-Ich.
Visie op persoonlijkheid: Sociaal-cognitieve theorieën
- Oorsprong: Oorspronkelijke behavioristen geloofden niet in het bestaan van persoonlijkheid als iets intern. Voor hen was persoonlijkheid simpelweg een verzameling van gedragspatronen, aangeleerd via conditionering.
- Bandura’s visie: Albert Bandura breidde dit idee uit en stelde dat persoonlijkheid meer is dan alleen aangeleerd gedrag. Hij introduceerde het concept van wederzijds determinisme, waarbij drie factoren voortdurend op elkaar inwerken:
- Mentale processen (zoals overtuigingen, gedachten, verwachtingen) en persoonlijke eigenschappen
- Omgeving
- Gedrag
- Elk van deze elementen beïnvloedt en wordt beïnvloed door de andere twee.
- Voorbeelden:
- Overtuiging → gedrag & omgeving: Als iemand gelooft dat vaccineren belangrijk is (cognitie), kiest die persoon ervoor zich te laten vaccineren (gedrag) en zoekt hij betrouwbare informatie of mensen op die diezelfde overtuiging delen (omgeving).
- Omgeving → overtuiging: Als diezelfde persoon in een omgeving zit waar vaccinatie sterk wordt aangemoedigd en positief wordt bekrachtigd (bv. door erkenning of sociale goedkeuring), kan die omgeving zijn overtuiging versterken.
- Voorbeeld tijdens de coronapandemie: Iemand twijfelt over vaccinatie (mentale proces), maar besluit zich toch te laten vaccineren omdat zijn werkomgeving dat aanmoedigt (omgeving). Na positieve ervaringen en sociale aanvaarding verandert zijn houding tegenover vaccineren (gedrag beïnvloedt overtuiging).
- Iemand gelooft (cognitie) dat vaccineren belangrijk is → laat zich vaccineren (gedrag) → zoekt artsen of vrienden op die dat ook vinden (omgeving).
- Als de omgeving positief reageert op dat gedrag → wordt de overtuiging sterker.
Humanistisch perspectief (Abraham Maslow en Carl Rogers)
- De humanistische psychologie gaat ervan uit dat mensen gericht zijn op het vervullen van fundamentele behoeften.
- Ieder mens wil van nature groeien, zichzelf ontwikkelen, en zijn of haar mogelijkheden en talenten wil gebruiken.
- Een belangrijk begrip is zelfactualisatie: iemand probeert het beste uit zichzelf te halen en zijn echte ‘ik’ wil worden.
- De kern van je persoonlijkheid wordt gevormd door je bewuste ervaringen: hoe je de wereld ziet, wat je voelt, en hoe je jezelf beleeft.
- Psychische stoornissen ontstaan niet door iets dat ‘kapot’ is in je brein, maar omdat je niet goed met jezelf of je omgeving om kunt gaan.
- Volgens Maslow zijn er mensen die hij ‘zelfactualiserende persoonlijkheden’ noemt: gezonde mensen van wie de basisbehoeften vervuld zijn (zoals veiligheid en verbondenheid), en die daardoor vrij zijn om zichzelf verder te ontwikkelen.
Wat zijn typologieën?
- Typologieën zijn theorieën die mensen proberen in te delen in vaste types.
- Mensen hebben van nature de neiging om anderen in categorieën of types onder te brengen, omdat dat de werkelijkheid eenvoudiger en overzichtelijker maakt.
- Typologieën zijn oude psychologische theorieën die ervan uitgaan dat alle mensen in een beperkt aantal types passen.
- Volgens deze visie behoort iedere persoon tot maar één type, en dat bepaalt je persoonlijkheid.
De vier temperamenten van Hippocrates
- Hippocrates (ca. 460–370 v.Chr.) deelde mensen in op basis van de dominante lichaamsvloeistof in hun lichaam.
- Hij dacht dat deze vloeistoffen je temperament en persoonlijkheid bepaalden.
