Geschiedenis vwo 4
hoofdstuk 2
paragraaf 2.1
De eerste mensachtige zijn gevonden in Oost-Afrika
2 miljoen jaar geleden leefde de apensoort in de bergen. Ze maakte een aparte ontwikkeling, veroorzaakt door een verandering van klimaat in dat gebied. Hierdoor veranderde ook de begroeiing. Daarom trokken ook veel apen uit dit gebied. De achtergebleven apen passen zich aan en de inhoud van de hersenen neemt toe. Deze soort heet Australopithecinen
Alle mensen horen tot de homo sapiens sapiens. Een etnische groep is een groep mensen met lichamelijke kenmerken die anders zijn dan bij andere groepen. De kenmerken zijn erfelijk. Elke groep die lang in een gebied woont past zich aan. Zo kunnen etnische verschillen veranderen.
cultuur is het denken en doen van een bepaalde bevolkingsgroep:
hoe mensen voorzien en inkomsten verdelen→economie
hoe mensen zich gedragen→sociale omstandigheden
hoe mensen de macht verdelen→politiek
andere onderdelen/uitingen van cultuur.
Elke groep in de prehistorie had een eigen cultuur en geschiedenis. Toch hadden de groepen ook overeenkomsten: vaak was het dat ze leefden van planten en vruchten en de jacht van vis. De groep verzamelde voedsel voor een korte tijd. En leefde in hutten en grotten en er werd gebruikgemaakt van werktuigen, stenen en botten. Er was geen ingewikkelde organisatie omdat de groepen vaak klein waren.
Magie is iets doen waarvan men denkt dat het een geheimzinnige kracht heeft. Zo proberen ze iets te bereiken wat normaal niet lukt. Heel veel dingen waren voor de mensen onbegrijpelijk, voor deze dingen probeerden ze goden te bedenken. En zo gaf godsdienst hen een gevoel van vrijheid.
paragraaf 2.2
2 vernieuwingen met grote betekenis:
jagen en verzamelen→landbouw
landbouw→industrie
7000 VC werd er voor het eerst akkerbouw en veeteelt bedreven
Doordat mensen ontdekten hoe ze moesten oogsten, hoefden ze minder vaak rond te gaan reizen. Hierdoor ontstonden er dorpen→een kleine nederzetting waar de meeste inwoners leven van akkerbouw en veeteelt.
Doordat niet iedereen meer aan landbouw hoefde te doen gingen mensen andere beroepen uitoefenen. Hierdoor ontstonden er nieuwe beroepen en op sommige plekken waren er dorpen waar mensen niet meer aan landbouw hoefde te werken, hier is er dan sprake van steden.
In Mesopotamië ontstonden langs de rivieren Eufraat en Tigris de eerste steden Oer, Nineve en Babylon. De steden waren zelfstandig, maar de politieke leiders probeerden de gebieden samen te voegen tot staten→ Soemerië en Babylonië. Staat→land met duidelijke grenzen waarin een kleine groep mensen de rest van de bevolking bestuurt. Maar door de ontwikkeling van staten ontstond ook de gelaagde samenleving→iedereen komt bij de geboorte in een laag. Ze verschillen altijd van elkaar in aanzien, bezit en macht. De koningen en priesters hadden de meeste macht.
In de nieuwe staten kregen bestuurders en handelaren behoefte aan een schrift. 3100 VC ontstond het schrift. Dankzij het schrift konden ze hun wetten overal bekend maken en vastleggen hoeveel belasting er moest binnenkomen. Handelaren hielden bij wat ze verkochten, ook konden mensen nu hun gedachten opschrijven en kennis bewaren. Ook komt uit Mesopotamië het oudste epos.
Al snel na de steden aan de Eufraat en de Tigris ontstonden ook steden en staten op ander plekken langs rivieren→rivierdal culturen.
paragraaf 2.3
Tussen 5000 en 4000 VC ontdekten jagers en verzamelaars in vruchtbare nijdal dat ze zaden en gewassen konden bewaren en opnieuw zaaien. Ook gingen ze dieren temmen en gebruiken als trekdieren en als voedsel. Zo werden dit de belangrijkste middelen voor het bestaan van de mens. Zo ontstonden er dorpen en steden.
