Genetische Interacties en Overerving
2 Interacties tussen genen
2.1 Gekoppelde Genen
2.1.1 Experimenten van Morgan
- Thomas Hunt Morgan (1866-1945):
- Amerikaanse geneticus en embryoloog.
- Chromosomen zijn de basis van erfelijkheid.
- Allelen zijn lineair gerangschikt op een chromosoom.
- Kruisingsexperimenten met fruitvlieg (Drosophila melanogaster):
- Eenvoudig te kweken.
- Snelle ontwikkeling (ongeveer 10 dagen).
- Veel nakomelingen.
- Ongeveer 500 rassen.
- Slechts 4 totaal verschillende chromosomenparen; 2n=8
- Experiment 1:
- P-generatie:
- Grijs + lange vleugels: homozygoot (wildtype).
- Zwart + korte vleugels: homozygoot.
- F1-generatie:
- 100% grijs + lange vleugels.
- Dominant: grijs + lange vleugels.
- Recessief: zwart + korte vleugels.
- Experiment 2:
- F1-generatie: Heterozygoot (grijs + lange vleugels).
- Verwachting van Morgan: 9:3:3:1 verhouding.
- F2-generatie:
- Twee fenotypes met 3:1 verhouding.
- Kenmerken gedragen zich als één kenmerk en liggen op hetzelfde chromosoom.
- Contrast met dihybride kruisingen, waarbij kenmerken op verschillende chromosomen liggen.
- Gekoppelde genen:
- Genen op hetzelfde chromosoom die samen overerven.
- Afhankelijke overerving, waardoor de onafhankelijkheidswet van Mendel niet geldt.
- Genen op verschillende chromosomen zijn nooit gekoppeld en erven onafhankelijk over.
2.1.1 Experimenten van Morgan (Vervolg)
- Experiment 3: Terugkruising
- F1-generatie:
- Wijfje: heterozygoot grijs + lange vleugels.
- Mannetje: homozygoot zwart + korte vleugels.
- Verwachting van Morgan:
- 50% grijs + lange vleugels.
- 50% zwart + korte vleugels.
- Verkregen resultaten:
- Verschillende chromosomen hebben onderling genen uitgewisseld.
2.1.2 Gekoppelde Genen en Crossing-Over
- Crossing-over:
- Vorming van voortplantingscellen tijdens meiose (profase I).
- Fruitvliegjes: crossing-over enkel bij de vorming van eicellen.
- Recombinante chromosomen: chromosomen met uitgewisselde genen.
- Experiment 3 Verklaring:
- Vreemde verhouding 9:9:41:41.
- 18% recombinanten: organismen die recombinante chromosomen bezitten.
- De kans dat recombinatie plaatsvindt.
- Hoe verder genen uit elkaar liggen op een chromosoom, hoe groter de kans op recombinante chromosomen.
- Recombinatiefrequentie:
- totaal aantal nakomelingentotaal aantal recombinanten⋅100
- In het voorbeeld: %0.18 of 18%.
- Recombinatiefrequentie:
- Afhankelijk van de afstand tussen twee genen op één chromosoom.
- Eenheid: centiMorgan (cM).
- Voorbeeld van Morgan:
- Kleur lichaam: 48,5 cM.
- Lengte vleugels: 66,5 cM.
- Recombinatiefrequentie = 66,5 cM–48,5 cM=18%.
- Genkoppelingskaart.
- Crossing-over levert enkel bij volledig heterozygote individuen recombinanten op (geen effect bij LLGg).
- Genkoppelingskaart/gene mapping.
- Opmerking: Als RF van 2 genen > 50% → genen op verschillende chromosomen (voeg extra gen toe).
2.1.3 Gekoppelde Genen bij Mensen
- HLA-genen:
- Aanmaak van humane leukocytenantigenen (HLA).
- HLA zijn glycoproteïnen op het celmembraan.
- Alle cellen behalve rode bloedcellen.
- Ieder individu heeft een eigen HLA-type met unieke HLA-proteïnen.