- Cholerisch (gele gal) → Ambitieus, energiek, dominant, snel geïrriteerd, wilskrachtig, impulsief
- Melancholisch (zwarte gal) → Pessimistisch, gevoelig, perfectionistisch, analytisch, terughoudend
- Sanguinisch (bloed) → Optimistisch, sociaal, spontaan, extravert, enthousiast
- Flegmatisch (slijm) → Kalm, geduldig, evenwichtig, vredelievend, betrouwbaar
- Deze theorie is niet wetenschappelijk onderbouwd, maar heeft wel veel invloed gehad op latere persoonlijkheidstheorieën.
Typologie van William Sheldon (jaren 1940)
- William Sheldon koppelde persoonlijkheidskenmerken aan iemands lichaamsbouw.
- Endomorf (zacht, rond lichaam) → Sociaal, ontspannen, gezellig, vriendelijk, comfortabel
- Mesomorf (gespierd, atletisch lichaam) → Energiek, assertief, avontuurlijk, competitief
- Ectomorf (slank, fragiel lichaam) → Introvert, gevoelig, intellectueel, gereserveerd
Typologieën in de moderne tijd
- Hedendaagse wetenschappers hebben het idee van typologieën grotendeels verlaten.
- Ze geloven niet meer dat je mensen op een betrouwbare manier in vaste types kunt indelen.
- Toch worden er soms nog nieuwe typologieën ontwikkeld, maar die zijn vaak gebaseerd op pseudowetenschap – dat betekent dat ze niet wetenschappelijk onderbouwd zijn.
- Een voorbeeld is de Myers-Briggs Type Indicator (MBTI).
- Dit is een persoonlijkheidstest gebaseerd op het werk van Carl Gustav Jung.
- Deze test wordt nog vaak gebruikt in de bedrijfswereld, bijvoorbeeld bij trainingen of personeelsselectie.
- De MBTI deelt mensen in op basis van vier paren van tegengestelde eigenschappen.
- Elke persoon zou in elk paar een voorkeur hebben voor één van de twee kanten, wat leidt tot 16 verschillende persoonlijkheidstypen.
Problemen met typologieën
- De MBTI heeft geen wetenschappelijke basis, maar wordt toch vaak gebruikt.
- Het wordt gezien als een zelfevaluatie-instrument en wordt veel ingezet in trainingen.
- Een ander hedendaags voorbeeld van typologieën zijn de persoonlijkheidstypes A, B, C en D.
- Type A wordt omschreven als competitief en ongeduldig.
- Type B is juist rustig, lui en minder ambitieus.
- Type C staat voor perfectionistisch gedrag.
- Type D heeft te maken met gevoelens van pijn, verdriet en angst (distress).
- Deze types worden in verband gebracht met gezondheidsproblemen, en later ook met prestaties op school en werk.
- Ondanks de kritiek op typologieën blijven ze populair, omdat ze herkenbaar zijn en de werkelijkheid vereenvoudigen.
- De MBTI-typologie faalt omdat het niet mogelijk is om alle mensen duidelijk in categorieën in te delen.
- Er zijn veel grensgevallen waarbij mensen niet precies in één type passen.
- Typologieën gaan uit van het idee dat mensen in twee tegenstrijdige categorieën kunnen worden verdeeld, bijvoorbeeld introvert versus extravert.
- In werkelijkheid bevinden de meeste mensen zich tussen deze uitersten in het midden.
- Daarom is de indeling van mensen in vaste types niet houdbaar.
- Hedendaagse persoonlijkheidspsychologen kiezen daarom voor de trekkenbenadering.
- Volgens deze trekkenbenadering bestaat een eigenschap niet uit twee elkaar uitsluitende tegengestelden, maar uit een continuüm waarop mensen hoger of lager kunnen scoren.
- Trekkentheorieën worden ook wel dispositionele theorieën genoemd.
Trekkentheorie
- Hans Eysenck (1916–1997) was een van de eersten die een trekkentheorie ontwikkelde.
- In de eerste versie van zijn theorie maakte hij een onderscheid tussen twee belangrijke persoonlijkheidstrekken: introversie versus extraversie en neuroticisme versus emotionele stabiliteit.