De Egyptenaren leerden de rivieren beheersen met dammen, dijken en sloten. Als de nijl het hoogste punt had bereikt, staken ze de dijken door en lieten ze het land onder lopen. Als het waterpeil daalt, worden de dijken afgesloten. Zo heeft het vruchtbare slib tijd om in de bodem vast te zitten. Via sloten en openingen in dammen wordt het water afgevoerd→waterhuishouding. Hiervoor was samenwerking nodig tussen verschillende dorpen om dit te regelen. Vaak veroverden dorpen andere grondgebieden van dorpen en zo ontstonden er grote gebieden.
3100 VC waren er 2 gebieden boven en beneden Egypte. Koning Menes (koning boven) de twee gebieden tot 1 staat maken→farao
De Egyptenaren vereerden vaak de farao, hij was namelijk de leider van de waterhuishouding en oorlogvoering. Ramses II was één van de strijdlustigste farao’s. In 30 VC kwam was Egypte een zelfstandige staat en het romeinse rijk nam een deel van egypte in en de laatste farao Cleopatra pleegde zelfmoord.
De Egyptenaren vereerden naast de farao ook goden waarvoor ze een tempel bouwden, priesters verzorgden de tempel en leiden de verering. Ook bezaten ze veel grond naast de tempel waar boeren werkten. Ze bestuurden zelf hun bezittingen. Farao had niet altijd tijd en daarom nam hij ambtenaren in dienst→mensen die de farao hielpen bij het besturen van de staat. Alle ambtenaren samen→bestuursapparaat.
Nadelen van een gewone man in egypte
deel van inkomsten afstaan aan bestuurders
verplicht werkzaamheden te verrichten
geen invloed op het bestuur
Er waren ook voordelen: waterhuishouding werd goed geregeld, beschermd tegen vijanden en veel meer beroepskeuze.
In het begin had ieder dorp eigen god→uiteindelijk goden van elkaar overnemen. Ook vonden ze dieren heilig. God Horus, afgebeeld als kop van een valk, hij zou zo het dichtst bij zonnegod Re kunnen zijn. Ook scarabee (mestkever) was heilig, ze dachten namelijk dat de kevers zichzelf konden voortplanten, zoals Re. Over de goden, halfgoden en sterfelijke helden ontstonden verhalen→mythen. Al deze verhalen samen is de mythologie.
Van de Egyptische steden is weinig over dit gebleven, omdat ze werden gemaakt van klei en riet. De pyramiden bleven wel staan→ kolossale spits toelopende graven van de farao’s
Het schrift van de Egyptenaren bestaat uit hiërogliefen→tekens van mensen, dieren en dingen. Ze schreven op papyrus. Mesopotamiërs schreven met spijkerschriften op kleitabletten en op steen. De kennis van het hiërogliefen ging verloren door de komst van chirstendom. Na verovering Egypte door de Romeinen Romeinse schrift. Na verovering Egypte door Arabieren werd het Latijnse schrift→arabisch.
paragraaf 2.4
Nederland was in de prehistorie voor de helft bedekt met ijs tot 3000 jaar geleden.
Oudste sporen jagers en verzamelaars zijn stenen en werktuigen van 370.000 jaar oud.
Oudste sporen van akkers, boerderijen en werktuigen zijn gevonden in Limburg uit 5600 tot 5000 VC. Ze leefden al van landbouw, toen zij zich van elders op vruchtbare lössgronden bij rivieren in Limburg vestigden. Ze woonden in boerderijen die gebouwd waren van hout en leem. Ze maakte aardewerk dat nu bandkeramiek genoemd wordt.
De eerste boeren hadden geen vaste verblijfplaats. Ze leefde vooral van visvangst. De eerste boeren in limburg zijn vooral bekend geworden door de hunnebedden en aardewerk potten die ze maakten →trechterbekers
hoofdstuk 3
Paragraaf 3.1
In Griekenland zijn veel gebieden van elkaar gescheiden door bergen of zee, hierdoor ontstaan er vanaf 800 VC allemaal aparte staatjes , zo'n staatje wordt ook wel een polis genoemd. Het middelpunt van een polis is een versterkte heuvel→acropolis. Als de polis werd aangevallen vluchtten de bewoners naar de acropolis. Vaak stond hier ook een tempel op. Ook was er een agora, dit is een plein waar burgers elkaar ontmoeten en handel drijven. Rondom de acropolis en de agora ontstaan steden waar mensen leefden van iets anders dan akkerbouw en veeteelt. In de stad woonden ambachtslieden, kooplieden, kunstenaars, soldaten, bestuurders, priesters en geleerden.