- 'Barcode': lichaamseigen of lichaamsvreemd.
- Afweerreactie bij lichaamsvreemde cellen.
- Transplantatie:
- HLA-compatibiliteit vereist een donor met een gelijkaardig HLA-type aan de acceptor.
- Complexe variant van het ABO-bloedgroepsysteem.
- HLA-systeem: zes genen op chromosoom 6:
- HLA-A-genen.
- HLA-B-genen.
- HLA-C-genen.
- HLA-DQ-genen.
- HLA-DR-genen.
- HLA-DP-genen.
- Voorbeeld:
- Jaëla zou als donor kunnen optreden voor Jack en omgekeerd.
- Eeneiige tweeling: 100% kans HLA-compatibiliteit.
- Broers en zussen: 25% kans HLA-compatibiliteit.
- In werkelijkheid nog complexer door recombinaties.
- Voorbeeld heeft slechts drie van de zes HLA-genen vermeld.
2.2 Geslachtsgebonden Overerving
2.2.1 Geslachtsbepaling
- 23ste chromosomenpaar, de geslachtschromosomen of heterosomen.
- Man: XY.
- Vrouw: XX.
- Het Y-chromosoom is korter dan het X-chromosoom.
- Kruising tussen man en vrouw:
- Theoretisch: 50% kans op een jongen of een meisje.
- Werkelijkheid: iets grotere kans op een jongen.
2.2.2 Geslachtsgebonden Overerving
- Autosomale overerving: erfelijke kenmerken liggen op een van de 22 paar autosomen.
- Geslachtsgebonden overerving: erfelijke kenmerken liggen op een van de geslachtschromosomen.
- X-gebonden genen met recessieve allelen:
- X-gebonden recessieve aandoening:
- Voorbeelden: daltonisme (kleurenblindheid), hemofilie (bloederziekte), spierdystrofie van Duchenne.
- Komen opvallend meer voor bij mannen dan bij vrouwen.
- Vrouwen hebben twee allelen per eigenschap, mannen hebben één allel per eigenschap.
- Daltonisme:
- Man:
- Genotype: XdY, fenotype: heeft de aandoening.
- Genotype: XDY, fenotype: heeft de aandoening niet.
- Vrouw:
- Genotype: XdXd, fenotype: heeft de aandoening.
- Genotype: XDXD, fenotype: heeft de aandoening niet.
- Genotype: XDXd, fenotype: heeft de aandoening niet (draagster).
- Een man zal de X-gebonden recessieve aandoening altijd erven via het X-chromosoom van zijn moeder.
- Zoon II6:
- Vader is gezond.
- Moeder is gezond maar wel draagster van het gen.
- Zoon 50% kans op de aandoening.
- Kinderen III5 tem 7:
- Zoon 50% kans op de aandoening want zijn moeder is drager van het gen.
- Dochter 50% kans op de aandoening want de vader heeft de aandoening en de moeder is drager van het gen.
- Y-gebonden genen:
- Y-chromosoom: 70 tot 200 genen.
- X-chromosoom: ongeveer 1000 genen.
- Geslachtsbepalend gen: SRY-gen.
- Aanwezigheid van het gen: geslachtsklieren → teelballen.
- Afwezigheid van het gen: geslachtsklieren → eierstokken.
- Typische genotype:
- Uitzonderingen:
- Uitzonderingen:
- XX-mannen:
- Syndroom van De la Chapelle.
- Door crossing-over SRY-gen op X-chromosoom.
- Recombinante zaadcel versmelt met eicel.
- Kind: XX met mannelijke kenmerken.
- Onvruchtbaar.
- 1/100 000.
- XY-vrouwen:
- Syndroom van Swyer.
- SRY-gen ontbreekt of Y-chromosoom is gemuteerd.
- Kind: XY.
- Kind wordt als vrouw opgevoed.
- Vanaf puberteit: Y wordt ontdekt.
- Baarmoeder, eierstokken en eileider is niet functioneel.
- Onvruchtbaar.
- 1/80 000.