- Neuroticisme verwijst naar de mate waarin iemand neigt tot somberheid, angst of onzekerheid.
- Eysenck liet zich inspireren door ideeën uit de Griekse oudheid, waar de vier types van Hippocrates herkenbaar zijn in de combinaties van deze trekken.
- Later voegde Eysenck een derde trek toe, namelijk psychoticisme.
- Dit verwijst naar de mate waarin iemand vatbaar is voor psychoses.
- Mensen die hoog scoren op psychoticisme zijn vaak agressief, koud in de omgang en egocentrisch, terwijl mensen met een lage score empathisch zijn.
- De drie trekken uit Eysencks theorie bleken te beperkt om alle verschillen tussen mensen goed te beschrijven.
- Daarom ontstond de zoektocht naar een vollediger model, dat bekend staat als de Big Five.
- De Big Five is tegenwoordig de meest gebruikte trekkentheorie.
- Deze theorie beschrijft vijf belangrijke trekken, die elk een continuüm vormen.
- Iedereen scoort ergens op de schaal van elke trek: hoog, laag of ergens daartussenin.
- Door de combinatie van deze vijf scores ontstaat een uniek persoonlijkheidsprofiel voor ieder individu.
De vijf trekken van de Big Five
- Extraversie / introversie
- Emotionele stabiliteit / neuroticisme
- Zorgvuldigheid
- Vriendelijkheid
- Openheid voor ervaringen
Big Five: Uitleg en Onderscheid
- Temperamentfactoren zijn extraversie/introversie en emotionele stabiliteit. Deze komen ook voor in het model van Eysenck. Ze gaan over hoe intens of emotioneel geladen je gedrag is.
- Karakterfactoren zijn zorgvuldigheid en vriendelijkheid. Ze gaan meer over moreel gedrag, over hoe je denkt dat je je zou moeten gedragen.
- Openheid voor ervaringen is de trek waar het meeste discussie over is. Sommige psychologen gebruiken liever de termen ‘intellect’ of ‘cultuur’.
Big Five in de praktijk
- Mensen kunnen vaak goed inschatten wat de persoonlijkheid is van gezinsleden of goede vrienden.
- Dat komt doordat je die mensen in veel verschillende situaties hebt gezien, waardoor je hun gedragspatronen herkent.
- Een andere manier om persoonlijkheid te leren kennen is via persoonlijkheidstests.
- Die gebruiken meestal vragenlijsten die meten hoe iemand scoort op de Big Five.
- Er bestaan zowel gratis als betaalde versies.
- De uitslag geeft een idee van iemands persoonlijkheid, maar is nooit 100% betrouwbaar.
Crosscultureel onderzoek
- Er is ook onderzoek gedaan naar de Big Five in verschillende talen en culturen.
- Dit heet lexicaal onderzoek: men verzamelt heel veel persoonlijkheidskenmerken en laat mensen zichzelf beoordelen.
- Via factoranalyse vindt men dan de belangrijkste factoren.
- In veel talen (Europees, Koreaans, Chinees, enz.) vindt men ongeveer dezelfde vijf trekken.
- Alleen openheid voor ervaringen verschilt wat in invulling, wat wijst op culturele invloed.
- De andere vier trekken lijken universeel.
- Tweelingenonderzoek toont ook aan dat genen een grote rol spelen in persoonlijkheid.
- Toch zorgen cultuur en opvoeding ervoor dat sommige trekken meer of minder zichtbaar zijn.
- Vrouwen scoren wereldwijd gemiddeld hoger op neuroticisme en vriendelijkheid, en mensen op de Filipijnen scoren hoger op emotionele stabiliteit.
- Binnen een cultuur zijn de verschillen tussen mensen nog altijd groter dan tussen culturen.
Hexaco-model
- Vanaf de jaren 2000 ontwikkelden Canadese psychologen Lee en Ashton het Hexaco-model, een uitbreiding op de Big Five.