De Grieken ontwikkelden nieuwe gedachten over hoe inwoners van een staat bij het bestuur betrokken moeten worden. En in de stadstaten ontstonden verschillende soorten bestuur:
bestuur door alleenheersers→autocratie
bestuursvormen waaraan alleen de aanzienlijkste burgers deelnamen→oligarchie
bestuursvormen waaraan alle burgers deelnamen→democratie
Eerst had in de polis de adel de macht. Hun rijkdom was vooral gebaseerd op grondbezit. Een raad van edelen nam alle beslissingen. Ook was er een volksvergadering met alle mannen. Toen de Griekse steden te maken kregen met overbevolking en een nieuwe opkomende bevolkingsgroep (handelaren) en er te weinig vruchtbare grond was. Besloten ze dat ze gingen koloniseren. Mensen vertrokken en stichtten nederzettingen→ook wel een kolonie. Hierdoor nam de handel toe. Veel handelaren werden rijker dan de edelen. Hierdoor gingen veel edelen na verzet of vrijwillig hun macht verdelen.
In Athene werd op voorstel van edelman Kleisthenes een nieuwe regeringsvorm ingevoerd→directe democratie. Alle belangrijke beslissingen werden door de volksvergadering genomen. In de volksvergadering hadden d e burgers recht voorstellen goed of afkeuren en tegenvoorstellen in te dienen. Alle mannen met Atheens burgerrecht vanaf 18 mochten stemmen. De vergadering wordt voorbereid door de Raad van Vijfhonderd. Rond 450 werd besloten dat de raad vergoedingen kreeg. Hierdoor konden niet alleen de rijke ambten bekleden. Dit bestuur in Athene was een wisselende groep van 50 man. Volksvergadering koos 10 leider van leger en vloot en de rechtspraak was via een loting.
Paragraaf 3.2
Ook in Sparta ontstaat overbevolking. Ze stichten geen kolonies, maar veroveren het land van hun buren, messeniers. Deze werden gedwongen voedsel aan hen te leveren. De Spartanen hebben een sterk leger waarmee ze slaven en andere inwoners mee in bedwang kunnen houden. De kracht van het leger van de spartanen was toe te schrijven in verschillende factoren:
de spartaanse mannen hoeven niet te werken als boer
wanneer ze 7 zijn worden ze van hun gezinnen weggehaald en in een kazerne geplaatst
Ze kregen tot hun 20e een militaire opleiding→niets was belangrijker dan hun staat.
Spartanen hebben veel aandacht voor militaire zaken. Ze werden meer een leger met een staat dan een staat met een leger. Ze hadden veel minder aandacht voor cultuur. In de volksvergadering konden alle mannen roepen om voorstellen aan te nemen of verwerpen. Alleen de edelen mochten voorstellen doen. Het dagelijks bestuur was in handen van 5 ephoren die jaarlijks werden gekozen door de volksvergadering. Ze bepaalde de buitenlandse politiek en waren voorzitter van de raad voor de edelen. Het leger werd aangevoerd door 2 koningen. Anders dan in Athene hadden de bewoners van Sparta geen burgerrechten, want vaak waren het geen echte spartanen. De ‘echte’ spartanen waren afstammelingen van de Doriërs.
Paragraaf 3.3
Al snel nadat in Athene de democratie was ingevoerd, dreigde er een groot gevaar. In het midden-oosten was een machtige staat ontstaan, het Perzische rijk. In dit rijk bestond geen democratie. De koning had alle macht in handen. Griekse kolonisten hadden zich al vóór de Perzische veroveringen, aan de kust van klein Azië gevestigd. Zij wilden zich onafhankelijk maken van de Perzische koning. In 500 VC kwamen ze in opstand tegen de koning Darius, dit werd de aanleiding tot de Perzische oorlogen. Als strafmaatregel besloot hij Griekenland te veroveren. In 490 VC vielen de perzen vanuit zee Griekenland binnen. Uiteindelijk gingen Athene en Sparta samenwerken. Maar bij de veldslag bij marathon kwamen de Spartanen pas opdagen toen de Atheners al gewonnen hadden. In 480 VC vielen de perzen onder koning Xerxes Griekenland weer binnen, over land en zee. Spartanen kregen leiding op land en de Atheners op zee. Bij Thermopylae vond een bekende slag plaats. En veroverde de Perzen heel Griekenland behalve Peloponnesos. De Griekse vloot versloeg de perzen bij het eiland Salamis. In 479 VC wordt bij Plataeae ook het Perzische leger verslagen.