- Noteer alle genotypes bij de personen (kleurenblind: b; normaal zien: B). Kleurenblindheid is een X-gebonden recessieve aandoening. Als je het genotype niet kan bepalen, plaats je een ‘.’ of een “?”.
2.3 Cryptomerie
- Cryptomerie en epistasie = de overerving waarbij de uitdrukking van een bepaald gen door een ander gen wordt beïnvloed
- Voorbeeld cryptomerie:
- R-White hoenders onderling kruisen: witte nakomelingen, genotype: CCrr
- Witte zijdehoender onderling kruisen: witte nakomelingen, genotype: ccRR
- R-White hoender met witte zijde hoender: gekleurde nakomelingen, genotype CcRr combinatie C en Rallelen geeft gekleurde hoenders
- Voorbeeld cryptomerie: onderlinge kruising F1-generatie
- F2-generatie:
- Het dominante allel C zal voor kleur zorgen, mits ook het dominante allel R aanwezig is.
- Voorbeeld epistasie: Het gen voor afzetting is bepalend voor het fenotype.
2.4 Polygenie
- Polygenie = één fenotype ontstaat door de samenwerking van twee of meerdere genen die op aparte chromosomen liggen
- Voorbeelden zoals huidskleur, oogkleur, haarkleur en lichaamslengte
- Voorbeeld oogkleur
- Twee genen
- Hoeveelheid melanine bepaalt de oogkleur
- Donkerbruin: veel pigment
- Blauw: weinig pigment
- Bruin: tussenin
- Hoe meer dominante allelen, hoe donkerder de oogkleur
- Polygenie kruising 1
- P-generatie:
- Vader met zwarte ogen: AABB
- Moeder met blauwe ogen: aabb
- F1-generatie:
- Allemaal lichtbruine ogen: AaBb
- Polygenie kruising 2
- F1-generatie: Allemaal lichtbruine ogen: AaBb
- F2-generatie: Terug alle oogkleuren komen voor
- Opmerking: Het is complexer dan we denken
2.5 Pleiotropie
- Pleiotropie = één gen leidt tot de expressie van meerdere kenmerken
- Voorbeeld 1: gen vleugelontwikkeling bij het fruitvliegje
- B: normaal ontwikkeld fruitvliegjes
- Indien homozygoot recessief voor het gen A:
- rudimentaire vleugels
- minder aantal eitjes in de eierstokken
- andere plaatsing van de haartjes op het borststuk
- verkorte levenscyclus
- Voorbeeld 2: gen pigmentatie bij katten
- Kat met witte vacht en blauwe ogen: geen pigmentatie, 40% doof
- Kat met witte vacht en blauw en geel oog: doof aan de kant met het blauwe oog
- Voorbeeld 3: gen voor de aanmaak fenylalaninehydroxylase bij de mens
- Bij mutatie in dat gen -> fenylketonurie
- Aangeboren stofwisselingsziekte
- Hersenschade door een overschot aan fenylalanine in het bloed
- Huidproblemen door het gewijzigde tyrosine-metabolisme
- Aanwezigheid van fenylketon in de urine
- Syndroom: het geheel van symptomen die samen wijzen op een bepaalde ziektetoestand
2.6 Letale Allelen
- Letale allelen = allelen die in een homozygoot / heterozygoot genotype geen levensvatbaar individu opleveren
- Vachtkleur muizen:
- Kleur bepaald door 1 gen
- Geel dominant
- G: gele haarkleur
- g: normale haarkleur
JUIST/FOUT?
- Het overerven van oogkleur bij de mens is een voorbeeld van pleiotropie.
- Antwoord: Fout: Het overerven van oogkleur bij de mens is een voorbeeld van polygenie.
- Een man zal de X-gebonden recessieve aandoening steeds erven via het X-chromosoom van zijn moeder.
- Gekoppelde genen zijn genen die op verschillende chromosomen gelegen zijn en onafhankelijk overerven.
- Antwoord: Fout: Genen die op hetzelfde chromosoom gelegen zijn en samen overerven, noem je gekoppelde genen.