- Het bevat zes persoonlijkheidstrekken:
- Drie trekken zijn gelijk aan de Big Five: extraversie, zorgvuldigheid en openheid.
- Vriendelijkheid en emotionaliteit lijken op die van de Big Five, maar bevatten nieuwe elementen.
- De zesde trek is honesty/humility: eerlijkheid, bescheidenheid en integriteit.
- De integriteitstrek wordt gemeten met vragen zoals: “Als ik niet gepakt zou worden, zou ik een miljoen euro stelen.”
Stabiliteit van persoonlijkheid
- De vraag of persoonlijkheid verandert doorheen het leven is belangrijk in de psychologie.
- Volgens een biologische visie verandert je persoonlijkheid niet meer na 30 jaar, omdat dan je hersenen volgroeid zijn.
- Systemische psychologen denken dat veranderingen in de omgeving ook op latere leeftijd nog invloed hebben.
- Er is discussie tussen psychologen over of persoonlijkheid vaststaat of kan veranderen.
- Carol Dweck introduceerde twee ideeën:
- Fixed mindset: je denkt dat eigenschappen vastliggen. Je gelooft dat je weinig invloed hebt op je succes of falen, en je geeft sneller op.
- Growth mindset: je gelooft dat je kan veranderen. Falen zie je als kans om te leren en je bent bereid om moeite te doen.
- Volgens Dweck moet je persoonlijkheidstests niet als vaststaand zien, want dat kan leiden tot een self-fulfilling prophecy: je gelooft het resultaat en gaat je daarnaar gedragen.
- Met een growth mindset probeer je juist nieuw gedrag uit.
- Bijvoorbeeld: als je extraverter wil worden, begin je een gesprek met een onbekende. Dat nieuwe gedrag geeft je een nieuwe ervaring, en zo verandert je zelfbeeld beetje bij beetje.
Test psychologische theorieen
- Verklaar de term persoonlijkheid a.d.v de begrippen (omschrijf +vb) Vb gewoonte: elke dag je tanden poetsen
- welke 3 hoofdcomponenten beinvloeden volgens bandura voortdurend elkaars werking bij het ontwikkelen van de persoonlijkheid benoem en telkens een vb Persoonlijke factoren, omgeving en gedrag -> vb van vaccin
- Benoem 3 lagen van Freud (uitlegge + vb)
- Kritiekpunt op typologieën -> ze delen mense in in vaste categorieen terwijl pers. continuum is
- Hoe kan Big Five Emma’s pers. Bla bla geef trekken die bij haar horen
- wat is de uitgangspunt van de trekkenbenadering over persoonlijkheid -> die zegt dat mensen niet kunnen ingedeeld worden in 2 categorieen maar in een continuum waarop mensen hoger of lager kunnen scoren.
- Wrm is MBTI toch populair -> omdat het herkenbaar is en simpel
Sociaal leren Bandura
- Uitgangspunt: Persoonlijkheid ontwikkelt zich via:
- Mentale processen
- Observeren van gedrag van anderen
Sociaal-cognitieve leertheorie
- Leren = gedrag van een model observeren en imiteren (→ modelling)
- Beloning van het model kan aanzetten tot imitatie (zelf beloning ervaren = niet nodig)
Bobo doll-experiment (jaren 60)
- Doel: onderzoeken of kinderen agressief gedrag aanleren via observatie
- Steekproef: kinderen 3-6 jaar, verdeeld in 3 groepen:
- Volwassene valt Bobo-pop aan
- Volwassene speelt rustig en negeert Bobo
- Controlegroep: geen model
- Fase 1: kind kijkt naar gedrag volwassene
- Fase 2: kind mag met speelgoed spelen
- Fase 3: kind krijgt saai speelgoed + Bobo-pop
- Resultaat:
- Kinderen groep 1 = meer agressie
- Jongens = meer fysiek agressief
- Meer imitatie als model mannelijk is of zelfde geslacht
- Als model gestraft → minder imitatie
- Als model beloond → meer imitatie
Vier stappen sociaal leren
- Aandacht: gedrag van model opmerken
- Retentie: gedrag onthouden
- Reproductie: gedrag nadoen
- Motivatie: gedrag uitvoeren omdat het iets oplevert of het model bewonderd wordt
- Voorbeeld kleuter:
- Kleuter ziet ouder handen wassen voor het eten → kleuter doet dit na.