Paragraaf 3.4
Uit angst voor de Perzische aanval gingen Griekse staten samenwerken. Er ontstonden 2 bondgenootschappen onder leiding van de Atheners en Spartanen. De Perzen lieten de Grieken met rust waardoor ze zich met elkaar konden gaan bemoeien. Beide bondgenootschappen probeerden het sterkste te worden. De Atheense leider Pericles sprak in de volksvergadering: "De Spartanen zijn erop ons klein te krijgen." Zij hebben een goed leger, maar geen schepen. Wij hebben een klein leger maar de grootste vloot van Griekenland. "Laten we dit land verdedigen en ter zee aanvallen.” In 431 VC begon de peloponnesische oorlog die tot 404 VC duurde. Uiteindelijk wonnen de Spartanen. Uiteindelijk bleef de atheense democratie bestaan tot eind 4e eeuw.
Paragraaf 3.5
In Griekenland kwam een belangrijke verandering in denken. Ze gaven net zoals alle andere volken een mythologische verklaring voor het ontstaan van de wereld. Maar sommige Grieken probeerden het mythische beeld te veranderen door natuurwetenschappen. De belangrijkste theorieën zijn die van Aristoteles en Ptolemaeus ze beschouwde de aarde als een onbeweeglijke bol die het centrum vormde van het bolvormige heelal. Ptolemaeus werd de aarde als een punt in het heelal gezien. De meeste mensen zien de aarde en het heelal als een platte onbeweeglijke schijf met de hemellichamen erboven.
De Grieken verklaarden het ontstaan van de mens mythologisch. De mens was afhankelijk van de gunsten van de goden. Om de goden gunstig te stemmen moesten ze hun offers brengen. De mens moest zijn gemeenschap op 1 zetten. En na de dood leefde de mens als schim voort. Grieken vereerden veel goden en het bestuur koos steeds voor een jaar een priester om voor de verering van deze goden te zorgen. Vanaf de 6e eeuw VC gingen er groepen niet meer geloven in goden. Ze vonden dat de goden niet alles bepaalde. Ze gingen de mensen zien als een zelfstandig wezen, die met het verstand alles kon bereiken.
Griekse onderzoekers vonden dat te vaak verschijnselen werden toegeschreven aan de kracht van goden. Zij gingen onderzoeken hoe de wereld in elkaar zat door antwoorden te zoeken in de natuur. Hierdoor kwam de wetenschap in Griekenland tot hoog aanzien. Wetenschap→het systematisch geordend geheel van het weten en van de regels waarmee verdere kennis verkregen kan worden.
geboorte geneeskunde→In de tijd van Hippocrates werd gedacht dat ziekten door goden werden veroorzaakt. Als je beter wilde worden moest je offers leveren. Hippocrates zorgde voor een verklaring voor het ziek zijn in de natuur en ging het proces beschrijven. Om erachter te komen hoe de ziekte ontstond en kon genezen.
geboorte geschiedenis→Herodotus is de eerste geschiedschrijver. Hij reisde veel en noteerde wat hij over het verleden van de mensen hoorde. En gaf zijn mening hierover. Ook beroemd was Thucydides, die geschiedenis schreef over de peloponnesische oorlog en probeerde deze te verklaren.
geboorte filosofie→filosofie houdt zich bezig met levensvragen. In plaats van beroep te doen op bovenmenselijke of bovennatuurlijke verklaringen zoek je naar een antwoord die je kan redeneren op je verstand. Socrates probeerde er al vragend achter te komen hoe de wereld in elkaar zit. Domheid was volgens hem het grootste gevaar van de mens.
De Grieken wilden altijd uitblinken. Alles in hun leven stond in het teken van voortreffelijkheid: de wil om zichzelf te verbeteren door onderlinge wedijver. Het leven was net als een god, 1 wedstrijd. Veel mensen waren goed opgeleid. Een ideale Griek moest handel kunnen drijven en ook kunnen deelnemen aan de democratie en een goed figuur kunnen slaan op gebied van sport. Grieken vonden dat alle burgers moesten deelnemen aan het bestuur
Paragraaf 3.6
De Grieken waren gefascineerd door de schoonheid van kunst in het algemeen. Schoonheid was voor de Grieken ‘het schone berust in de maat en orde’. Zoals de wetenschappen baseerde de Griekse kunst zich dus op redelijkheid: niets te veel maar met maat.