Belang van Bobo doll-experiment
- Toont invloed van gewelddadige media op kinderen
- Benadrukt rol van influencers / rolmodellen
Kritieken op behaviorisme
Positieve kritieken
- Helder, wetenschappelijk meetbaar
- Toepasbaar in opvoeding en therapie (bv. aanleren gewenst gedrag, afleren fobie)
- Praktische technieken
Negatieve kritieken
- Te simplistisch: gedrag ≠ alleen stimulus-respons
- Negeert erfelijkheid (nature)
- Geen aandacht voor denken, gevoelens, motivatie
- Negeert vrije wil → mens = speelbal van omgeving
Systematisch perspectief
- Ontwikkeling = beïnvloed door omgeving en relaties
- Een persoon is deel van een systeem (gezin, school, vrienden).
- Alles in dat systeem beïnvloedt elkaar.
- Als één ding verandert, verandert het hele systeem mee.
- Je lichaam, denken, emoties en gedrag beïnvloeden elkaar.
- Vb: stress → buikpijn → minder praten → invloed op vrienden.
Bronfenbrenner’s model (vijf omgevingslagen)
- Microsysteem – directe omgeving (gezin, school)
- Mesosysteem – hoe die omgevingen samenwerken (ouders & leerkracht)
- Exosysteem – omgeving waar je niet zelf in zit, maar die jou wel raakt (werk ouders, social media)
- Macrosysteem – cultuur, regels, tradities
- Chronosysteem – invloed van tijd of gebeurtenissen (vb. corona, scheiding)
Vygotsky (sociaal-culturele theorie)
- Kind leert door sociale contacten en cultuur
- Ontwikkeling hangt af van de cultuur en de mensen om je heen.
- Kind leert via praten en samenwerken met volwassenen.
- Zone van de naaste ontwikkeling = kind kan iets bijna zelf, maar heeft nog wat hulp nodig.
Systemisch perspectief: Bio-ecologisch model van Urie Bronfenbrenner
- Urie Bronfenbrenner (1917-2005) ontwikkelde een model dat laat zien hoe verschillende omgevingsniveaus invloed hebben op iemands ontwikkeling.
- Persoon in het midden: biologische eigenschappen (nature).
- Daaromheen cirkels die verschillende omgevingsinvloeden representeren (nurture).
Vijf omgevingssystemen in het model:
- Microsysteem
- Directe omgeving van de persoon: gezin, school, vrienden, werk.
- Er is een tweerichtingsverkeer: persoon beïnvloedt omgeving en andersom.
- Voorbeeld: kind met ADHD krijgt vaker negatieve reacties, wat invloed heeft op zelfbeeld.
- Mesosysteem
- Interacties tussen verschillende microsystemen.
- Voorbeeld: contact tussen ouders en leerkrachten, of tussen klasgenoten en broers/zussen.
- Positieve relaties versterken de ontwikkeling.
- Exosysteem
- Ruimere sociale omgeving waarin de persoon zelf niet direct actief is, maar die wel invloed heeft.
- Voorbeelden: uitgebreide familie, buurt, media, voorzieningen zoals scholen en sportclubs.
- Macrosysteem
- Cultuur, gewoontes, wetten, tradities waar de persoon deel van uitmaakt.
- Voorbeeld: in westerse culturen wordt veel waarde gehecht aan het behalen van diploma’s.
- Chronosysteem
- Tijdsdimensie: veranderingen in de omgeving door levensgebeurtenissen of historische gebeurtenissen.
- Voorbeelden: scheiding ouders, verhuizing, eerste schooldag, klimaatrampen.
- Dit model benadrukt dat ontwikkeling een complex samenspel is van biologische factoren en meerdere lagen van sociale en culturele invloeden die elkaar wederzijds beïnvloeden.
Humanistisch Perspectief
- Focus op het goede en de groei van de mens
- De mens is van nature goed en wil groeien.
- Mensen hebben vrije wil en maken keuzes die hun ontwikkeling sturen.
- Geen nadruk op fouten, maar op mogelijkheden en motivatie.
Maslow’s behoeftepiramide
- Mensen hebben lagen van behoeften:
- Overleven – eten, drinken, slapen
- Veiligheid – orde, bescherming
- Liefde & contact – vriendschap, erbij horen
- Erkenning – jezelf en door anderen gewaardeerd worden
- Zelfactualisatie – groeien, jezelf worden
Humanistisch perspectief: De behoeftetheorie van Abraham Maslow
- Abraham Maslow (1908-1970) was een Amerikaanse psycholoog en vertegenwoordiger van de humanistische psychologie.
- Hij had een positieve kijk op de mens: mensen streven van nature naar persoonlijke groei en ontwikkeling.
- Mensen proberen eerst de basisbehoeften te vervullen voordat ze aandacht kunnen geven aan hogere behoeften.
- Deze behoeften zijn hiërarchisch geordend, vaak weergegeven als een piramide (hoewel Maslow dat zelf niet zo voorstelde).
De vijf niveaus van behoeften:
- Fysiologische behoeften (basisbehoeften)
- Essentieel voor overleving: voedsel, slaap, zuurstof, en ook seksuele behoeften.
- Behoefte aan veiligheid en zekerheid
- Bescherming tegen gevaar en onzekerheid.
- Voorbeelden: geld sparen, medische controles, veiligheidsgordel dragen.
- Sociale behoeften
- Behoefte aan liefde, vertrouwen en erbij horen.
- Mensen willen liefhebben en geliefd worden.
- Voorbeelden: lid worden van een club, vrienden uitnodigen.
- Waarderingsbehoeften
- Zelfwaardering: positief zelfbeeld en eigen identiteit.
- Erkenning door anderen: aanzien en respect.
- Voorbeelden: merkkleding dragen, winnen van wedstrijden.
- De eerste vier niveaus noemt Maslow deficiëntiebehoeften: ze ontstaan door een tekort en moeten eerst vervuld worden.
- Behoefte aan zelfactualisatie (hoogste niveau)
- Het verlangen om jezelf ten volle te ontplooien.
- Je talenten en creativiteit ontwikkelen om de beste versie van jezelf te worden.
- Hoe iemand dit invult, is persoonlijk verschillend. Je moet eerst de basis vervullen voor je hogerop kunt.
Carl Rogers
- Mensen willen hun ideale zelf worden
- Je hebt een actueel zelf (wie je nu bent) en een ideaal zelf (wie je wil zijn).
- Als het verschil te groot is → stress of probleemgedrag.
- Je hebt veiligheid en aanvaarding nodig om te groeien.
Overzicht van stromingen
| Stroming | Grondlegger(s) | Uitgangspunt | Visie op ontwikkeling | Continu of discontinu? |
|---|
| Biologisch perspectief | Darwin, Gesell, Waddington | Erfelijkheid, rijping, genen | Ontwikkeling door nature (aangeboren) + omgeving kan genexpressie beïnvloeden (epigenetica) | Continu (meestal) |
| Behaviorisme | John Watson | Alleen observeerbaar gedrag telt | Leren door stimulus → respons (klassieke & operante conditionering) | Continu |
| Psychoanalyse | Freud, Erikson | Onbewuste driften en kindervaringen | Gedrag gestuurd door onbewuste conflicten; Erikson: psychosociale fases | Discontinu |
| Cognitief perspectief | Jean Piaget | Kind = actieve denker | Ontwikkeling in vaste fases: sensomotorisch, preoperationeel, … | Discontinu |
| Informatieverwerkingstheorie | - | Kind = informatieverwerker | Denken = coderen → opslaan → terughalen van info | Continu |
| Systemisch perspectief | Bronfenbrenner | Persoon in systeem van relaties | Invloed van gezin, school, cultuur, maatschappij | Continu |
| Sociaal-cultureel | Vygotsky | Cultuur en sociale interactie sturen denken | Kind leert in interactie met anderen, zone naaste ontwikkeling | Continu |
| Humanistisch perspectief | Maslow, Rogers | Mens is van nature goed en vrij | Focus op zelfgroei, motivatie, zelfactualisatie | Continu |
Ontwikkeling van Genderrolgedrag
- Begrippen:
- Geslacht: Biologische verschillen tussen mannen en vrouwen (bv. chromosomen, hormonen).