In de beeldhouwkunst gebruikte Polycletus voor zijn beeldhouwwerken een vaste verhouding: het hoofd maakt precies 1/7 van het lichaam. Kunst is niet het exact weergeven van de natuur of de mens, maar een product ontwikkelen dat beantwoordde verhoudingen, proporties of verhoudingen.
In de bouwkunst wordt toon gezet door Parthenon. Tempels en theaters waren de belangrijkste bouwwerken. Dit kwam door geloof. Tempels→huizen van God. Het belangrijkste kenmerk waren de zuilen. Ook was de verdeling tussen lengte en dikte belangrijk. De bovenkant van de zuilen waren niet recht maar iets krom. En de voorkant viel op door de symmetrie. Theaters hadden een andere band met godsdienst. Bouwkunst en godsdienst waren namelijk ook verbonden met de natuur. Hoe fraaier de natuur, hoe dicht men dacht bij God te zijn.
Paragraaf 3.8
Rond 800 VC veroverden de Etrusken een deel van Noord- en Midden-Italië. De inwoners leefden vooral van landbouw, maar omdat onder de etrusken de handel sterk toenam. Groeide Rome en andere dorpen uit tot steden. 500 VC kwamen een aantal inwoners in actie tegen de Etrusken.
In de volgende eeuwen veroverden de Romeinen grondgebied van volken die in Italië woonden. Met de onderwerping van de Griekse kolonisten in Zuid-Italië was de verovering van vasteland voltooid, Romeinen zouden bijna 1000 jaar regeren.
Rome werd eerst geregeerd door koningen, maar dit werd al snel een republiek→regeringsvorm waarin steeds na een tijd nieuwe bestuurders worden gekozen. De belangrijkste bestuurders zijn de consuls, er worden elk jaar nieuw gekozen. Ook de senaat is erg belangrijk. Hierin zaten mensen die vroeger bestuurder waren. De senaat geeft raad aan bestuurders. En alle Romeinse mannen kwamen samen in de volksvergadering.
Toen de Romeinen de Etrusken hadden verjaard, kregen ze de macht in Rome. Zij zijn de patriciërs→kregen leidinggevende functies. De rest van de bevolking zijn plebejers. Het was verboden om met iemand uit de andere groep te gaan. Sommige plebejers lukt het om om even rijk te worden als de patriciërs. Ze betaalden dan evenveel belasting voor het leger en ander zaken in de stad. De rijke plebejers wilde ook leiding krijgen. En de arme plebejers werden ontevreden. Ze moesten vaak een hoge rente betalen als ze een bedrijf of land wilde kopen→schulden.
Paragraaf 3.9
Nadat de Romeinen Italië in macht hadden gekregen, veroverden ze een imperium (groot rijk met verschillende volken) dat bestond uit middellandse zeegebied en stuk van Europa. Dit imperium kwam niet tot stand door een plan. Ze hadden namelijk telkens een reden om een bepaald gebied te veroveren. Er zijn verschillende gevolgen van deze veroveringen:
rijk wordt verdeeld in provincies
In iedere provincie worden Romeinse troepen gelegerd. En kreeg een eigen bestuur met een gouverneur. En elke provincie moest elk jaar belasting betalen.
veel slaven worden buitgemaakt
Door de veroveringen kregen de Romeinen veel slaven, die vervolgens als grondbezitters moesten werken. En werden als vee behandeld, sliepen ze in gevangenis en zaten aan kettingen vast. Ook werd de senaat machtiger en hun advies werd altijd opgevolgd.
invloed van de griekse cultuur wordt sterker
Romeinen namen veel van Grieken over. Griekse goden werden ook Romeinse goden. En Romeinse tempels werden op dezelfde manier gebouwd als Griekse.
aantal proletariërs groeit
Veel boeren raakten hun bedrijf kwijt en trokken naar de stad. Veel boeren moesten namelijk in het Romeinse leger gaan werken. Vaak kon de familie de boerderij niet meer runnen en zo trokken de arme boeren naar de stad. Ook wel proletariër→iemand die alleen kinderen bezat.
Patriciërs gaan macht delen met rijke plebejers.
Niet alleen de arme mensen groeiden, het aantal rijke mensen nam ook toe. Romeinen werden rijk door buit tijdens veldtochten of handel. Voor oorlog voeren hadden ze geld en soldaten nodig. Rijke plebejers gaven geld en de arme plebejers leverden soldaten. Plebejers mochten niet meer als slaaf verkocht worden, als ze schulden hadden. En plebejers en patriciërs mogen trouwen, plebejers mogen net als patriciërs de hoogste ambten uitvoeren. De rijke plebejers vormen met de patriciërs de nieuwe bovenlaag.
paragraaf 3.10
Sommige rijke Romeinen wilden de proletariërs in steden weer aan land helpen. De broers Tiberius en Gaius Gracchus. Zij wilde het land van de staat verdelen. Dat had 2 voordelen: werklozen konden opnieuw boer worden en er zouden dan ook weer sterke nieuwe boerenlegers komen. Veel rijke Romeinen hadden land van de staat gepacht en er ontstonden ruzies tussen de 2 groepen tiberius en gracchus. En zij kwamen om het leven. Tegenstanders kregen hun zin.
Doordat er steeds minder boeren waren, kwam er een tekort aan soldaten en werd er een beroepsleger ingevoerd. Proletariërs kunnen 16 jaar dienst nemen in het leger. Hierna kregen ze een stukje grond. Hun bevelhebber zorgde voor hun boerderij.
De senaat probeerden te hinderen dat Caesar alle macht trok. Hierdoor vermoorden ze in 44VC Caesar. Maar hierna kregen ze nieuwe tegenstand van Octavianus→noemde zichzelf augustus. Hij liet de senaat en de volksvergadering bestaan. Maar zorgde ervoor dat hij alle macht had. En werd de eerste keizer van het Romeinse Rijk.
Augustus en zijn opvolgers zorgden enkele eeuwen voor vrede in rome→pax romana
Leger bleef trouw aan keizer
Handel ging goed en dus veel welvaart.
Geen krachtige vijanden
Tijdens het keizerrijk was er meer handel dan in de republiek. De handelaren en handwerkslieden wonen allemaal in de stad. Maar de meeste mensen werken nog steeds in de landbouw. Ze wonen op het platteland in kleine dorpen. En meeste van hun land was in bezit van grondbezitters. Het grootste deel van de bevolking op het platteland behoorde tot de vrije boeren.
De bevolking bestaat uit verschillende lagen:
De rijken→lid van de senaat 4 mil romeinse munten bezitten, hoge fuctie in het bestuur 400.000 en in het bestuur 100.000
De mensen met enig bezit→vrije boeren met stukje grond, mensen met een bedrijfje.
De armen→ mensen met geen bezit behalve kleding en huisraad
De slaven
Paragraaf 3.11
De Romeinse geleerden namen veel over van de Griekse wetenschap. De Romeinse wereldkaart zei dat Afrika en Azië omgeven waren door oceanen.
Het romeinse mensbeeld was sterk beïnvloed door de grieken maar er waren ook verschillen
Een meer militaire kijk
Ze hadden een andere waarden stelsel (moed, gehoorzaamheid, opofferingsgezindheid)
In het amfitheater staat strijd centraal→tussen gladiatoren.
Triomfboog
meer praktische kijk op de mens
De mens was een burger met rechten en plichten. Veel aandacht aan rechten en plichten. En de rechtspraak werd gevoerd in de basilicae→
gaan de Romeinen om het verbeteren van de kwaliteit van het dagelijks leven. Ze gebruikten de natuur om het leven genamer te maken.
Paragraaf 3.12
De belangrijkste Romeinse gebouwen hebben niet met godsdienst te maken, maar met de praktische en militaire kijk op de mens te maken. De Romeinse theaters waren een vrijstaande constructie. De Romeinen hadden bij hun tempels ook een verschil tussen de voor- en achterkant. Typisch Romeinse vormen zijn de boog en de koepel. De typisch Romeinse bouwwerken zijn de amfitheaters, triomfbogen en de thermen.
De Griekse beeldhouwkunst was vaak gebaseerd op het ideaal. En bij de Romeinen was het meer gebaseerd op de werkelijkheid.