- Gender: Sociale, culturele en psychologische kenmerken gekoppeld aan geslacht (bv. verwachtingen, gedrag).
- Genderidentiteit: Hoe iemand zichzelf als jongen, meisje, of anders ziet.
- Genderexpressie: Hoe iemand zijn/haar gender laat zien, bv. via kleding, gedrag.
- Ontwikkeling van genderrolgedrag:
- Babyfase: Weinig verschil in gedrag jongens/meisjes, vooral als kleding genderneutraal is.
- Peuter/kleutertijd: Kinderen leren onderscheid maken tussen jongens en meisjes.
- Rond 4 jaar:
- Kinderen begrijpen en leren stereotiepe genderrollen (bv. meisjes zorgen voor kinderen).
- Ze passen hun gedrag aan deze rollen aan (genderexpressie).
- Ze spelen vooral met kinderen van hetzelfde geslacht.
- Psychologische theorieën over genderontwikkeling:
- Verschillende theorieën (bv. psychoanalyse, sociaal leren) geven elk een deel van de waarheid.
- Samen geven ze een bredere kijk op genderidentiteit en genderexpressie.
- Kritiek op klassieke psychoanalyse: te weinig wetenschappelijk bewijs.
- Genderstereotiep gedrag komt ook voor bij kinderen uit diverse gezinssituaties, zoals eenoudergezinnen of holebigezinnen.
Theorie van Jean Piaget – Cognitieve ontwikkeling in vier fases
- Sensomotorische fase (0-2 jaar)
- Leren vooral via zintuigen en bewegingen, nog geen echt denken.
- Reflexen en herhaalde acties die plezier geven.
- Ontwikkeling van objectpermanentie (voorwerpen blijven bestaan als ze uit het zicht zijn, rond 8 maanden).
- Vanaf 12 maanden experimenteert het kind actief met de omgeving.
- Preoperationele fase (2-7 jaar)
- Kind leert symbolen gebruiken, zoals taal en tekenen.
- Fantasie en doe-alsofspel ontwikkelen zich sterk.
- Denken is intuïtief en magisch; logisch redeneren is nog beperkt.
- Moeite met het onderscheid tussen fantasie en werkelijkheid.
- Concreet operationele fase (7-12 jaar)
- Logisch denken over concrete zaken.
- Kan classificeren en begrijpen dat hoeveelheid hetzelfde blijft ondanks vormverandering (conservatie).
- Begint perspectief van anderen te begrijpen (minder egocentrisch).
- Formeel operationele fase (vanaf 12 jaar)
- Ontwikkeling van abstract en hypothetisch denken.
- Kan nadenken over onzichtbare en toekomstige situaties.
- Leren argumenteren en systematisch problemen oplossen.
Pedagogiek
- Oorsprong term: Grieks "pedagogos" = kinderleider. Pedagogiek betekent kennis en vaardigheden om kinderen op te voeden.
- Pedagogie = de praktijk van opvoeden.
- Pedagogiek = de wetenschappelijke studie van opvoeding.
- Orthopedagogiek = studie van kinderen met gedrags- of leerproblemen, ontwikkelingsstoornissen, enz.
- Opvoeden = kinderen begeleiden tot ze zelfstandig kunnen functioneren in de maatschappij.
- Opvoeding is een essentieel proces om kinderen te laten uitgroeien tot zelfstandige, verantwoordelijke burgers.
- Vindt plaats in verschillende contexten: thuis, school, jeugdverenigingen